Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/12
12 Samenvatting en conclusies
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174087:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In dit verband gebruikt men wel de aforismen ‘Difference of opinion leads to inquiry and inquiry to truth’ en ‘Du choc des opinions jaillit la verité’, die dezelfde strekking hebben.
De Hoge Raad bepaalde de norm daarvoor in zijn arrest-Vredo/Veenhuis, namelijk dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing, zowel voor partijen als voor derden, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, r.o. 3.4.7).
Deze en andere aanbevelingen komen overeen met aanbevelingen in Professionele standaard: Meervoudig beslissen, 2015, p. 10-13, van het LOVC-hoven.
Presteren meervoudige kamers beter dan enkelvoudige? Algemeen wordt aangenomen dat meervoudige behandeling bevorderlijk is voor de kwaliteit van de uitspraak. Drie of vijf mensen weten immers meer dan één en hun overleg kan leiden tot een vruchtbare gedachtewisseling. Daar staat tegenover dat met enkelvoudige afdoening van zaken kosten kunnen worden bespaard, deze zaken sneller tot een uitspraak leiden en eenvoudiger te organiseren zijn. Deze voordelen hebben ertoe geleid dat sinds een jaar of veertig de meeste rechtbankzaken door één rechter worden behandeld.
Deze ontwikkeling is niet verwonderlijk, gelet op de bezuinigingen die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw binnen de hele overheid zijn doorgevoerd. Toch is de trend tot alleenrechtspraak opmerkelijk te noemen. Niet vanwege de keuze op zich om zaken in eerste aanleg door één rechter te laten behandelen, maar vanwege het gebrek aan discussie waarmee meervoudige behandeling plaats heeft gemaakt voor enkelvoudige. Misschien nog wel opmerkelijker is de heersende gedachte dat meervoudige behandeling de kwaliteit van de rechtspraak ten goede komt en dat enkelvoudige behandeling efficiënter is, ondanks het ontbreken van empirische onderbouwing. De vraag naar de meerwaarde van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak is in het bijzonder van belang in het licht van de discussie over kwaliteit en productie die de afgelopen jaren binnen de rechterlijke macht is gevoerd. De indruk is immers dat de inhoudelijke kwaliteit onder druk is komen te staan door de nadruk op productie en het wegwerken van achterstanden.
De centrale vragen in dit onderzoek waren welke verschillen en overeenkomsten er zijn tussen meervoudige en enkelvoudige rechtspraak, in het bijzonder in civiele zaken, en in het verlengde daarvan, welke meerwaarde meervoudige rechtspraak heeft. Om een zo nauwkeurig mogelijk beeld en begrip van de werkelijkheid te krijgen, zijn er in het onderzoek meerdere methoden toegepast. Zo zijn literatuur, wetgeving, beleids- en parlementaire stukken over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak onderzocht. In de literatuur ontvouwde theoretische inzichten over besluitvorming en rechterlijke oordeelsvorming zijn bestudeerd en cijfergegevens zijn geanalyseerd. Rechters zijn geïnterviewd en geënquêteerd, zittingen en raadkamers geobserveerd. Ook zijn rechterlijke uitspraken in eerste aanleg en hoger beroep bestudeerd. Direct antwoord op de centrale vragen is gevonden met de observaties, de enquête en interviews en het jurisprudentieonderzoek. Een goed begrip van de thema’s meervoudige en enkelvoudige rechtspraak vereiste ook onderzoek naar hun context, zoals de ontwikkeling die ze onder invloed van wetgeving en beleid hebben doorgemaakt en de zaakstoedeling die tot meervoudige en enkelvoudige rechtspraak leidt. Vergelijking en overdenking van de bevindingen uit de deelonderzoeken resulteren tezamen in antwoorden op de vragen in dit boek. Daarvoor wordt telkens verwezen naar de onderzoeksvragen die in hoofdstuk 1 zijn geformuleerd.
Historie, beleid en cijfers
Dit boek begint met een terugblik, namelijk op de ontwikkeling van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak in Nederland sinds het begin van de negentiende eeuw. Deze ontwikkeling is gestuurd door wetgeving en beleid, die ertoe hebben geleid dat in eerste aanleg verreweg de meeste zaken door één rechter worden behandeld. Over de ontwikkeling, het beleid en het aandeel meervoudige en enkelvoudige behandeling kan als volgt worden geconcludeerd (zie onderzoeksvragen 1 en 8, paragraaf 1.4).
Historisch gezien is rechtspraak in Nederland vooral een zaak van colleges geweest. Tot ver in de twintigste eeuw werden verreweg de meeste rechtszaken in meervoudige kamer behandeld. Rechtbanken spraken sinds 1835 recht in kamers van drie, gerechtshoven in kamers van vijf of zes en de Hoge Raad in beginsel in kamers van zeven.
De kantonrechter is het voornaamste instituut van unusrechtspraak dat sinds de herziening van de rechterlijke organisatie in 1811 heeft bestaan. De alleensprekende rechter maakte pas in de twintigste eeuw een gestage opmars door. Dat gebeurde aanvankelijk onder druk van achterstanden bij de gerechten en door nieuwe inzichten over de benadering van rechtzoekenden. Deze ideeën hebben geleid tot de introductie van nieuwe unusrechters, zoals de kinderrechter en politierechter in 1922. De wetgever meende dat de alleenrechtspraak voorzag in een meer informele manier om rechter en rechtzoekende met elkaar in overleg te laten treden of zelfs, in geval van de kinderrechter, in ‘persoonlijke aanraking’ tussen rechter en kind. Ook werd geloofd in de ‘opvoedende kracht ener snelle berechting’ door de politierechter.
Vanaf de jaren zeventig raakte de langzame groei van de alleenrechtspraak in een stroomversnelling. Gerechten zagen haar als een adequate manier om het sterk groeiend aantal zaken het hoofd te bieden. De discussie die deze trend opriep was van andere aard dan voorheen. Terwijl in de negentiende eeuw het, overigens beperkte, debat over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak zich nog vooral concentreerde op de kwaliteiten die men aan colleges en kantonrechters toedichtte, ging het in de loop van de twintigste eeuw steeds meer over de doelmatigheid van de rechtspleging.
Aldus zijn sinds eind jaren tachtig de meeste zaken in eerste aanleg naar een enkelvoudige kamer gegaan, al variëren de percentages sterk per rechtsgebied en rechtbank. Bij handel ging de afgelopen jaren gemiddeld 8 procent van de zaken naar een meervoudige kamer, bij familie 2 procent, bij straf 15 procent, bij bestuur algemeen 11 procent, bij vreemdelingen 3 en bij rijksbelastingen 28 procent. Langlopende discussies over verruiming van de bevoegdheid van de politierechter en kantonrechter hebben ertoe geleid dat in 2002 respectievelijk 2011 meer zaken onder de reikwijdte van hun competentie gingen vallen. Volop meervoudige behandeling treffen we wel aan in hoger beroep en cassatie. De gerechtshoven behandelden de laatste jaren circa 91 respectievelijk 93 procent van de straf- respectievelijk belastingzaken meervoudig. In de Hoge Raad liggen alle zaken voor aan een meervoudige kamer van drie of vijf raadsheren. De opbouw van het stelsel van zaaksbehandeling heeft dus de vorm van een omgekeerde piramide: het aantal rechters in een kamer neemt veelal toe naarmate de zaak hoger in het rechtssysteem komt.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw uitten rechters steeds vaker zorgen over het behoud van de kwaliteit van de rechtspraak. De grote instroom van zaken en het op productie gerichte financieringsmodel, dat veel ruimte biedt aan alleenrechtspraak, gaven daar aanleiding toe. In reactie daarop werden maatregelen genomen die de kwaliteit van de rechtspraak moesten verbeteren, waaronder het stellen van streefwaarden voor meervoudige behandeling en het meelezen van enkelvoudige uitspraken.
In de meeste rechtsgebieden worden de streefwaarden voor meervoudige behandeling thans gehaald. Voor handel is die vastgesteld op 10 procent; voor familie op 3, voor straf op 15 en voor bestuur algemeen, vreemdelingen en rijksbelastingen op 10, 5 respectievelijk 25 procent. Alleen handelszaken en vreemdelingenzaken worden naar de norm bezien te weinig meervoudig behandeld. Het gaat hier om gemiddelden; tussen de rechtbanken zijn grote verschillen te vinden in de mate waarin zaken collegiaal worden afgedaan.
Wetgeving
Een vraag verwant aan die naar het beleid is hoe meervoudige en enkelvoudige rechtspraak is geregeld. Daaronder valt de vraag welke wetsregels bepalen hoe zaken aan een meervoudige en enkelvoudige kamer worden toegedeeld. (Zie onderzoeksvraag 3, paragraaf 1.4.)
De regels zijn als volgt. Meervoudige en enkelvoudige kamers hebben wat betreft de behandeling van zaken dezelfde wettelijke bevoegdheden. Zij zijn verantwoordelijk voor de behandeling ter zitting en de beoordeling van en de beslissing in de zaak die aan hen is toegedeeld. De alleensprekende rechter heeft daarbij dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de voorzitter van de meervoudige kamer. Zo leidt hij de zitting en ondertekent de uitspraak. Sommige enkelvoudige kamers doen alleen onderzoek, zoals rechters-commissarissen, of verrichten formele proceshandelingen, zoals rolrechters. Meervoudige kamers behandelen een zaak altijd inhoudelijk.
