Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.3:4.12.3 De invloed van buitenlandse valuta op de bedrijfswaardebepaling van een deelneming
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.3
4.12.3 De invloed van buitenlandse valuta op de bedrijfswaardebepaling van een deelneming
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346772:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 25 mei 1993, MK III, nr. 92/ 2206, V-N 1993, blz. 2780-2784.
Vergelijk E.J.W. Heithuis, Ontwikkelingen rondom de deelnemingsvrijstelling. Valutaperikelen, Weekblad 1994/6103, blz. 706.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoeverre hebben koersschommelingen van buitenlandse valuta ten opzichte van de Nederlandse gulden invloed op de bedrijfswaardebepaling van een buitenlandse deelneming? Voor het verkrijgen van inzicht in deze problematiek een praktijkvoorbeeld.
Casus
Belanghebbende koopt een 76,13%-belang in een Spaanse SA voor 2 559 905 957 peseta's. Op basis van de toenmalige koers van 100 peseta's = f 1,765 bedraagt de historische kostprijs van deze deelneming f 45 176 140. Het boekjaar van belanghebbende loopt van 1 oktober 1985 tot en met 30 september 1986, waarbij op 30 september 1986 de koersverhouding 100 peseta's = f 1,720 bedraagt. Ondanks toerekening over de betrokken periode aan de buitenlandse deelneming van winst tot een bedrag van 11 578 612 peseta's constateert belanghebbende als gevolg van de koersdaling per saldo een afwaarderingsverlies van f 946 505. De inspecteur acht een lagere bedrijfswaarde van de deelneming niet aanwezig en corrigeert voormeld afwaarderingsverlies.
Ook Hof Amsterdam1 is het niet eens met de afwaardering en memoreert dat de betrekkelijk geringe koersdaling van de Spaanse peseta ten opzichte van de gulden niet tot de conclusie kan leiden dat de bedrijfswaarde van de deelneming beneden haar in guldens gemeten historische kostprijs is gedaald. Bovendien is het Hof van oordeel dat de concerndirectie bij de afweging van alle factoren (om al dan niet tot aankoop van de deelneming te besluiten) reeds met het (instabiele) koersverloop van de peseta rekening heeft gehouden. Verder is ook niet gesteld of aannemelijk geworden dat er onverwacht tegenvallende resultaten bij de Spaanse deelneming waren of dat de aankoop van de deelneming als een miskoop zou moeten worden beschouwd.2
Deze visie wordt door de redactie van Vakstudie Nieuws3 in haar aantekening bij de uitspraak onderstreept: 'De bedrijfswaarde is een typische going-concernwaarde en een lagere waardering komt daarbij pas in beeld als structurele factoren hun negatieve werking doen gelden. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat een als incident te kwalificeren waardemutatie van de Spaanse peseta als onvoldoende werd aangemerkt.' En verder: 'Een structurele ontwikkeling van de valuta zal op enig moment voor de bedrijfsuitoefening van de dochtermaatschappij consequenties (kunnen) hebben en zo de bedrijfswaarde van de deelneming bij de moedermaatschappij beïnvloeden, zoals dat ook geldt voor de vele andere factoren die het bedrijfsgebeuren van de dochtermaatschappij raken'
Daartegenover staat dat er nog een andere uitkomst van de valutaproblematiek bij de waardering van buitenlandse deelnemingen denkbaar is. Als men uitgaat van de klassieke bedrijfswaardedefinitie (die overigens door het Hof is toegepast) en kijkt naar de overnemingswaarde van de onderneming als geheel op balansdatum, dan kan in casu niet worden ontkend dat er bij de vaststelling van de bedrijfswaarde van de buitenlandse deelneming per die datum rekening gehouden moet worden met de koersverhouding van dat moment. De koers van de buitenlandse valuta is steeds een momentopname, de bedrijfswaardebepaling daarentegen is toekomstgericht en verliesneming in het kader van een waardering op lagere bedrijfswaarde impliceert uit haar aard een structurele waardevermindering.
Conclusie: Het valuta-aspect is een onderdeel van de bedrijfswaardebepaling van een deelneming. Daar waar de bedrijfswaardebepaling is gericht op een structurele waardedaling, is de omrekening van de waarde van de deelneming naar Nederlandse guldens ten behoeve van de Nederlandse belastingheffing steeds een momentopname. Een aan Hof Amsterdam tegengestelde uitkomst zou dan ook alleszins verdedigbaar geweest zijn aangezien een in vreemde valuta bepaalde bedrijfswaarde van een buitenlandse deelneming nu eenmaal in Nederlandse guldens moet worden omgerekend.