Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.4
4.2.4 Onderzoek naar een nieuw systeem
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501485:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Voor het te gelde kunnen maken van het recht op teruggaaf op grond van art. 29 Wet OB 1968 was op dat moment een afzonderlijke vraag gereserveerd op het aangiftebiljet en moest een ondernemer stukken overleggen waaruit de aanspraak op teruggaaf bleek. Daarbij moet worden aangetekend dat met de invoering van de digitale btw-aangifte in 2005 niet langer een afzonderlijke rubriek was ingericht voor verzoeken conform art. 29 Wet OB 1968. Per 2005 werden ondernemers derhalve verplicht om btw op oninbare vorderingen (art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968) door middel van een afzonderlijke brief van de Belastingdienst terug te vragen. Een uitzondering bestond voor verzoeken om teruggaaf wegens een vermindering van de vergoeding of terugname van goederen op grond van art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968. Hiervoor was goedgekeurd dat de teruggaaf van btw door de ondernemer eigenmachtig op de btw-aangifte werd verrekend met de verschuldigde belasting (resolutie nr. 580-6983 van de staatssecretaris van Financiën van 9 mei 1980, V-N 1980, p. 1084, pt. 2).
Brief van de Minister en staatssecretaris van Financiën (Kamerstukken II 2004/05, 29 515, nr. 34, p.1).
Brief nr. DB2006/178U van de staatssecretaris van Financiën van 6 juni 2006, V-N 2006/34.3, laatste onderdeel C.4.
Brief nr. AFP 2015/800 van de staatssecretaris van Financiën van 15 september 2015, V-N 2015/47.2.
Waaronder VNO-NCW, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en het Register Belastingadviseurs.
De betreffende brief van de staatssecretaris van Financiën is naar mijn weten niet openbaar gemaakt. Ik ben afgegaan in hetgeen door diverse partijen is opgenomen in hun reactie.
Brief nr. 16/10.216/Jla/Ha van VNO-NCW van 15 februari 2016.
Brief van de NOB van 12 februari 2016.
www.internetconsultatie.nl/moderniseringfw. De consultatieversie van het wetsvoorstel en een ontwerp memorie van toelichting zijn via de betreffende website te downloaden. Ook zijn er de reacties gepubliceerd die tijdens de consultatieronde zijn ontvangen en waarvan door de inzender is aangegeven dat deze openbaar gemaakt mochten worden.
Voor concrete maatregelen wordt verwezen naar De Ranitz, Kraamwinkel & Tekstra 2013, welke in uitvoerig behandel in paragraaf 6.3.3.2.3.
Het in 1969 ingevoerde systeem bleek niet feilloos. In navolging van het wetgevingsoverleg in verband de (inkomsten)belastingherziening 2001 presenteerde de staatssecretaris van Financiën bij brief van 17 april 2002 een notitie over mogelijkheden tot vereenvoudiging van het gehele belastingsysteem.1 In die notitie werd tevens ingegaan op art. 29 Wet OB 1968. Er zou worden onderzocht of het mogelijk was de verzoekprocedure voor art. 29 Wet OB 1968 af te schaffen en een directe aftrek van een oninbare vordering in te voeren.2 Over een eventuele vereenvoudiging van het geldende systeem werd het volgende opgemerkt:
“Daartegenover bereiken mij geluiden dat de regeling in de praktijk moeilijk toepasbaar is. Zo is het lang niet altijd duidelijk, wanneer een vordering oninbaar is. Als een vordering naderhand toch nog geïnd wordt, herleeft de belastingschuld niet. Om deze reden bestaat de neiging de ondernemer een relatief zware bewijslast op te leggen. Naar mijn mening verdient het daarom aanbeveling om te onderzoeken of de regeling kan worden aangepast. Ik zie de volgende mogelijkheden om de administratieve last, die aan de verzoeken ex artikel 29 verbonden is, te verlichten. In plaats van een verzoekprocedure zou gedacht kunnen worden aan een regeling die de ondernemer het recht geeft de belasting rechtstreeks op de aangifte in mindering te brengen, bijvoorbeeld door de oninbare vorderingen in mindering te brengen op de omzet waarover belasting verschuldigd is. Te denken valt aan het Engelse systeem waarbij teruggaaf is voorzien als na een bepaalde termijn de vordering niet is voldaan. Wel moet de wet dan tevens de mogelijkheid bevatten om de belastingvermindering weer ongedaan te maken, als de vordering naderhand alsnog wordt geïnd. Daarnaast zou bij de bepaling van het bedrag aan oninbare vorderingen wellicht aansluiting gezocht kunnen worden bij de balanswaardering voor de inkomsten/vennootschapsbelasting. Een probleem daarbij is wel, dat de regels voor de balanswaardering voor de debiteur en de crediteur verschillend zijn. Voorkomen moet worden, dat door een verschil in behandeling belasting verloren gaat.”