De wet schrijft voor dat civiele en bestuurszaken in eerste aanleg worden behandeld door een alleensprekende rechter. Verreweg de meeste strafzaken worden door een enkelvoudige kamer afgedaan, hoewel de hoofdregel voorschrijft dat strafzaken in eerste aanleg naar een meervoudige kamer gaan. Aan deze hoofdregel liggen principiële overwegingen ten grondslag, omdat vervolging en berechting de meest ingrijpende gevolgen voor een rechtzoekende met zich mee kunnen brengen. Niettemin laat de wet aan rechtbanken veel ruimte om te beslissen of een zaak meervoudig dan wel enkelvoudig moet worden behandeld.
Dat is anders in hoger beroep en cassatie, waar civiele en belastingzaken collegiaal moeten worden behandeld. Alleen strafzaken en personen- en familiezaken kunnen in hoger beroep onder voorwaarden aan een alleensprekende raadsheer worden toegewezen. Bestuurszaken in hoger beroep, die worden behandeld door de ABRvS, de CRvB dan wel het CBb, liggen in beginsel voor aan een meervoudige kamer.
Zaakstoedeling
Hoe komt een zaak nu bij een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer terecht en welke criteria hanteren gerechten voor hun toedeling? (Zie onderzoeksvraag 4, paragraaf 1.4.)
Om te beginnen stelt elk gerecht een bestuursreglement vast dat nadere regels bevat over de indeling in meervoudige en enkelvoudige kamers. Zo hebben rechtbanken ten aanzien van sommige categorieën zaken voor zichzelf bepaald dat deze standaard naar een meervoudige kamer gaan. Denk aan onteigening of besluiten tot ongewenstverklaring van vreemdelingen vanwege vermeende mensenrechtenschendingen. De concrete toedeling van nieuw binnengekomen zaken loopt uiteen, zowel per rechtsgebied als per rechtbank. Formeel zijn gerechtsbesturen verantwoordelijk voor de toewijzing van zaken aan een meervoudige of enkelvoudige kamer. In de praktijk gebeurt dit namens het bestuur door rechters en medewerkers op uiteenlopende niveaus. Soms zijn het afdelingsvoorzitters, teamleiders of rolrechters die na een globale inspectie van het dossier de zaak aan een meer- of enkelvoudige kamer toewijzen, al dan niet tijdens een afdelings- of teamoverleg; soms komt stafjuristen of administratief medewerkers deze taak toe.
De betrekkelijk ruime autonomie van rechtbanken in de toewijzing van zaken verklaart de aanzienlijke verschillen in het aandeel meervoudige en enkelvoudige behandeling tussen de rechtbanken onderling. Toch blijkt uit de enquête en interviews dat de maatstaven voor zaakstoedeling in grote lijnen gelijk zijn. Deze paradox wordt verklaard doordat rechtbanken dezelfde maatstaven verschillend invullen of te maken hebben met een uiteenlopende instroom van ‘mk-waardige’ zaken. Ook maken rechtbanken gewag van beperkte financiële ruimte en personele capaciteit.
De toedeling aan een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer hangt vooral af van inhoudelijke en praktische criteria die in de praktijk zijn ontwikkeld. Vaak zijn zij ongeschreven. Zaken die naar de indruk van de toedelers ingewikkeld of publicitair gevoelig zijn, worden meervoudig behandeld. Dat geldt ook voor zaken die betrekking hebben op nieuwe regelgeving en waarin het materiële of financiële belang van de zaak groot is. De opleiding van minder ervaren rechters speelt eveneens een rol bij toewijzing aan de meervoudige kamer. Bij de gerechtshoven is vooral eenvoud van de zaak reden om deze door één raadsheer af te laten doen. Bij het plaatsen van een bepaalde rechter op een zaak, of een combinatie van bepaalde rechters, wordt in het algemeen rekening gehouden met hun algemene rechterlijke ervaring en specifieke ervaring op een terrein. Ook wordt gelet op individuele omstandigheden die van invloed zijn op de inzetbaarheid van een rechter. Veertig procent van de geënquêteerde rechters zegt dat in hun afdeling iedere rechter elke zaak kan behandelen.
Als de keuze voor meervoudige of enkelvoudige behandeling minder geschikt blijkt, is er nog geen man overboord. Een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer kan immers een toegewezen zaak meestal verwijzen naar een kamer van drie dan wel één, als zij dit forum geschikter acht voor de behandeling. Van deze bevoegdheid maken rechters echter zuinig gebruik. Volgens de meerderheid van de respondenten in dit onderzoek is de toedeling ook adequaat. Desondanks liet bijna een derde van de ondervraagde rechters weten vaker meervoudig te willen behandelen. Als reden om toch niet naar een meervoudige kamer te verwijzen, voerden zij aan dat ze hun al flink belaste collega’s niet nog meer werk willen geven en de procedure vertraging oploopt als er nieuwe rechters bij een zaak worden betrokken. Zij moeten zich immers inlezen en mogelijk dient ook opnieuw een mondelinge behandeling plaats te vinden.
Uit het voorgaande is gebleken dat de wetgever rechtbanken veel ruimte laat om te beslissen of een zaak in een meervoudige of in een enkelvoudige kamer moet worden behandeld. De vrijheid om zelf een methode voor zaakstoedeling te ontwikkelen is echter geen vrijblijvendheid. Voorop staat dat de beslissing tot toewijzing van een zaak aan een meervoudige of enkelvoudige kamer, inclusief de samenstelling ervan, onafhankelijk door de rechterlijke macht moet worden genomen. De wet bevat daarvoor waarborgen. Zo is het aantal rechters dat uitspraak in een zaak moet doen een waarborg voor de onafhankelijkheid van de zaakstoedeling. Rechtspraak door een onwettig aantal rechters resulteert in nietigheid van de uitspraak. Hierdoor kan een regering een meervoudige kamer niet uitbreiden met rechters die haar wellicht gunstiger gezind zijn. Wel biedt de wet rechters veel ruimte om een zaak naar een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer te verwijzen. Hieruit is af te leiden dat de wet niet zozeer beoogt te voorkomen dat een ‘onjuist’ aantal rechters van een zaak kennisneemt, maar vooral dat het aantal rechters dat een zaak behandelt niet wordt bepaald door een autoriteit die daartoe de bevoegdheid mist. De regering heeft bovendien erkend dat de beslissing of een zaak meervoudig dan wel enkelvoudig moet worden behandeld, behoort tot het rechterlijk beleid. Daarmee aanvaardt de regering dat het noch haar, noch enige minister is toegestaan om voor te schrijven dat een bepaalde categorie zaken, bijvoorbeeld om efficiencyredenen, enkelvoudig moet worden afgedaan.
Financiering
Gerechten hebben bij de toedeling van zaken niet alleen met wettelijke, maar ook met financiële en personele beperkingen te maken. De rechtspraak wordt geheel bekostigd op basis van productie, waardoor gerechten betaald krijgen per uitgebrachte uitspraak of tot stand gekomen schikking. Omdat het ene geding het andere niet is, worden zaken op diverse kenmerken onderscheiden, waaronder de wijze van afdoening: meervoudig dan wel enkelvoudig. Een voor dit onderzoek relevante vraag is dan ook hoe meervoudige en enkelvoudige zaken worden gefinancierd en welke gevolgen dat heeft voor de toedeling van zaken. (Zie onderzoeksvraag 9, paragraaf 1.4.)
De bekostigingssystematiek doet ter zake, omdat financiële prikkels het beslissingsgedrag van rechters en gerechten kunnen sturen. Weliswaar weerhouden hun ethische standaarden en professionaliteit hen in de meeste gevallen van oneigenlijke sturing, maar uit dit en ander onderzoek komen signalen dat dat niet altíjd zo is. De kans daarop wordt vergroot doordat gerechten een beperkte ruimte hebben om meer inkomsten te genereren. Meervoudige behandeling is een van de weinige instrumenten daartoe.
Meervoudige zaken kosten naar verhouding veel en leiden daardoor, inmiddels in bijna alle rechtsgebieden, tot een hogere vergoeding. De hoogte van de vergoeding die gerechten per zaak ontvangen is onder meer gebaseerd op tijdschrijfonderzoek. Volgens critici leidt dat echter niet tot een reële vergoeding, omdat daarmee gemeten wordt hoeveel tijd feitelijk aan een zaak wordt besteed en niet hoeveel tijd eigenlijk nodig is voor een zorgvuldige behandeling. Onbekend is of de hogere vergoeding de extra kosten die een rechtbank moet maken voor meervoudige behandeling geheel compenseert. Voor meervoudige en enkelvoudige behandeling van vreemdelingenzaken worden de rechtbanken in gelijke mate gecompenseerd. Dat maakt het voor rechtbanken financieel niet aantrekkelijk om deze zaken aan een kamer van drie rechters voor te leggen, wat de lage aandelen meervoudige behandeling in vreemdelingenzaken helpt verklaren.
