Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3:3.3.3 Prijsvermindering nadat de handeling is verricht
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3
3.3.3 Prijsvermindering nadat de handeling is verricht
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494558:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf staat de derde en laatste categorie van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn centraal. Uit voorgaande paragrafen en de daarin behandelde jurisprudentie kan worden opgemaakt dat de categorie ‘prijsvermindering nadat de handeling is verricht’ enigszins lijkt te zijn ondergesneeuwd. Daar waar de rechtspraak van het HvJ omtrent de ongedaanmaking tevens illustratief was voor de invulling van de categorie van niet-betaling, laat deze duidelijk te wensen over daar waar het aankomt op het onderscheidend karakter ten aanzien van de categorie van prijsvermindering. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 25 van het Almos-arrest.1 Daarin overwoog het HvJ met zoveel woorden dat, zolang een overeenkomst niet ongedaan gemaakt wordt, de koper de overeengekomen prijs verschuldigd blijft. Het is vervolgens aan de lidstaten om dan al dan niet te voorzien in een vermindering van de maatstaf van heffing bij niet-betaling van de prijs. Rechtsoverweging 36 van het NLB Leasing-arrest2 kent een gelijke strekking. Daarin wordt door het HvJ overwogen dat, met uitzondering van de categorie van ongedaanmaking, art. 90 lid 1 Btw-richtlijn alleen doelt op situaties waarin de koper niet of slechts gedeeltelijk voldoet aan een schuldvordering, waaraan zij op grond van de overeenkomst is gehouden. Het HvJ vervolgt (rechtsoverweging 37) dat er in die situatie dus geen ruimte is voor verlaging van de maatstaf van heffing wanneer de leverancier alle betalingen heeft geïnd die de tegenprestatie waren voor de door hem verrichte prestatie. Het HvJ lijkt met deze overwegingen geen rekening te hebben gehouden met de categorie van prijsvermindering. In het geval van prijsvermindering zal de koper de overeengekomen prijs immers (voor een deel) ook niet langer verschuldigd zijn, terwijl geen sprake is van ongedaanmaking van de overeenkomst. En ook bij een prijsvermindering kan de leverancier alle betalingen innen die de tegenprestatie vormen voor de door hem verrichte prestatie. Toch dient in die gevallen de maatstaf van heffing te worden verlaagd. Met enige moeite kunnen de overwegingen van het HvJ in het NLB Leasing-arrest toch als sluitend worden geïnterpreteerd. Dit is het geval als in rechtsoverweging 36 de oorspronkelijke vordering van de leverancier tot uitgangspunt wordt verheven. Vanuit die optiek bezien, zal de koper bij een prijsvermindering (veelal per definitie) niet of slechts gedeeltelijk voldoen aan de vordering. De leverancier zal op zijn beurt niet alle door de koper aanvankelijk verschuldigde bedragen innen, zodat overeenkomstig rechtsoverweging 36 recht zou moeten bestaan op verlaging van de maatstaf van heffing. In rechtsoverweging 37 zou de aangepaste vordering (dus ná prijsvermindering) het uitgangspunt moeten zijn. Er bestaat geen recht op vermindering van de heffingsgrondslag als de belastingplichtige niet langer de prijs ná korting verschuldigd is.
Mij wordt niet duidelijk waarom het HvJ de prijsvermindering in de hiervoor besproken arresten naar de achtergrond schuift. Moet de betekenis van dit begrip, anders dan de twee hiervoor besproken categorieën, wellicht als evident worden beschouwd? Ik meen van niet. In deze paragraaf ga ik nader in op een viertal arresten van het HvJ waarin de prijsvermindering centraal staat. Het betreft in chronologische volgorde het Freemans-arrest (paragraaf 3.3.3.1), het Grattan-arrest (paragraaf 3.3.3.2), het Elida Gibbs-arrest (paragraaf 3.3.3.3) en het Boehringer-arrest (paragraaf 3.3.3.4). Het doel is te achterhalen op welke punten de categorie ‘prijsvermindering’ zich onderscheidt van de andere in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn opgesomde categorieën, in het bijzonder de categorie ‘gehele of gedeeltelijke niet-betaling’. Bij de bespreking van voornoemde arresten zal ik ook hier volstaan met een analyse van de belangrijkste overwegingen van het HvJ. Daarbij zal ik aangeven welk belang de uitspraken dienen voor dit onderzoek. Ik sluit af met een slotsom in paragraaf 3.3.3.5.
3.3.3.1 Het Freemans-arrest3.3.3.2 Het Grattan-arrest3.3.3.3 Het Elida Gibbs-arrest3.3.3.4 Het Boehringer-arrest3.3.3.5 Slotsom