Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.3.1
2.2.3.1 Actieve voorbereidingshandelingen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715532:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mols & De Roos 1992, p. 225.
De Hullu 2021, p. 398; Kesteloo 2015b, par. 151.3.3.4; Sikkema 2012, p. 26-27; Cleiren 2006, p. 350; Koops & Prins 2004, par. 2.1; Strijards 1995, p. 14. Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 16. De wetgever stelt overigens dat de opsomming van uitlokkingsmiddelen – anders dan de opsomming van voorbereidingsmiddelen – enuntiatief is, maar dat lijkt me onjuist (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 16).
Smith 2003, p. 198. Ook blijkens de memorie van toelichting zijn de gekozen gedragingen vooral bedoeld om een zo breed mogelijk bereik te hebben (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 18). Zie over de vraag in hoeverre de gedraging, als gevolg van het lex certa-beginsel, precies moet worden omschreven ook hoofdstuk 5.
De Hullu 2021, p. 398; Sikkema 2012, p. 27; Buruma 2007, p. 31; Smith 2003, p. 207; Buruma 2002, p. 1502. Zoals De Hullu retorisch opmerkt: wie heeft er immers geen ruimten, vervoermiddelen of gelden voorhanden? (De Hullu 2021, p. 398).
De Hullu 2021, p. 398-400; Buruma 2002, p. 1502.
Buruma 2002, p. 1502.
Sommige auteurs hebben de strafbaarstelling van voorbereiding dan ook wel aangegrepen om de reikwijdte van de pogingsleer wat terug te dringen. Zo beperkt de strafbaarstelling van voorbereiding volgens Strijards de noodzaak om de objectieve derde, vanuit wiens oogpunt de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ van de pogingsgedraging moet worden beoordeeld, allerlei informatie te geven die hij strikt genomen niet had (Strijards 1995, p. 14). Zie ook §2.2.6 en Rozemond 1994, p. 660.
Zie ook: Dubber 2001, p. 860-861. Anders: Prakken & Roef 2004, p. 233. Het gebruik van voorbereidingsmiddelen wordt door sommige auteurs bijvoorbeeld al gezien als een begin van uitvoering (Verbruggen 2004, p. 36).
Verbruggen 2004, p. 98-99; Rozemond 1994, p. 668; Feinberg 1984, p. 190-191.
Buiten het daadstrafrechtbeginsel gaat het daarnaast vooral om de vraag of de gedragingen wederrechtelijk zijn.
Rutgers 1992, p. 287-288.
De liberale weerstand tegen de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen in artikel 46 Sr berust vooral op een afwijzing van de strafbaarstelling van wat in feite alledaagse gedragingen zijn, die alleen strafrechtelijk relevant lijken vanwege de bijkomende intentie.1 Het gaat dan om actieve gedragingen met bepaalde middelen waarvan taalkundig gezien moeilijk kan worden gezegd dat het geen handelingen zijn en die ook daadwerkelijk een verandering in de werkelijkheid teweegbrengen, zoals het invoeren, vervoeren, doorvoeren, uitvoeren, vervaardigen, verwerven, te koop aanbieden, verkopen, afleveren, verstrekken, verspreiden en ter beschikking stellen van bepaalde middelen.
Een eerste probleem dat zichtbaar wordt in de opsomming van deze gedragingen waaruit voorbereiding kan bestaan, is dat – hoewel de opsomming formeel en taalkundig limitatief is – zij zo veelomvattend is dat deze materieel gezien vrijwel geen limiterende werking heeft.2 Datzelfde geldt voor de opsomming van voorbereidingsmiddelen. In feite houdt een dergelijke gedraging in dat je ‘iets’ moet doen met een ‘ding’.3 Omdat iedereen wel eens ‘iets’ met een ‘ding’ doet (en andere beperkende bestanddelen – zoals ‘in vereniging’ en ‘kennelijk’ – zijn geschrapt), stelt de actus reus bijna niets voor.4 Het onderscheid tussen strafbaarheid en straffeloosheid is daardoor in de kern gelegen in de intentie waarmee iemand ‘iets’ met een ‘ding’ doet.5 Niet de gedraging, maar de intentie is daarmee redengevend voor de strafbaarstelling. De vraag is vervolgens vooral of de rechter overtuigd is van die intentie, die bijzonder lastig objectief is vast te stellen, terwijl de verdachte wel een behoorlijke strafdreiging boven het hoofd hangt.6 Vanuit liberaal oogpunt is dat zeer problematisch.
Als echter de strafbaarheid van de onvoltooide poging eenmaal wordt aanvaard, is het bijzonder lastig uit te leggen waarom deze voorbereidingshandelingen niet strafbaar kunnen zijn.7 Tussen de onvoltooide poging en de voorbereiding bestaat vanuit het causaliteitsleerstuk bezien immers hooguit een gradueel verschil: in beide gevallen moeten door de verdachte nog de nodige (actieve) gedragingen worden verricht voordat schade kan intreden.8 Het verschil zit vooral in de afstand tot die schade. De belangrijkste reden om niet te willen wachten op een uitvoeringshandeling is ook gelijk aan de belangrijkste reden om niet te willen wachten op het intreden van het gevolg: de ernst van het misdrijf maakt dat te riskant.9 Bij deze gedragingen resteert in het kader van het daadstrafrechtbeginsel vooral de vraag of de causale keten die moet leiden tot schade niet te lang is en of met voldoende zekerheid kan worden voorspeld dat zonder ingrijpen concrete schadelijke gevolgen zullen intreden.10 Duidelijk is dát op de glijdende schaal van gevaar voor schade een grens moet worden getrokken, maar wáár die grens dan moet worden getrokken, is – wederom: als de strafbaarheid van de onvoltooide poging eenmaal is aanvaard – niet direct evident.11