Vormen
Op het eerste oog lijkt vanzelfsprekend wat onder meervoudige en enkelvoudige rechtspraak moet worden verstaan, maar de praktijk wijst uit dat achter deze begrippen diverse varianten schuilgaan. (Zie onderzoeksvraag 4, paragraaf 1.4.) Deze betreffen ten eerste het aantal leden van de meervoudige kamer, ten tweede de persoon van de leden en ten derde het onderscheid in deelname aan de belangrijkste fasen van de procedure: het zitten, raadkameren en beslissen.
In de wet is een meervoudige kamer omschreven als een kamer bestaande uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast (oftewel rechters en raadsheren), tenzij de wet anders bepaalt. De laatste zinsnede ziet zowel op de mogelijkheid om ook andere personen dan rechters en raadsheren bevoegd tot rechtspraak te maken als op de mogelijkheid om recht te spreken met een ander aantal dan drie. Personen bevoegd tot rechtspraak (oftewel rechtsprekers) die geen rechter of raadsheer zijn, vindt men in de bijzondere beroepsinstanties in bestuurszaken en in bepaalde meervoudige kamers. Schrijft de wet voor dat een meervoudige kamer uit een ander ledental dan drie bestaat, dan gaat het nagenoeg altijd om vijf leden.
Meervoudige behandeling betekent volgens de bevraagde rechters in alle gevallen dat de leden van de meervoudige kamer ook daadwerkelijk gedrieën (of gevijven) raadkameren en beslissen. Dat geldt niet voor deelname aan de zitting. In handelszaken en in mindere mate familiezaken neemt vaak slechts één lid van de meervoudige kamer, als rechter-commissaris, deel aan de zitting. Dit geeft hem een informatievoorsprong ten opzichte van de andere leden. Het kan er tevens toe leiden dat de laatsten al dan niet terecht meer waarde hechten aan de inzichten van de rechter-commissaris dan aan die van henzelf.
Weliswaar nemen alle leden van de meervoudige kamer deel aan het raadkameren, maar dat betekent niet dat hun individuele inzet of bijdrage gelijk is. Die kan sterk uiteenlopen, doordat de leden zich in verschillende mate voorbereiden en zich op verschillende wijze in de raadkamer manifesteren. Ook hoeven niet alleen leden van de meervoudige of enkelvoudige kamer betrokken te zijn bij de totstandkoming van een uitspraak: met name in enkelvoudige zaken ontvangt de rechtspreker regelmatig bijstand van een juridisch ondersteuner. Het concipiëren van een uitspraak wordt zelfs vaak aan hem overgelaten, al gaat de uitspraak vanzelfsprekend niet uit voordat de meervoudige of enkelvoudige kamer deze heeft beoordeeld en uiteindelijk goedgekeurd. De bijdrage van de ondersteuner aan het raadkamerproces kan zodanig groot zijn dat de facto vier (bij meervoudig) of twee personen (bij enkelvoudig) bij de behandeling van een zaak betrokken zijn, al is de beslissing voorbehouden aan de meervoudige of enkelvoudige kamer. Rechters beschouwen inhoudelijke betrokkenheid van een ondersteuner, ook in de raadkamer, in het algemeen als een van zijn taken, zo blijkt uit ander onderzoek. Ook de meervoudige kamers van de geobserveerde raadkameroverleggen leken het op prijs te stellen dat ondersteuners inhoudelijke bijdragen leverden.
Evenzeer van betekenis voor het proces van oordeelsvorming is de praktijk waarbij enkelvoudige conceptuitspraken worden beoordeeld door een collega-rechter of een ervaren juridisch ondersteuner die niet bij de zaak betrokken is. Dit proces heet meelezen. Na het meelezen kan de zaaksrechter het concept aanpassen, waarna de uitspraak definitief wordt. De gedachte van meelezen is dat een uitspraak er beter van kan worden als die van commentaar wordt voorzien door een geschoolde meelezer met een frisse blik op de zaak. Rechters blijken meelezen dan ook te zien als een eenvoudige en relatief efficiënte manier om enkelvoudige uitspraken te verbeteren.
Gelet op de gunstige waardering van meelezen zou het logisch zijn als enkelvoudige conceptuitspraken consequent worden meegelezen. Dat is echter niet het geval. Hoe vaak wordt meegelezen hangt van het rechtsgebied en het gerecht af. Sinds 2012 maakt de norm voor het aantal mee te lezen uitspraken deel uit van een bredere kwaliteitsnorm die betrekking heeft op reflectie. Deze houdt in dat iedere raadsheer, rechter en juridisch medewerker jaarlijks deelneemt aan een intervisie- en/of reflectietraject, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan het geven van feedback. De vraag is of een dergelijk traject, hoe zinvol ook, het meelezen kan vervangen. Het leidt immers niet tot een systeem waarin het vierogenprincipe van meelezen van schriftelijke conceptuitspraken structureel wordt toegepast. Met het oog op de positieve effecten die aan meelezen worden toegeschreven en de beperkte investering die het vergt is dat spijtig te noemen. Overigens lieten geïnterviewde rechters weten dat de meerwaarde van meelezen niet zodanig is dat het meervoudige rechtspraak kan vervangen. In de literatuur is terug te vinden dat meelezen ten doel heeft de kwetsbaarheid van enkelvoudige rechtspraak te verminderen. Hieruit kan worden opgemaakt dat enkelvoudige behandeling inclusief meelezen zeker niet altijd volstaat. Meervoudige rechtspraak behelst een geheel eigen wijze van oordeelsvorming waarvoor geen substituut bestaat, zoals ook zal blijken uit het vervolg.
Waardering
Een van de methoden om te achterhalen welke meerwaarde meervoudige en enkelvoudige rechtspraak heeft, is rechters bevragen hoe zij daarover denken. Aan hen is dan ook in een enquête de vraag voorgelegd hoe zij beide vormen van rechtspraak waarderen. (Zie onderzoeksvraag 10, paragraaf 1.4.)
Volgens een grote meerderheid komt meervoudige rechtspraak de kwaliteit van de rechtspraak in het algemeen ten goede en die van de uitspraak in het bijzonder. Tachtig respectievelijk negentig procent van de bevraagde rechters dacht er zo over. Zij lichtten toe dat meervoudige behandeling tot meer uitwisseling van kennis en inzichten leidt alsook tot (verdieping van de) discussie, wat zijn weerslag heeft op de kwaliteit van de uitspraak. Verder vonden vrijwel alle respondenten dat ook van meelezen een gunstig effect op de kwaliteit van een uitspraak uitging, al maken rechtbanken en afdelingen in nogal wisselende mate van dit instrument gebruik.
Een belangrijke pre van de meervoudige kamer is dat ze jongere rechters in staat stelt ervaring op te doen in samenwerking met meer geoefende collega’s. Tal van respondenten meenden dat de acceptatiegraad en het gezag van meervoudige uitspraken groter is dan van enkelvoudige uitspraken. Als nadelen van meervoudige rechtspraak noemden r espondenten de langere doorlooptijden, de ingewikkelder planning van meervoudige zittingen, de hogere kosten en de veelal meer formele behandeling ter zitting. Hoewel bijna drie op de tien respondenten graag zou zien dat zaken vaker meervoudig worden afgedaan, ervoer een meerderheid van de ondervraagden deze vorm van rechtspraak wel als werkdrukverhogend. Dat kan te maken hebben met de grotere complexiteit van zaken die een meervoudige kamer behandelt.
De hogere snelheid van afhandeling van zaken, de grotere dynamiek en de meer informele sfeer tijdens de zitting alsook de eigen verantwoordelijkheid van de rechter zagen respondenten als positieve kanten van enkelvoudige rechtspraak. Meervoudige behandeling van doorsneezaken voegt weinig toe. Het grotere tijdsbeslag van collegiale behandeling maakt unusrechtspraak bij dergelijke zaken opportuun. De voordelen van enkelvoudigheid kunnen echter ook omslaan in nadelen, bijvoorbeeld als een zaak te zwaar is om door één rechter te worden afgedaan. Verder resulteert jarenlange ervaring als enkelvoudige rechter in expertise, maar ze kan ook verstarring tot gevolg hebben. Bij al te frequente enkelvoudige afdoening van zaken zou bovendien de rechtseenheid eerder in het geding komen.
Rond 1980 is rechters in een enquête ook gevraagd naar hun opvattingen over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak. Daaruit bleek dat zij overwegend positief stonden tegenover veelvuldige inschakeling van de alleensprekende rechter. Volgens de rechters kwam de unusrechtspraak de productiviteit ten goede en leidde ze tot minder lange wachttijden en een beter contact met de justitiabelen. Ook zou er een groter beroep op het verantwoordelijkheidsgevoel van de rechter door worden gedaan. Wel leidde enkelvoudige rechtspraak volgens de rechters tot minder mogelijkheden van goed zakelijk contact met collega’s. Over de gevolgen voor de kwaliteit van de rechtspraak waren ze verdeeld.
