Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.6.4
5.6.4 Juridische onmogelijkheid
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435530:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Besproken in par. 2.6.3.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 6 februari 1967, NJ 1967, 480: 'dat met slechts enkele uitzonderingen de hogere rechtspraak en doctrine op grond van voomoemde bepaling [art. 126 lid 12 sub r Rv oud, Fl] het standpunt innemen, dat de Ned. rechter niet bevoegd moet worden geacht van een vordering tot scheiding en deling van een in het buitenland opengevallen erfenis kennis te nemen, tenzij de voor de berechting van een zodanige vordering in aanmerking komende buitenlandse rechter zich — hetzij t.a.v. de gehele nalatenschap hetzij t.a.v. bestanddelen daarvan, welke zich in Nederland bevinden — onbevoegd zou verklaren, waarvoor ten dezen geen aanwijzingen bestaan en hetgeen door eisers ook niet is gesteld'. Zie voor 'oud' Rv ook I.S. Joppe, Vademecum Internationaal erfrecht, Ars Notariatus, deel XIX, Kluwer: Deventer 1980, p. 27-28.
In welke gevallen is een procedure in het buitenland in de zin van art. 9 sub b Rv onmogelijk en is de Nederlandse rechter verplicht om zich als een noodforum bevoegd te verklaren? Allereerst is daarvan sprake als de procedure als gevolg van een negatief rechtsmachtconflict voor geen relevant forum kan worden gebracht, omdat er formeel geen bevoegd forum is te vinden of omdat het formeel bevoegde forum zijn rechtsmacht op grond van bijvoorbeeld forum non conveniens-overwegingen niet zal uitoefenen.1 In deze gevallen is het juridisch onmogelijk om in het buitenland te procederen, zodat de Nederlandse rechter de plicht heeft om als een noodforum rechtsmacht uit te oefenen.
Een voorbeeld van een dreigend negatief rechtsmachtconflict biedt de onder 'oud' procesrecht gewezen beslissing van de Hoge Raad van 13 februari 1987, NJ 1987, 1014 (JCS).2 In deze zaak rijst de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man tot wijziging van een Nederlandse beslissing waarin de toen nog in Nederland wonende man is veroordeeld tot betaling van levensonderhoud aan de vrouw. De partijen zijn Canadees en hebben hun woonplaats in Canada. Volgens het Canadase recht was alleen de rechter die de oorspronkelijke beslissing tot levensonderhoud heeft vastgesteld bevoegd om daarin wijzigingen aan te brengen. De man zou in Canada geen bevoegde rechter vinden, zodat een onbevoegdverklaring door de Nederlandse rechter hem in een rechtsmachtvacuilm zou doen belanden. De Hoge Raad oordeelde dat de verzoeker in dit geval belang had bij een Nederlandse beslissing, zodat de Nederlandse rechter zich niet forum non conveniens mocht verklaren.
Art. 9 sub b Rv kan ook worden toegepast, indien boedelverdeling wordt gevorderd terzake van in Nederland gelegen bestanddelen van een nalatenschap die in het buitenland is opengevallen. Is de rechter van het sterfhuis onbevoegd ten aanzien van de in Nederland gelegen boedelbestanddelen, dan mogen de hier te lande gelegen bestanddelen niet onbeheerd achterblijven. De Nederlandse rechter is dan krachtens art. 9 sub b Rv bevoegd om zich uit te laten over de hier te lande gelegen bestanddelen.3Art. 6 sub f Rv verklaart de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende zakelijke rechten op, alsmede huur en verhuur, pacht en verpachting van in Nederland gelegen onroerende zaken. Betoogd zou kunnen worden dat de hierin tot uitdrukking gebrachte forum rei sitae-gedachte tevens toepassing vindt in zaken betreffende de afwikkeling van nalatenschappen. Zo geredeneerd, zou de Nederlandse rechter naar analogie van art. 6 sub f Rv bevoegd zijn om zich uit te laten over in Nederland gelegen bestanddelen van een in het buitenland opengevallen nalatenschap. Wordt rechtsmacht gebaseerd op art. 6 sub f Rv, dan blijft art. 9 sub b Rv buiten toepassing.