Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.5.2.1
4.5.2.1 Hoofdregel en criteria
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661360:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een bespreking van die rechtspraak bijv. Happé 1996, p. 184 e.v.
De Hoge Raad verwijst hier naar de andere hoogste bestuursrechters (‘vgl. ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, r.o. 4.3; en CRvB 7 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:877, r.o. 4.1.’).
BNB 2020/120, r.o. 2.3.1.
Zie ook de redactie in V-N 2020/29.26, Van der Bogt in NTFR 2020/203; Nefkens 2020, par. 6; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.4.B (bijgewerkt tot 2 februari 2021).
Vgl. conclusie A-G IJzerman bij BNB 2020/120, punt 6.7-6.11 en 7.7-7.10, waarin wordt verwezen naar de criteria uit BNB 1979/311, die volgens de A-G ook van toepassing zijn in het onderhavige geval. Het cassatieberoep van belanghebbende sneuvelt reeds hij kennelijk geen accurate voorinformatie had verstrekt aan het UWV (r.o. 2.3.2).
Bijv. HR 18 april 1984, nr. 21 908, BNB 1984/197 (tikfout: inspecteur schreef ‘nu’ in plaats van ‘niet’).
Net als bij voorlichting en beleid, zag de Hoge Raad bij toezeggingen aanvankelijk geen ruimte voor het beschermen van contra legem gewekt vertrouwen.1 Kort na de Doorbraakarresten ging de Hoge Raad om. In het standaardarrest inzake toezeggingen en inlichtingen BNB 1979/311 bepaalt de Hoge Raad dat de inspecteur aan toezeggingen – anders dan bij inlichtingen – als hoofdregel geldt dat de Belastingdienst daaraan is gebonden.
‘dat bij die afweging voorop dient te worden gesteld dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn; (…)
dat indien het daarentegen [TC: anders dan bij inlichtingen] gaat om als toezeggingen op te vatten uitlatingen van de zijde van de fiscus [TC: kwalificatie als toezegging], waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de belastingplichtige zelf betreffende geval, aan vorenbedoelde regels, zo omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven, bij een afweging als voormeld [TC: tussen het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel] aan het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur [TC: het vertrouwensbeginsel] doorslaggevende betekenis moet worden toegekend;
dat daarbij wel het voorbehoud moet worden gemaakt dat de door de belastingplichtige aan de fiscus verschafte, voor diens toezegging relevante gegevens juist zijn, en dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen’.2
De Belastingdienst is dus gebonden aan een toezegging, mits (cumulatief):
De burger heeft de voor de toezegging relevante en juiste gegevens verstrekt; én
De toezegging is niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de burger op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen.
Recent formuleert de Hoge Raad in BNB 2020/120 de volgende formulering voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
‘Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.3 Dit sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.’4
De vraag komt op of dit een koerswijziging betekent, aangezien de uit BNB 1979/311 bekende criteria niet worden herhaald. Mijn indruk is dat de Hoge Raad inhoudelijk niet een andere weg in beoogt te slaan en dezelfde criteria van belang worden geacht, aangezien de Hoge Raad expliciteert dat de nieuwe formulering ‘aansluit’ bij BNB 1979/311.5 Wel zou de nieuwe formulering meer ruimte kunnen laten voor de omstandigheden van het geval (‘maatwerk’), nu geen expliciete ‘mits’ wordt gemaakt voor de twee criteria als enige relevante omstandigheden. Dat neemt niet weg dat dat bovengenoemde twee criteria vermoedelijk nog steeds relevant zullen zijn.6 Verdere rechtsontwikkeling zal moeten uitwijzen of de Hoge Raad inderdaad ruimte ziet een meer contextafhankelijke benadering en of dit (al dan niet) leidt tot meer bescherming van gewekte verwachtingen.
Tot slot merk ik op dat de Belastingdienst niet aan een toezegging is gebonden indien de belastingplichtige weet (of behoort te begrijpen) dat de toezegging niet overeenkomt met het werkelijke standpunt van de inspecteur.7 In zo’n geval zal van werkelijk vertrouwen geen sprake zijn.