Met uitzondering van dit laatste element komen de argumenten van de rechters destijds overeen met die van de enquête in dit onderzoek. De verhoudingsgewijs positievere opvattingen over de kwaliteit van alleenrechtspraak van de rechters in 1980 kan mede worden verklaard door het feit dat zaken destijds meestal nog meervoudig werden afgedaan. Ook waren destijds het financieringssysteem en de bedrijfsvoering minder gericht op productie. Waarschijnlijk leefden er daardoor minder zorgen over kwaliteitsverlies, al waren die er wel.
Theoretische inzichten in besluitvorming door groepen en individuen
Gedragswetenschappelijk onderzoek biedt inzicht in de werking van besluitvorming door groepen en individuen. Daaruit blijkt dat besluitvorming niet louter een kwestie is van logisch-rationele analyse van verzamelde feiten, maar dat daarop ook volop psychosociale mechanismen van invloed zijn. Dat geldt evenzeer voor rechterlijke besluitvorming. De vraag is welke, met name psychologische, theorieën inzicht bieden in besluitvorming door meervoudige en enkelvoudige kamers. (Zie onderzoeksvraag 2, paragraaf 1.4.) Zij leren ons het volgende.
In een besluitvormingsproces verzamelt een individu informatie die hij van belang acht voor de beslissing. Vervolgens verwerkt hij deze informatie, tezamen met kennis waarover hij al beschikken. Ten slotte neemt hij een beslissing. Een groepsbesluitvormingsproces, zoals dat zich afspeelt in meervoudige kamer, onderscheidt zich hiervan op twee manieren: doordat er méér informatie en inzichten beschikbaar zijn en doordat de uitwisseling en verwerking daarvan onderhevig zijn aan groepsdynamische factoren.
De ruimere aanwezigheid van informatie in meervoudige kamers is in principe gunstig voor de kwaliteit van besluitvorming; de groepsdynamica kan deze zowel bevorderen als afremmen. Mensen blijken in situaties waarin een gemeenschappelijk besluit moet worden genomen niet altijd slechts te streven naar een optimale beslissing. De sociale psychologie leert dat de kwaliteit van een groepsbeslissing in hoge mate wordt bepaald door een combinatie van sociale en epistemische motivatie van de groepsleden. De eerste ziet op de persoonlijke, dat wil zeggen (coöperatieve dan wel individualistische) motieven van een groepslid. Voor personen met een coöperatieve motivatie is de besluitvorming een gemeenschappelijke taak die het beste in harmonie kan worden verricht. Voor personen met individualistische motivatie is persoonlijk succes leidend. In tegenstelling tot wat kan worden verondersteld, is een coöperatieve instelling niet per definitie gunstig en een individualistische instelling niet altijd kwalijk voor de kwaliteit van een groepsbeslissing. Al te veel waarde hechten aan sfeer in en eenheid van een groep kan immers de informatiedeling en -verwerking ondermijnen, terwijl groepsleden bij onderlinge onenigheid meer unieke informatie zullen uitwisselen. Dat komt de kwaliteit van het besluitvormingsproces ten goede. Verder heeft epistemische motivatie betrekking op de bereidheid om moeite te doen voor een grondig en waarheidsgetrouw begrip van de wereld. Net als sociale motivatie is zij afhankelijk van persoon en situatie.
Uit ander onderzoek naar groepsbesluitvorming blijkt dat groepen gemiddeld genomen beter dan individuen in staat zijn informatie te verzamelen en verwerken, waardoor hun beslissingen minder gebreken bevatten. Dat gaat niet zonder meer op voor zogeheten beoordelingstaken, waarin de beste uitkomst – wat billijk en goed is – niet precies kan worden bepaald. Experimenteel onderzoek wees uit dat groepen van drie in hun besluitvorming significant minder fouten maakten dan individuen, althans in de behandeling van moeilijke zaken. De fouten waren hier objectief als onjuistheid aan te merken. Opvallend genoeg scoorden groepen in eenvoudige zaken niet beter en soms zelfs slechter. Dat zou eraan te wijten zijn dat deelnemers elkaar door overleg ook op het verkeerde pad kunnen zetten.
Psychologisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat mensen in hun zoektocht naar juiste beslissingen vaak onbewust gehinderd worden door allerlei valkuilen. Sommige daarvan doen zich slechts voor bij groepen, andere zowel bij groepen als individuen. Deze valkuilen zijn hardnekkig, maar niet onvermijdelijk. Manieren om besluitvorming in meervoudige en enkelvoudige kamer te verbeteren worden besproken in het slot van dit hoofdstuk.
Zitting
Partijen moeten tijdens de zitting hun verhaal naar voren kunnen brengen en kunnen reageren op wat de wederpartij inbrengt. Horen, gehoord worden en zich gehoord voelen is het devies. De taken waar rechters zich tijdens een zitting voor gesteld zien – een goed beeld krijgen van wat partijen verdeeld houdt, alle relevante inlichtingen vergaren voor een eventueel vonnis, een schikking beproeven, rekening houden met de behoeften van partijen, voortgang bewaken – vergen het nodige van hun capaciteiten. Gelet op deze veelheid aan taken zou een meervoudige kamer er beter dan een enkelvoudige in kunnen slagen die op goede wijze te vervullen. Blijkt dat ook uit de geobserveerde zittingen? Hier worden de vragen beantwoord hoe meervoudige zittingen in civiele zaken in de Rechtbank Gelderland en de Rechtbank Oost-Brabant zijn verlopen alsook welke verschillen en overeenkomsten er tussen meervoudige en enkelvoudige zittingen in civiele zaken waargenomen zijn. (Zie onderzoeksvraag 6, paragraaf 1.4.)
Wat de rechters ter zitting deden, de voorzitter voorop, was de partijen in de gelegenheid stellen hun visie op de zaak te geven, inlichtingen verzamelen door vragen te stellen, verifiëren en samenvatten, informeren naar de beleving en wensen van partijen, de mogelijkheid van een schikking aftasten, aanmanen en adviseren, een voorlopig oordeel vellen en het vervolg van de procedure bepalen. Opvallend aan het verloop van de zitting is dat de fasen van onderhandelingen, inlichtingen en procesplanning vaak niet duidelijk afgebakend waren. Het einde van de onderhandelingsfase en de inlichtingen- en procesplanningsfasen liepen soms door elkaar heen of gingen in elkaar over. In dit stadium van de mondelinge behandeling konden schijnbare schikkingsbereidheid en onverzoenlijkheid van partijen elkaar afwisselen. Partijen twijfelden of ze verder zouden onderhandelen, vroegen om een datum voor vonnis of lieten zich overhalen toch te gaan praten. Deze houding kon duiden op onzekerheid over wat het hoogst haalbare resultaat was, maar kon ook onderdeel zijn van de processtrategie. Intussen moesten de rechters inschatten wat wenselijk was: een poging wagen partijen nog eens te bewegen om met elkaar te gaan praten, voorstellen de zaak te beëindigen door een datum voor vonnis te bepalen of kortweg beslissen dat een datum voor vonnis zou worden vastgesteld. Aan de opstelling van de rechters in een meervoudige kamer was te merken dat zij niet altijd dezelfde inschatting maakten. Zo zag in één zitting de voorzitter er duidelijk geen heil meer in om partijen verder te laten praten, terwijl de jongste rechter nog een laatste poging wilde doen.
De rol van de voorzitter van de meervoudige kamer is tot op zekere hoogte te vergelijken met die van de unus in enkelvoudige zittingen. Hij voert de formele proceshandelingen uit en is in die zin technisch voorzitter: hij opent en sluit, geeft partijen het woord, vat samen, waakt over de voortgang van de procedure, enzovoorts. Maar waar in een enkelvoudige zitting de unus in zijn eentje tevens voor de inhoudelijke taken zorg moet dragen – denk aan het beoordelen of de geleverde informatie een adequaat beeld geeft van het geschil of het inschatten van de schikkingsbereidheid van partijen –, ontvangt hij daarvoor in meervoudige zittingen steun van zijn collega-rechters. In de bijgewoonde zittingen intervenieerden de bijzitters regelmatig, hoewel de mate waarin dat gebeurde duidelijk per zitting en per rechter verschilde. De bijzitters wachtten zelden tot ze van de voorzitter het woord hadden gekregen, maar kwamen tussenbeide als ze dat zelf nodig achtten. Als een bijzitter het woord nam, gebeurde dat om inlichtingen te vergaren, onduidelijkheden weg te nemen, een collega-rechter bij te vallen of te steunen in diens opzet, de voorzitter te behoeden voor een omissie, partijen te bewegen met elkaar te gaan praten of om de voortgang te bewaken. Uit deze reeks doelen blijkt dat de interventies van de bijzitters niet louter gericht waren op de inhoud van het geding, maar zij ook ingrepen ten behoeve van het ordelijk verloop van het proces, al gebeurde dat laatste niet vaak. De bijzitters handelden meestal op basis van eigen inzicht in wat de situatie gebood. Een enkele keer was hun optreden het gevolg van hetgeen rechters in raadkamer vóór en tijdens de zitting hadden afgesproken.
