Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/4.3.1
4.3.1 Waadi: enkele belangrijke uitgangspunten
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943482:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 8 lid 1 sub a en b jo. lid 3 Waadi.
Hof Amsterdam 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3723 (StiPP/Percival) en Rb. Gelderland 9 maart 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2479, r.o. 6.3 merkten de doorlener aan als de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt. Rb. Noord-Holland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2491, r.o. 5.29-5.32 oordeelde dat de onderneming waar de terbeschikkingstelling feitelijk en daadwerkelijk plaatsvindt,als inlener moet worden aangemerkt in de context van een bepaling in de uitzend-cao, inhoudende dat het loon van de uitzendkracht moet worden gebaseerd op gelijkwaardige functies in dienst van de inlener. Zwemmer vroeg zich in JAR 2018/249 vervolgens af of deze uitleg verenigbaar is met de letterlijke uitleg die de cao-norm vereist.
Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 3, p. 42 (MvT bij WAB).
Zie de laatste alinea van art. 16 lid 1 CAO voor Uitzendkrachten 2 januari 2023-1 januari 2024 (versie mei 2023). Dit was ook al opgenomen in de cao-versies 2019-2021 en 2021-2023.
De Waadi verbiedt uitzendbureaus een tegenprestatie van de arbeidskracht te vragen voor het feit dat deze arbeidskracht via het uitzendbureau werkt, hetgeen ook wel bekend is als ‘het betaalverbod’.1
Daarnaast bepaalt art. 8 Waadi dat ter beschikking gestelde arbeidskrachten ten minste recht hebben op dezelfde arbeidsvoorwaarden als de arbeidsvoorwaarden van werknemers die werken in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt.2 Onder arbeidsvoorwaarden worden lang niet alle arbeidsvoorwaarden verstaan, maar wel die met betrekking tot het loon en overige vergoedingen (het ‘loonverhoudingsvoorschrift’) en de arbeidsvoorwaarden op grond van in de onderneming van de inlener geldende niet-wettelijke bepalingen van algemene strekking, zoals cao-bepalingen, met betrekking tot arbeidstijden en non-discriminatie.3 Als de inlener geen werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies heeft, worden de arbeidsvoorwaarden van de uitzendkracht bepaald op basis van de arbeidsvoorwaarden van werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in de sector van het beroeps- of bedrijfsleven waarin de inlener werkzaam is.4
In rechtspraak en literatuur bestonden enige tijd uiteenlopende opvattingen over de vraag welke onderneming bij doorlening moet worden aangemerkt als ‘de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt’.5 Hierdoor was onduidelijk of voor het bepalen van het loon van uitzendkrachten op grond van art. 8 Waadi moest worden aangeknoopt bij het loon van werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies bij de doorlener of bij de onderneming waaraan werd doorgeleend en waarbinnen de uitzendkracht dus daadwerkelijk arbeid verrichtte. In de toelichting op de WAB stipte de minister dit probleem aan en merkte op dat bij doorlening ingevolge de Waadi de arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn van het bedrijf waar de uiteindelijke terbeschikkingstelling plaatsvindt.6 Deze benadering is inmiddels ook terug te zien in de uitzend-cao.7
Deze benadering past bij de genoemde bepaling dat bij het ontbreken van gelijke of gelijkwaardige functies in de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, moet worden aangesloten bij de arbeidsvoorwaarden van werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in de sector van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt. De sector van een doorlener omvat hoogstwaarschijnlijk andere werkzaamheden dan de werkzaamheden die de doorgeleende uitzendkracht verricht en waarvoor hij moet worden beloond. Het zal gemakkelijker zijn gelijke of gelijkwaardige functies te vinden in de (sector van de) onderneming waar de terbeschikkingstelling daadwerkelijk plaatsvindt.
In het vervolg staat het loonverhoudingsvoorschrift uit art. 8 Waadi centraal. Dat voorschrift is het uitgangspunt voor het bepalen van het loon van uitzendkrachten. De bewoordingen ‘loon en overige vergoedingen’ laten ruimte voor verschillende interpretaties. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in de totstandkomingsgeschiedenis van het loonverhoudingsvoorschrift.