Omtrent de voortgang van dit onderzoek werd de Tweede Kamer onder meer bij brieven van 21 september 20043 en 6 juni 20064 geïnformeerd. Aangegeven werd dat het onderzoek nog liep. In de brief uit 2006 werd opgemerkt:
“Een desbetreffende wetswijziging moest worden aangehouden in verband met de complicaties die aan een dergelijke maatregel zijn verbonden.”
Lange tijd bleef het stil. Het onderzoek leek een stille dood te zijn gestorven, totdat met de aanbieding van het Belastingplan 2016 het voornemen om art. 29 Wet OB 1968 te wijzigen nieuw leven in werd geblazen. In zijn aanbiedingsbrief5 gaf de staatssecretaris van Financiën aan dat weliswaar gebleken was dat er op dat moment nog geen draagvlak was voor een aantal verdergaande stappen om het fiscale stelsel te vereenvoudigen, maar dat wel al een aantal specifieke maatregelen werd overwogen die de uitvoering zou kunnen vereenvoudigen. Mogelijke beleidswijzigingen waren opgenomen in bijlage 2 bij de aanbiedingsbrief (‘in 2016 aan te vangen en voort te zetten onderzoeken voor vereenvoudiging’). Over de teruggaaf van btw bij oninbare vorderingen zou onderzoek worden gedaan ‘naar de voordelen voor de uitvoering en het bedrijfsleven van een aanpassing van de teruggaafregeling oninbare debiteuren door invoering van een rechtsvermoeden van oninbaarheid indien binnen één jaar na het uitreiken van de factuur nog niet is betaald, welk vermoeden weer vervalt als later alsnog wordt betaald.’
Niet veel later schreef de staatssecretaris van Financiën een aantal partijen6 aan met het verzoek om een aantal voorstellen in te brengen tot vereenvoudiging van de fiscale wetgeving. Het moest hierbij gaan om ‘praktische vereenvoudigingen’ en ‘oplossingen voor bestaande knelpunten uit de praktijk’.7 Zowel VNO-NCW als de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) onderschreven in hun reactie het streven om toepassing van art. 29 Wet OB 1968 te vereenvoudigen. VNO-NCW stelde op twee punten een verdere vereenvoudiging voor.8 In de eerste plaats zou als wettelijk uitgangspunt moeten gelden dat bij de verkoop van vorderingen het teruggaafrecht van rechtswege op de koper zou overgaan. In de tweede plaats werd de wens uitgesproken om het verzoek om teruggaaf van btw te kunnen doen in de reguliere btw-aangifte. Ook de NOB pleitte in haar commentaar voor de herintreding van deze laatste mogelijkheid.9
In diezelfde periode stelde het Ministerie van Justitie een internetconsultatie open om de insolventiepraktijk in de gelegenheid te stellen op het wetsvoorstel Modernisering Faillissementsprocedure te reageren.10 In zijn reactie pleitte het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht (Radboud Universiteit) eveneens voor een aanpassing van art. 29 Wet OB 1968. Nu een leverancier in gevallen van faillissement van de afnemer in de praktijk doorgaans pas voor teruggaaf van btw in aanmerking kwam nadat de curator de oninbaarheid van de vordering had bevestigd en deze bevestiging de crediteur doorgaans zeer laat bereikte, verdiende het volgens het onderzoekscentrum aanbeveling schuldeisers in staat te stellen in een vroeg stadium de door hen afgedragen btw terug te vragen.11