De in dit onderzoek geobserveerde meervoudige zittingen verliepen volgens een min of meer gelijk stramien. Daarin participeerden de meeste rechters actief, maar waren er onderling wel verschillen aan te wijzen. Die deden zich hoofdzakelijk voor in de fasen waarin informatie werd vergaard en gepoogd werd onderhandelingen tot stand te brengen. De verschillen betroffen vooral stijl en bereidheid om een minnelijke regeling tussen partijen te onderzoeken. De haalbaarheid van een schikking is een kwestie van inschatting, waardoor de ene rechter wat meer en op andere wijze kan aandringen ‘om nog een keer met elkaar te gaan praten’ dan de andere. Dat betekent niet zonder meer dat meervoudige en enkelvoudige zittingen tot hetzelfde resultaat leiden. De interventies van de bijzitters waren zinvol en gaven daarmee blijk van de meerwaarde van meervoudige behandeling. De bijzitters waakten ervoor dat tijdens de behandeling onvoldoende aandacht uitging naar relevante aspecten van het geschil die de voorzitter, met zijn veelheid aan taken, onderbelicht zou kunnen laten. De betere informatievergaring zou kunnen resulteren in kwalitatief betere vonnissen, waarin rechters minder snel komen tot frasen als ‘onvoldoende gesteld of gebleken is dat’. Daarnaast konden de bijzitters aanvoelen wat nodig is om een vruchtbare sfeer te behouden, wat de kans op een minnelijke regeling deed toenemen.
Verschil in procedurele rechtvaardigheid tussen meervoudige en enkelvoudige zittingen is niet onderzocht, maar een inschatting valt wel te maken. Enerzijds levert volgens ondervraagde rechters een enkelvoudige zitting een positieve bijdrage aan de procesbeleving van partijen, omdat ze wat minder gewichtig oogt en een gesprek gemakkelijker tot stand zou kunnen komen in een minder formele sfeer met slechts één rechter. Dit maakt vermoedelijk vooral verschil voor one-shotters en minder voor repeat players en professionele rechtsbijstandsverleners. Anderzijds kunnen bijzitters in een meervoudige zitting hun meerwaarde bewijzen door nauwlettend in de gaten te houden of partijen goed worden gehoord en geïnformeerd. In bijna alle geobserveerde zittingen hebben de bijzitters in dit opzicht een nuttige rol vervuld. Door hun toedoen hebben partijen soms meer gelegenheid gehad het hunne naar voren te brengen, waardoor de beginselen van een behoorlijk proces, waaronder die van hoor en wederhoor en de equality of arms, meer zijn geëerbiedigd dan in een enkelvoudige zitting zou zijn gebeurd. In alle zittingen lieten de rechters merken rekening te houden met vereisten voor een positieve procesbeleving, maar dankzij interventies van bijzitters werd nog meer tegemoet gekomen aan de behoeften van partijen, met name als het aankomt op het horen en geïnformeerd worden. Daarnaast zou voor procespartijen in het algemeen, maar in het bijzonder voor slachtoffers van een misdrijf meervoudige behandeling een signaal kunnen zijn dat hun zaak zeer ernstig wordt genomen.
Uit het onderzoek bleek dat er ook praktische voordelen van collegiale behandeling zijn. Toen een van de zittingen langer duurde dan gepland en twee rechters weg moesten omdat een volgende zitting wachtte, rees het voorstel om de comparitie voort te zetten in enkelvoudige kamer, geleid door het lid van de meervoudige kamer zonder verplichtingen elders. Verder is een potentieel voordeel van meervoudige behandeling, dat overigens niet hoefde te worden benut in de geobserveerde zittingen, dat een rechter de bevraging van een partij kan overnemen van een collega als er merkbaar spanning tussen beiden in de lucht hangt.
Aanwijsbare nadelen van meervoudig zitten zijn in het observatieonderzoek niet geconstateerd. Het gedrag van rechters heeft bijvoorbeeld niet tot vertraging, obstructie of zichtbare ergernis bij een collega geleid. De eventuele nadelen die genoemd kunnen worden, hebben betrekking op de organisatie van de rechtspraak en niet op de inhoudelijke behandeling van de zaak. Rechters hebben in interviews, enquête en literatuur naar voren gebracht dat eenvoudiger zaken prima door een enkelvoudige kamer kunnen worden berecht zonder op de kwaliteit van de behandeling in te boeten. Enkelvoudige behandeling zou dan de voorkeur genieten om kosten en zittingscapaciteit te besparen en omdat het voor partijen prettiger kan zijn met één rechter te maken te hebben. Ook kan het voor rechters aangenaam zijn zelf de gehele leiding over en verantwoordelijkheid voor de behandeling van zaken te hebben. Andere nadelen van het meervoudig zitten zijn niet vastgesteld. Weliswaar wordt ook de grotere tijdconsumptie van meervoudige behandeling vaak nog als keerzijde genoemd, maar dit nadeel ziet niet zozeer op de zitting zelf als wel op de planning en de besluitvorming na afloop daarvan.
Het antwoord op de vraag of de bijgewoonde meervoudige zittingen ook probleemloos door een unus hadden kunnen worden geleid, ligt genuanceerd. Bij beschikbaarheid van een ervaren rechter hadden meerdere zittingen hoogstwaarschijnlijk goed enkelvoudig kunnen worden gedaan, maar bij afwezigheid daarvan zou meervoudige behandeling het beste alternatief zijn. Op grond van de complexiteit van de zaak en de grootte van de vordering, zijnde de meest genoemde criteria voor toewijzing van een zaak aan een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer, hadden vier van de tien zittingen door een ervaren alleensprekende rechter kunnen worden geleid.
Raadkamer
Rechtspraak in meervoudige kamer maakt het mogelijk om te observeren hoe rechters in een zaak tot beslissingen komen. Daardoor konden de vragen worden beantwoord hoe de besluit- en oordeelsvorming in de behandeling van civiele zaken in de Rechtbank Gelderland en de Rechtbank Oost-Brabant zijn verlopen en welke verschillen en overeenkomsten er tussen het meervoudige en enkelvoudige besluit- en oordeelsvormingsproces in civiele zaken zijn. (Zie onderzoeksvraag 7, paragraaf 1.4.)
Wat viel op? Allereerst het informele karakter en de meestal ontspannen sfeer van de raadkameroverleggen. Met name de opening van de raadkamer gebruikten de rechters als uitlaatklep voor gedachten en gevoelens over de zitting. Zij gaven openlijk uiting aan hun beleving van de zaak, bijvoorbeeld als deze als interessant, lastig, slepend of complex ervaren werd. Ook wisselden ze commentaar op de zaak af met opmerkingen die daar zijdelings of niet mee te maken hadden, bijvoorbeeld over eerdere ervaringen met een advocaat. Rechters vonden het raadkameren aangenaam. Deze bevinding sluit aan bij de opvatting van geënquêteerde rechters dat overleg en samenwerking plezierige aspecten van meervoudige behandeling zijn in een ambt dat veel solistisch werken vergt. Raadkameren is bovendien leerzaam, zoals ook in interviews en enquête is verteld. Rechters zagen elkaars aanpak ter zitting en in raadkamer, evalueerden elkaars functioneren, wezen elkaar op regelgeving, jurisprudentie en een opvallende strategie van de partijen.
Verder waren het gebrek aan structuur en formaliteiten in het raadkameroverleg opvallend. De relatieve vrijheid die de wet rechters geeft om een eigen invulling aan het besluitvormingsproces te geven, kan daaraan hebben bijgedragen. Zo bleef een officiële opening van het overleg achterwege en ontbrak een agenda. De rechter met de rol van voorzitter was überhaupt vaak niet als zodanig herkenbaar. Onderwerpen werden meestal niet ingeleid en er werd weinig samengevat. De meeste rechters gaven er duidelijk blijk van de raadkamercultuur van vrije gedachtevorming en brainstorming te kennen. Allerlei gedachten over zaak en zitting werden vrijelijk geuit. De rechters wisselden voortdurend kennis van diverse aard – stellingen en feiten uit het dossier en de zitting, interpretaties van gedragingen, opvattingen over partijbedoelingen en relevante jurisprudentie – en brachten argumenten in die vervolgens werden beoordeeld. Ze luisterden naar elkaars inbreng en waren niet bang om terug te komen op een eerder ingenomen standpunt, al werden discussies soms fel gevoerd. De rechters waren sparringpartners.
De beslotenheid van de raadkamer maakt deze cultuur mogelijk. Daardoor kunnen rechters vrijelijk hun twijfels, inzichten en gevoelens over een zaak met elkaar delen zonder dat ze zich door de aanwezigheid van publiek of camera’s belemmerd voelen die te uiten. Rechters zullen onder deze omstandigheden de geschilbeslechting eerder als een gemeenschappelijke taak beschouwen en er meer voor open staan om overtuigd te worden. Het is dan gemakkelijker om terug te komen op eerdere zienswijzen en de aandacht te richten op de inhoud van de argumenten in plaats van te hameren op het eigen gelijk. De vrijheid van meningsverandering moet gekoesterd worden en dat kan het beste in een besloten raadkameroverleg. Deze bevinding is opmerkelijk, omdat de psychologische literatuur stelt dat discussianten betere beslissingen nemen als ze worden geobserveerd. De gedachte is dat het besef te worden geobserveerd voor groepsbeslissers een prikkel is om zich in te spannen voor een deugdelijke gedachtewisseling. Zij wordt in dit onderzoek niet onderschreven.
