Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.3
5.7.3 Verzoekschrifiprocedures
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430535:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
L. Strikwerda, 'Het forum necessitatis in verzoekschriftprocedures', in: R.J.C. Flach e.a. (red.), Amice (Rutgers-bundel), Deventer: Kluwer 2005, p. 329-335. Zie ook conclusie A-G Strikwerda, onder nr. 23, voor HR 19 maart 2004, NJ2004, 295 (PV). Dit punt blijft in het arrest zelf verder onbesproken, omdat een ander middel reeds leidt tot cassatie van de beschikking van het Hof ' s-Hertogenbosch.
Bijgevallen door L.Th.L.G. Penis, Internationaal Procesrecht: een dwarsdoorsnede. Enkele kanttekeningen bij de huidige stand van het Nederlandse internationaal procesrecht, Den Haag: Boom 2005, p. 174; Mostermans (2006), nr. 78.
Art. 3, 4 en 9 sub b Rv laten het voor de bevoegdheid in dit geval afweten.
Als de vrouw de werking van de echtscheiding in Nederland of een andere lidstaat wenst te bewerkstelligen in verband met verhuizing naar een van de lidstaten, is voor wat betreft de rechtsmacht een alternatief denkbaar. De vrouw kan haar gewone verblijfplaats voor een jaar of zelfs voor een half jaar naar Nederland verplaatsen. Zie Hof 's-Gravenhage 21 december 2005, NJF 2006, 154: `Voor de vrouw bestaat de mogelijkheid om ter verkrijging van de echtscheiding gedurende 6 maanden haar gewone verblijfplaats te verplaatsen naar Nederland. De Nederlandse rechter zou dan op grond van artikel 2 lid 1 sub a 6' gedachtestreepje van Brussel II bevoegd zijn van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen. De vrouw heeft — daar naar gevraagd bij de mondelinge behandeling — verklaard niet bereid te zijn tot een dergelijke kunstgreep.' Nader over deze beslissing, par. 6.4.3.
In zaken van echtscheiding zijn overwegingen van `déni de justice' of de nationaliteit van uitsluitend de verzoeker een te magere basis voor de rechtsmacht. Dergelijke gronden worden in het kader van de erkenning van echtscheidingen veelal niet aanvaard. Zie art. 2 van het Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, 's-Gravenhage, 1 juni 1970, Trb. 1979, 131.
Zie ook par. 4.3.3. Dat geldt ook voor art. 4 lid 3 sub b Rv. In gevallen van nood kan de Nederlandse echtscheidingsrechter beslissen dat de uitoefening van rechtsmacht in het belang van het kind is en rechtsmacht aannemen op grond van art. 4 lid 3 sub b Rv. Zie par. 3.6.4.1.
Ofschoon art. 9 sub c Rv zich beperkt tot dagvaardingszaken, verdedigt Strikwerda dat het relatieve forum necessitatis ook toepassing moet vinden op de verzoekschrift-procedures genoemd in art. 4 en 5 Rv.1 Zijn redenering is als volgt. De wetgever heeft art. 9 sub c Rv beperkt tot dagvaardingszaken, omdat art. 3 sub c Rv in verzoek-schriftprocedures reeds bevoegdheid oplevert als de zaak voldoende met Nederland is verbonden. Hierbij heeft de wetgever kennelijk over het hoofd gezien dat in verband met de exclusieve werking van art. 4 en 5 Rv ten opzichte van art. 3 Rv, voor echtscheidingsprocedures en zelfstandige procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid noch het forum conveniens van art. 3 sub c Rv noch het forum necessitatis van art. 9 sub c Rv kan worden toegepast. Dat het hier om een omissie van de wetgever gaat is volgens Strikwerda aannemelijk, omdat niet goed valt in te zien waarom er voor de in art. 4 en 5 Rv bedoelde zaken wel ruimte is voor toepassing van art. 9 sub b Rv, maar niet voor art. 9 sub c Rv. Het valt niet in te zien waarom art. 6 EVRM zijn gebiedende kracht verliest wanneer het voor een rechtzoekende die een verzoekschrift over de in art. 4 of art. 5 Rv genoemde materie indient, onaanvaardbaar is de procedure voor een buitenlandse rechter te voeren, aldus Strikwerda.2
Er laten zich gevallen bedenken waarin de verzoeker, in een zaak als bedoeld in art. 4 of 5 Rv, behoefte kan hebben aan een forum necessitatis, niet op de grond dat een procedure in het buitenland onmogelijk is (art. 9 sub b Rv), maar op de grond dat de verzoeker zich bovenmatig zou moeten inspannen teneinde een beslissing van de buitenlandse rechter te verkrijgen (art. 9 sub c Rv). Stel, een Algerijnse man en zijn Nederlandse vrouw wonen in Algerije. Het is denkbaar dat de vrouw, wanneer zij een procedure tot echtscheiding in Algerije wenst te starten, op juridische en praktische bezwaren stuit. In dat geval zou het wenselijk kunnen zijn dat de Nederlandse vrouw zich, beroepend op art. 9 sub c Rv, met haar echtscheidingsverzoek tot de Nederlandse rechter kan wenden.3 Een langs deze weg verkregen beslissing van de Nederlandse rechter zal wel worden erkend in de overige lidstaten van de Europese Unie (art. 21 Vo-Brussel llbis),4 maar daarbuiten (inclusief Algerije) zal de beslissing vermoedelijk niet worden erkend.5
Men kan — net als Strikwerda — verdedigen om de verzoekschriftzaken van art. 4 en art. 5 Rv onderworpen te achten aan het relatieve forum necessitatis van art. 9 sub c Rv. De Nederlandse rechter kan zich dan naar analogie van dit wetsartikel bevoegd verklaren. Andere oplossingen zijn echter ook denkbaar. Zo zou het bereik van het in art. 3 sub c Rv opgenomen forum conveniens uitgebreid kunnen worden tot alle verzoekschriftprocedures, inclusief die genoemd in art. 4 en 5 Rv. Maar ook is het mogelijk om een oplossing te vinden in art. 4 en 5 Rv zelf, namelijk door de daarin neergelegde bevoegdheidsgronden te verruimen. Zo zou de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter uitgebreid kunnen worden tot gevallen waarin één van partijen Nederlander is. In dat geval zou de Nederlandse vrouw uit mijn voorbeeld zonder moeite een bevoegd forum in Nederland kunnen vinden. Voor deze laatste oplossing, dat wil zeggen verruiming van de bevoegdheid, heeft de wetgever (onbedoeld) gekozen in art. 5 Rv waarin een afzonderlijke bevoegdheidsregel is te vinden voor zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Art. 5 Rv verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de binding van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Hierin komt een forum conveniens-discretie terug; indien de uitoefening van rechtsmacht in het belang van het kind is (bijvoorbeeld omdat een procedure in het buitenland onmogelijk blijkt of het onaanvaardbaar is van de verzoeker te vergen dat hij zich tot een buitenlandse rechter wendt), kan de rechtsmacht op art. 5 Rv worden gebaseerd. Een relatief forum necessitatis (art. 9 sub c Rv) wordt hier dan ook niet gemist.6