De raadkamercultuur is dus als vrij en open te karakteriseren, maar de rechters hadden het vizier wel voortdurend gericht op waar het overleg in moest uitmonden: de beslissing. Daartoe koersten de rechters snel aan op de feitelijke of juridische kernpunten van het geschil. Welke dat waren, werd niet altijd geëxpliciteerd. Kennelijk waren de rechters het daarover eens. Hun vonnisgerichtheid betekende niet dat de inhoud van de beslissing ondergeschikt was aan het nemen van de beslissing zelf. Uit de raadkameroverleggen bleek dat besluitvorming een proces van redeneren en voorlopig beslissen is, waartussen een voortdurende wisselwerking bestaat. Al lezend, denkend, luisterend en pratend deelden rechters kennis en ontwikkelden zij ideeën over de richting waarin de beslissing moest worden gezocht. Daarbij werden feiten en rechtsregels geïnventariseerd en geselecteerd, argumenten naar voren gebracht, afwegingen gemaakt en voorlopige conclusies getrokken die ook weer konden worden teruggenomen. De rechters bouwden voort op elkaars inzichten om een sluitende en juiste redenering te kunnen vinden. Hiermee toont meervoudige behandeling onmiskenbaar haar meerwaarde.
De rechters trokken echter niet altijd ten volle profijt van de collegiale behandeling. Hoewel de sociale motivatie van de rechters vooral coöperatief en niet zozeer individualistisch was, was in de helft van de geobserveerde overleggen de inbreng van een lid van de meervoudige kamer gering of nihil. De andere leden van de kamer namen stilzwijgend aan dat hij dan wel akkoord zou zijn met hun oordeel. Hiermee werd de meerwaarde van meervoudige behandeling verzwakt (zie ook het slot van dit hoofdstuk). In alle raadkameroverleggen kwamen de rechters tot een oordeel waarin alle leden, althans zij die zich uitspraken, zich konden vinden. Gestemd werd er nooit en consensus hoefde niet te worden gezocht, aangezien de rechters op één lijn zaten. Er zijn evenwel geen indicaties dat de sociale motivatie in de raadkamer zo sterk was dat het besluitvormingsproces gestuurd werd door groepsdenken. De geboden tegenspraak en een open houding ten aanzien van andere inzichten stonden hieraan in de weg.
De epistemische motivatie van de meervoudige kamer was eveneens vrij hoog, zowel door de persoonlijke instelling van de leden als door de omstandigheden die daaraan bijdroegen. Zo toonden de rechters meestal zichtbaar behoefte om te begrijpen hoe een zaak in elkaar stak. Eenmaal was dit duidelijk anders, toen een meervoudige kamer aan het einde van haar overleg erin berustte niet zeker te weten of de door haar genomen beslissing wel de juiste was. Nader onderzoek had haar twijfel weg kunnen nemen. Belangwekkend maar nauwelijks na te gaan is of de leden van de meervoudige kamer wel voor nader onderzoek hadden gekozen als zij in hun eentje verantwoordelijk voor de zaak waren geweest. Mogelijk deed zich hier het consensus-impliceert-juistheid-effect voor, nu geen van de rechters ondanks hun onzekerheid zich tegen de voorgestelde beslissing verzette. Verder is in één raadkameroverleg op voorstel van een rechter de ankerheuristiek toegepast om de omvang van de te vergoeden schade te bepalen, hoewel nauwelijks onderbouwd werd waarom die juist zou zijn. De andere raadkamerleden gingen hierin mee. Tegengas van een kritisch lid van de raadkamer had de suboptimale wijze van besluitvorming in voornoemde gevallen kunnen doorbreken. Deze gevallen waren echter een uitzondering: in het algemeen gingen de leden van de meervoudige kamer niet snel uit van de juistheid van een stelling. Ook zijn denkfouten als bevestigingsvooroordeel, geloofsvolharding en tunnelvisie niet geconstateerd en gebruik van beschikbaarheids- en representativiteitsheuristieken als methoden om veel informatie te comprimeren evenmin.
De epistemische motivatie van een groep stijgt als de groepsleden uiteenlopende voorkeuren (opvattingen en inzichten) hebben. Die leiden sneller tot verschil van mening en dus tot discussie. Die moet resulteren in onderzoek en uiteindelijk in een betere beslissing.1 De kans op uiteenlopende voorkeuren wordt groter als groepen divers van samenstelling zijn. De geobserveerde kamers waren dat wel wat betreft geslacht en leeftijd, maar wat minder in mate van rechterlijke ervaring en nauwelijks in etnische achtergrond. Van autocratisch leiderschap, dat de epistemische motivatie verlaagt, was tijdens de overleggen geen sprake en machts- en statusoverwicht was niet merkbaar. Mogelijk is dit toe te schrijven aan het feit dat de meeste leden van de geobserveerde kamers jarenlange ervaring in de rechtspraak hadden. Verder werd in de overleggen wel enige tijdsdruk gevoeld, wat in principe niet goed uitpakt voor de epistemische motivatie, al was die niet zodanig dat discussies voortijdig werden beëindigd dan wel een besluit werd geforceerd.
Belangrijke beslissingen in een zaak, zoals over de toewijzing van de vordering, werden evenwel nooit uitgesteld. Wel werd een beraad regelmatig afgesloten zonder dat alle geschilpunten volledig waren uitgekristalliseerd. Er was dan een beslissing gevallen die nog motivering behoefde, waarbij de uitwerking toevertrouwd werd aan de rechter of ondersteuner die het conceptvonnis ging schrijven. Vaak was er een ‘oplossingsrichting’, of in de woorden van een ondersteuner: ‘Ik schrijf het wel op en dan kunnen jullie erop schieten.’ In dit stadium van concipiëren werd nog het nodige rechtgebreid. Kleinere kwesties die motivering behoefden alsook het opvullen van de leemten tussen de afzonderlijke overwegingen werden aldus aan de concipiënt overgelaten. Dit is voor het vonnis van aanzienlijke betekenis. Zonder voldoende beantwoording van deze vragen is een vonnis onvoldoende gemotiveerd en dus onvolledig.2 De bepalende rol van de concipiënt in dit transformatieproces is niet te onderschatten, ook al wordt het concept door alle rechters en de ondersteuner beoordeeld. Dit doet geen afbreuk aan meervoudige rechtspraak, maar toont wel aan dat binnen het team van rechters en ondersteuner voor een van hen een belangrijke verantwoordelijkheid is weggelegd om de antwoorden op de voornaamste rechtsvragen, of zelfs niet meer dan de ‘oplossingsrichting’, te transformeren tot een volwaardig (concept)vonnis.
Een belangrijke bevinding is ten slotte dat de rechters niet alleen de juistheid van een redenering beoordeelden, maar ook of het resultaat daarvan naar hun idee aanvaardbaar was. Aan het einde van de discussie in de raadkamer kwam voor dat de belangrijkste overwegingen op een rij werden gezet, waarbij benadrukt werd welke daarvan veel gewicht toekwam. De balans van overwegingen sloeg dan aan één kant door en daar werd de beslissing gevonden. Dat wil echter niet zeggen dat de beslissing steeds het sluitstuk was van langdurige afweging van argumenten. Soms stelde een rechter een beslissing voor, bijvoorbeeld op basis van rechtvaardigheidsgevoel, en droeg hij argumenten aan die daarvoor een fundament moesten vormen. Als die er in de dialoog die daarop volgde onvoldoende bleken te zijn, dan hield de beslissing geen of slechts gedeeltelijk stand.
Jurisprudentie
Door arresten en vonnissen te vergelijken in zaken met een sterk vergelijkbare inhoud, is het mogelijk om verschillen en overeenkomsten tussen meervoudige en enkelvoudige jurisprudentie aan te wijzen. In dit onderzoek is dat gebeurd door vonnissen en arresten zowel horizontaal (vonnis-vonnis in verschillende zaken) als verticaal (vonnis-arrest in dezelfde zaak) te vergelijken. Vijftien zaken betroffen aansprakelijkheid voor asbestziekten en vijftien bestuurdersaansprakelijkheid. (Zie onderzoeksvraag 11, paragraaf 1.4.)
Wat leerde de vergelijking? Hoofdzakelijk dat er grotere verschillen zijn waargenomen, ten eerste tussen de jurisprudentie van de rechtbanken en hoven dan tussen de vonnissen van de rechtbanken onderling, en ten tweede tussen de vonnissen van de rechtbanken dan tussen de arresten van de hoven.
Systematiek
Zo vermelden de hoven vaker dan de rechtbanken een juridische systematiek van de maatstaven voor de beoordeling. Deze wordt ook vaker grondiger onderbouwd, in het geval van asbestzaken bijvoorbeeld met uiteenzetting van wetenschappelijke literatuur en overheidspublicaties. Verder valt met name in asbestzaken op dat als een uitspraak een systematiek bevat, deze dan regelmatig vergezeld gaat van een uiteenzetting van feiten. Uit de combinatie van rechtsvinding en feiten zijn daardoor meteen de oordelen van de rechter op te maken. Feiten, rechtsvinding en oordelen zijn als het ware ineengevlochten. Dit kan erop wijzen dat de totstandkoming van het oordeel een wisselwerking van feiten en rechtsvinding is geweest, zoals ook in de raadkamer is waargenomen. Hierin verschillen meervoudige en enkelvoudige uitspraken niet van elkaar.
Aanvaardbaarheid
Drie van de vijf meervoudige vonnissen in asbestzaken, alle drie zeer complex, geven onvoldoende inzicht in de gedachtegang van de rechtbank die aan haar motivering ten grondslag ligt, om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Acht enkelvoudige vonnissen zijn aanvaardbaar, in die zin dat ze ten minste voldoende inzicht in de gedachtegang van de rechtbank geven. Dat zijn niet steeds eenvoudige zaken: ook enkelvoudige kamers behandelen complexe tot zeer complexe asbestzaken. In de meeste gevallen gaat het om kantonzaken of korte gedingen, die op grond van de wet door een unus worden behandeld. Kennelijk hebben de rechters ook niet verwezen naar een meervoudige kamer.
In bestuurdersaansprakelijkheidszaken is het beeld iets anders: vier van de vijf meervoudige vonnissen bieden inzicht in de aan de motivering ten grondslag liggende gedachtegang. Voor verhoudingsgewijs bijna net zoveel enkelvoudige vonnissen geldt hetzelfde. Daarbij zij opgemerkt dat de enkelvoudige kamers in drie zaken wel een evidente beoordelingsfout hebben gemaakt, bijvoorbeeld door uit te gaan van een verkeerde maatstaf voor de beoordeling. De fouten zijn in hoger beroep hersteld. Of de fouten voorkomen waren als de rechtbank de zaken meervoudig had behandeld, is uiteraard niet met zekerheid te zeggen. Maar de kans dat de vergissing was opgemerkt door een lid van de meervoudige kamer is reëel. De kans dat de beoordeling er vervolgens ook anders had uitgezien en de zaak een andere afloop had gekend, is dan ook niet denkbeeldig. Overigens valt bij bestuurdersaansprakelijkheid evenzeer op dat complexiteit geen belemmering is voor toewijzing aan een unus: zes van de tien enkelvoudige vonnissen zijn gewezen in een complexe of zeer complexe zaak.
De hoven hebben in nagenoeg alle arresten voldoende inzicht in de aan de motivering ten grondslag liggende gedachtegang gegeven. Meerdere arresten bieden zelfs meer dan voldoende inzicht; daarin wordt stap voor stap duidelijk en overtuigend gemotiveerd hoe het hof tot een beslissing komt. De conclusie luidt dus dat gemiddeld genomen in asbestzaken de enkelvoudige vonnissen vaker beter gemotiveerd zijn dan de meervoudige en dat in bestuurdersaansprakelijkheidszaken de meervoudige vonnissen gemiddeld even vaak aanvaardbaar zijn als de enkelvoudige. De arresten van de hoven zijn over het algemeen vaker zorgvuldig gemotiveerd en aanvaardbaar dan de vonnissen van de rechtbank.
Deze bevindingen over de verschillen tussen de vonnissen en arresten lijken erop te wijzen dat de hogere mate van aanvaardbaarheid van de arresten niet alleen is ingegeven door de meervoudige behandeling, maar ook door andere factoren. Welke dat zijn is niet onderzocht. Wellicht is van invloed dat raadsheren gemiddeld genomen meer juridische en rechterlijke ervaring hebben dan rechters in eerste aanleg. Misschien kunnen raadsheren zich vaker buigen over zaken waarin zij gespecialiseerd zijn, in tegenstelling tot rechters van de rechtbank, die geacht worden in hun sector generalist te zijn. Wat ook mee kan spelen is dat een gerechtshof in de beoordeling van een zaak in het voordeel is ten opzichte van de rechtbank, omdat de zaak al is uitgekristalliseerd. De hoven blijken in dit onderzoek daarnaast in bijna alle zaken veel meer tijd te hebben genomen (en hebben kunnen nemen) om tot een eindbeslissing te komen.
Vorm
Het taalgebruik in de uitspraken is zakelijk, vrij formeel en, meestal althans, helder. Er zijn wel variaties aan te wijzen, met name in de vonnissen en minder in de arresten. De hoven en zeker de Hoge Raad hanteren een formele schrijfstijl. De meervoudige en enkelvoudige kamers van de rechtbanken doen dat minder. De uitspraken die het meest toegankelijk zijn geschreven zijn te vinden in zaken van typische unusrechters: de kanton- en voorzieningenrechters.
Overige analyse-eenheden
Er zijn geen opmerkelijk verschillen tussen meervoudige en enkelvoudige uitspraken geconstateerd wat betreft de vaststelling van het feitencomplex, de rechtsregels op grondslag waarvan de rechtsstrijd is gevoerd en jurisprudentietrouw. Gerechten volgen in de zoektocht naar het recht trouw de paden die de Hoge Raad, en soms gerechtshoven, hebben uitgezet. De vooronderstelling dat in een uitspraak van een meervoudige kamer meer compromissen zichtbaar zijn en dat enkelvoudige uitspraken logischer en systematischer zijn omdat compromissen niet of nauwelijks nodig zijn in enkelvoudige zaken, wordt niet ondersteund. Wel bleek dat enkelvoudige kamers in hun vonnis in asbestzaken vaker compassie toonden voor het leed van een gelaedeerde partij.
Balans
Wat is nu de meerwaarde van meervoudige behandeling? Het antwoord is meervoudig. Allereerst is zij gelegen in het samenbrengen van kennis en inzichten. Deze bestaan uit kennis van het recht en de samenleving, maar ook uit kennis en inzichten die zijn opgedaan door het dossier te lezen en de zitting bij te wonen. Nog belangrijker is dat de kwaliteit van een te nemen beslissing gebaat is bij discussie. De gedachte van meervoudige behandeling is zelfs niet alleen dat dialoog in de raadkamer tot een beter begrip van de zaak leidt, maar dat deze nog verder gescherpt wordt als de beraadslagingen de vorm aannemen van een dialectisch proces. Dit begrip ziet erop dat debattanten stellingen innemen die niet zonder meer met elkaar te verenigen zijn. Deze strijdigheid nodigt immers uit tot onderzoek, dat vervolgens leidt tot een betere doorgronding van de zaak en ten slotte resulteert in een betere beslissing. Fouten worden immers sneller uitgefilterd en overwegingen beter gemotiveerd. Daarmee geven rechters niet alleen een betere onderbouwing, maar maken zij ook duidelijk waarom andere zienswijzen niet worden aanvaard. Voor deugdelijke groepsbesluitvorming is overleg niet voldoende. Discussie is vereist en die gedijt het beste in een vrije en open sfeer waarin op kracht van argumenten wordt gediscussieerd. Daardoor raakt de rechter langzaamaan overtuigd van de beslissing die hij met zijn collega’s moet nemen en de motivering waarop die beslissing berust. De kennisdeling, tegenspraak en attitude van de rechters die in de raadkamer zijn waargenomen, zijn essentieel om de voordelen van meervoudige behandeling te benutten.
Verder is een gunstig aspect van meervoudig zitten dat de kamer, als die ter zitting voltallig acte de présence geeft, er gemakkelijker op toe kan zien dat belangrijke onderdelen in de zaak daadwerkelijk worden besproken. Gelet op de vele taken die een voorzitter heeft te verrichten, kunnen bijzitters hierop gespitst zijn. Uit de geobserveerde zittingen bleek dit ontegenzeglijk een voordeel van meervoudige behandeling, vooral bij complexe zaken. Ook kan de sfeer ter zitting zo nodig ten positieve worden gekeerd als een ander lid van de meervoudige kamer de bevraging van een procespartij overneemt. Daar staat tegenover dat, als het aankomt op goede communicatie tijdens de zitting, de persoon van de rechter veel meer bepalend is dan de behandeling door één dan wel meer rechters. Een communicatieve rechter weet een gesprek met rechtzoekenden tot stand te brengen. Daarbij wordt de aandacht volop op de inhoud van de zaak en de betrokkenen gevestigd en niet afgeleid door het plechtstatige en formele karakter van een gerechtsgebouw en een zitting. Meervoudige behandeling kan het laatste juist versterken, zoals de wetgever zich realiseerde met de introductie van de politierechter en kinderrechter.
De persoon van de rechter is niet alleen van grote invloed op het verloop van de zitting, maar ook op de kwaliteit van de zaaksbehandeling als geheel. Ervaren en communicatieve rechters kunnen doorsnee zaken uitstekend als unus afdoen. Meervoudige rechtspraak biedt daarbij weinig meerwaarde voor de kwaliteit van de behandeling. Uit ander, experimenteel, onderzoek blijkt eveneens dat meervoudige behandeling in eenvoudige zaken geen meerwaarde heeft. De huidige maatstaven voor de zaakstoedeling, die bepalen dat ingewikkelde zaken aan een meervoudige kamer worden toegewezen en eenvoudiger zaken waarin communicatie met de rechtzoekenden een belangrijke plaats inneemt aan een enkelvoudige kamer, zijn begrijpelijk en gerechtvaardigd. Vervolgens komt het er wel op aan de maatstaven daadwerkelijk toe te passen, wat in de praktijk niet steeds gebeurt.
Voorts is het goed om voor ogen te houden dat de keuze voor meervoudige of enkelvoudige behandeling meer doelen dient dan de zaak alleen. Gezamenlijk zitten, beraadslagen en beslissen biedt rechters ook de mogelijkheid om van elkaar en het besluitvormingsproces te leren, feedback te delen en contact met elkaar te onderhouden. Dat geldt voor opleidelingen en evenzeer voor rechters die al lang in het vak zitten. Meervoudige rechtspraak heeft zodoende een trickle-down-effect, waardoor de in meervoudige kamer opgedane kennis en inzichten – nieuwe zienswijzen, andere benadering – ook doorwerken in de aanpak van en besluitvorming in andere zaken die de rechter behandelt, als unus of als lid van een college. Bovendien hebben meervoudige kamers meer ‘gezag’ dan een enkelvoudige kamer bij rechtzoekenden, de samenleving en ook bij rechters zelf. Dat is reden om bijvoorbeeld in zaken met veel media-aandacht een meervoudige kamer in te zetten. Overigens gaat ook van enkelvoudige rechtspraak ontegenzeglijk een leereffect uit. De ontwikkeling van een rechter en daarmee van de rechtspraak is er dan ook bij gebaat als een rechter de verantwoordelijkheid voelt om alleen een zaak te behandelen en beslissen.
Meervoudige behandeling heeft dus meerwaarde. De vervolgvraag is of de voordelen daarvan nog beter kunnen worden benut dan nu gebeurt. Het antwoord daarop luidt bevestigend. Meervoudige behandeling bewijst vooral haar meerwaarde met tegenspraak. Of in de raadkamer tegenspraak werd geboden, bleek vooral af te hangen van de keuze van rechters om al dan niet van zich te laten horen en elkaars inbreng ter discussie te stellen. Dat dit geregeld gebeurde, is onvoldoende. Tegenspraak moet geen keuze van de raadkamerdeelnemers zijn, maar doelbewust worden georganiseerd.
Dat kan allereerst door hoofdelijk omvraag te doen.3 Deze omvraag, waartoe de wet ook verplicht, is een geschikte manier om het oordeel van alle leden te horen, zeker van hen die zich minder nadrukkelijk profileren dan wel zich gemakkelijk achter het oordeel van anderen scharen. Deze omvraag kan eenieder dwingen om zelfstandig na te denken over de zaak en zich niet al te gemakkelijk aan te sluiten bij het oordeel van een vorige spreker. Daarmee is niet gezegd dat eenieder reeds bij aanvang een oordeel moet hebben, maar wel dat alle leden hun inzichten moeten delen, ook als die twijfel of onzekerheid inhouden. Alle leden van de meervoudige kamer dienen uit zichzelf hun inzichten en opvattingen te delen en er tevens op toe te zien dat alle leden worden gehoord. Dit moet er niet alleen toe leiden dat iedereen aan het woord komt, maar ook dat daadwerkelijk wordt geluisterd naar de inbreng van de deelnemers. In het bijzonder dient de voorzitter erop toe te zien dat allen worden gehoord. Het is aan te bevelen met de omvraag te beginnen bij de jongste rechter, zoals de wet ooit voorschreef, en te eindigen bij de voorzitter. Ook kan het raadzaam zijn de juridische ondersteuner naar diens inzichten te vragen. Kortom: de weinige procedurevoorschriften over de raadkamer stimuleren het debat. Ze zijn zinvol en dienen dan ook te worden nageleefd.
Niet wettelijk voorgeschreven, maar wel aanbevelenswaardig is om bij de omvraag na opening van de raadkamer niet direct te reageren op hetgeen een raadkamerdeelnemer inbrengt, maar daarmee te wachten tot ieder zijn eerste oordeel heeft gegeven. Een reactie leidt namelijk tot discussie, waardoor deelnemers die zich nog niet hebben uitgesproken kunnen worden beïnvloed. Soms, met name in strafzaken, wordt de omvraag bij opening van de raadkamer gebruikt als ‘gutfeelingsronde’. Daarmee kunnen de deelnemers meedelen welk oordeel zij gevoelsmatig over de zaak hebben. Ook kunnen zij hun collega’s erop wijzen als de zaak bij hen persoonlijke emoties oproept. Door de gelegenheid te geven die te uiten, worden minstens twee doelen gediend. Ten eerste is een geuite emotie een verlichte emotie, waardoor deze niet overmatig zwaar hoeft te wegen bij de inhoudelijke behandeling. Ten tweede kunnen de raadkamerdeelnemers er rekening mee houden dat een collega emotioneel betrokken is bij de zaak.
Daarnaast kan de voorzitter nog meer aan procesbegeleiding doen die de kwaliteit van de meervoudige oordeelsvorming verbetert. Zo doet de voorzitter er goed aan enige structuur in de discussie aan te brengen, waarmee wordt voorkomen dat bepaalde vragen over het hoofd worden gezien. Ook is structurering een geschikte manier om zicht te houden op de voor een raadkameroverleg beschikbare tijd. Bovendien is het wenselijk als de voorzitter zo nu en dan de discussie samenvat, in elk geval aan het einde van het raadkameroverleg, zodat eenieder duidelijk is wat de beslissing van de meervoudige kamer is en welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen. Een goede samenvatting zorgt ervoor dat de concipiënt degelijke handvatten heeft om het concept te schrijven en de leden van de meervoudige kamer nog tijdens het raadkameren kunnen ingrijpen als de samenvatting in hun beleving niet overeenkomt met wat besloten is. Daardoor hoeft niet grondig te worden gediscussieerd bij het rondsturen van het concept.
Tegenspraak in meervoudige kamer kan nog op andere manieren worden georganiseerd dan met hoofdelijke omvraag. Ook uitdrukkelijk onderzoek naar alternatieve scenario’s en beslissingen is een geschikt middel tot tegenspraak en waarheidsvinding. Een van de leden kan bijvoorbeeld de taak krijgen om als advocaat van de duivel de dominante visie in de raadkamer te attaqueren. Deskundigen van buitenaf in de raadkamer opnemen, zoals gebeurt met rechters-plaatsvervangers, is ook een probaat middel om kritische reflectie te stimuleren.
Eerder is uiteengezet dat het succes van het raadkamerproces en uiteindelijk van de kwaliteit van de besluitvorming in hoge mate afhangt van de houding van de deelnemers. Het komt de kwaliteit ten goede als zij zich openstellen voor andere visies, kritisch nadenken over de argumenten en oordelen die in de raadkamer worden geuit, en zich vrij voelen om hun oordeel te geven. Idealiter hebben rechters een dergelijke houding, maar zij kan ook worden versterkt tijdens de opleiding en door geregeld meervoudig te zitten. Het is voor rechters en griffiers dan ook bijzonder zinvol om niet alleen in enkelvoudige kamers te werken, maar ook met enige regelmaat deel uit te maken van een meervoudige kamer van wisselende samenstelling. Diverse samenstelling van de meervoudige kamer doet de kans op tegenspraak immers toenemen. Groepsleden met verschillende achtergronden brengen eerder diverse kennis, inzichten en aanpakken mee waardoor een zaak vanuit verschillende invalshoeken wordt benaderd. Dat kan leiden tot betere besluitvorming en een meer afgewogen beslissing. Bovendien is het raadzaam om in de rechtspraak met meervoudige kamers van wisselende samenstelling te werken. De inzichten van mensen die lang met elkaar samenwerken, gaan steeds meer op elkaar lijken. Daarmee wordt de kans op tegenspraak verkleind.
Ten slotte is het rechterlijke besluitvormingsproces erbij gebaat als in opleiding en cursussen blijvend aandacht wordt besteed aan psychologische mechanismen in de collectieve en individuele oordeelsvorming. Daardoor raken rechters zich meer bewust van valkuilen in de besluitvorming. Vervolgens gaat het erom daar niet in te trappen. Dat klinkt gemakkelijker dan het is, zelfs voor rechters die van nature of door hun jaren in de rechtspraak gewend zijn een kritische houding aan te nemen. Nog moeilijker is het als er tijdsdruk of druk van collega’s ervaren wordt. Zo leert psychologisch onderzoek telkens weer dat de neiging van de mens om mee te gaan met de groep moeilijk te weerstaan is. Uiteindelijk is deugdelijke besluitvorming, individueel of door een groep, slechts gewaarborgd met beslissers die de ruimte nemen voor zelfstandige en kritische reflectie en tegen de stroom in durven gaan, zeker in de raadkamer.