Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.5.2
2.5.2 Politieke representatie, kiesrecht en vrij mandaat
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181111:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D. Diderot, ‘Citoyen’, Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers, 1776. geraadpleegd via: http://classiques.uqac.ca/classiques/ Diderot_denis/encyclopedie/citoyen/Encyclopedie_citoyen.pdf.
Ibid.
J.J. Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, Amsterdam: Boom 2015 (oorspronkelijke uitgave 1762), p. 14.
Idem.
J.J. Rousseau, Discourses sur les sciences et les arts, in: Rousseau, Auvres complètes 2, Paris: Éditions du Seuil 1971 (oorspronkelijke uitgave 1750).
Rousseau 1762, Boek 1, Hoofdstuk 6.
Idem, p. 24.
Ibid.
De afkeer die Rousseau verwachtte wordt door hem bondig als volgt samengevat: “Le Souverain nʼayant dʼautre force que la puissance législative, nʼagit que par des loix, & les loix nʼétant que des actes authentiques de la volonté générale, le Souverain ne sauroit agir que quand le peuple est assemblé. Le peuple assemblé, dira-t-on, quelle chimere! Cʼest une chimere aujourdʼhui, mais ce nʼen étoit pas une il y a deux mille ans: les hommes ont-ils changé de nature?” Rousseau 1762, Boek III, Hoofdstuk 12.
Ibid.
Rousseau 1762, p. 24.
Rousseau 1762, Boek I.
Rousseau 1762, Boek III, Hoofdstuk 13.
Idem, Boek II, Hoofdstuk 6.
Ibid.
Ibid.
Idem, Boek IV, Hoofdstuk 2. Zie ook: “Jʼaurois ici bien des réflexions à faire sur le simple droit de voter dans tout acte de souveraineté; droit que rien ne peut ôter aux citoyens; & sur celui dʼopiner, de proposer, de diviser, de discuter, que le Gouvernement a toujours grand soin de ne laisser quʼà ses membres; […].” Idem, Boek IV, Hoofdstuk 1.
Hoogers 1999, p. 60.
J.J. Rousseau, Considérations sur le gouvernement de Pologne et sur sa réformation projetée, in: Rousseau, Auvres complètes 3, Paris: Éditions du Seuil 1971 (oorspronkelijke uitgave 1771), p. 539.
De soeverein kan geen particuliere wil hebben. Rousseau 1762, Boek I, Hoofdstuk 7.
Rousseau 1771, p. 541.
In de Encyclopédie wordt de representant dan ook als volgt gedefinieerd: “Les représentants d’une nation sont les citoyens choisis, qui dans un gouvernement tempéré sont chargés par la société de parler en son nom, de stipuler ses intérêts, d’empêcher qu’on ne l’opprime, de concourir à l’administration.” Diderot, Alembert, Encyclopédie méthodique, ou par ordre de matières; par une societé de gens de letres, de savans et d’artistes, Paris: Panckoucke 1788, p. 49.
Magnette 2005, p. 114.
E. Sieyès, ‘Projet de déclaration’, in: S. Rials, La Déclaration des droits de l’homme et du citoyen, Hachette, Coll.: Pluriel 1988, p. 600.
Deze wet kan worden geraadpleegd via: http://www.assemblee-nationale.fr/ histoire/images-decentralisation/decentralisation/loi-du-22-decembre-1789-.pdf. In deze wet worden de actieve burger en de kwaliteiten die hij dient te bezitten als volgt omschreven: “Section I. – De la formation des assemblées pour l’élection des représentants à l’Assemblée nationale. […] 2. Les citoyens actifs, c’est-à-dire, ceux qui réuniront les qualités qui vont être détaillées ci-après, auront seuls le droit de voter et de se réunir pour former dans les cantons des assemblées primaires. 3. Les qualités nécessaires pour être citoyen actif sont: 1° d’être Français ou devenu Français; 2° d’être majeur de vingt-cinq ans accomplis; 3° d’être domicilié de fait dans le canton, au moins depuis un an; 4° de payer une contribution directe de la valeur locale de trois journées de travail; 5° de n’être point dans l’état de domesticité, c’est-à-dire, de serviteur à gages.”++
Een duidelijk voorbeeld van een bepaling die het vrije mandaat weergeeft, omvat art. 67 lid 3 van de Nederlandse Grondwet luidend: “De leden [van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer] stemmen zonder last.”
E.J. Sieyès, Qu’est-ce que le Tiers état?, Genève 1970 (oorspronkelijke uitgave 1789), p. 179; Hoogers 1999, p. 115.
In dit werk behandelt Sieyès een drietal vragen: ‘Que les États-Généraux ont le droit de législation’, ‘Qu’il ne tient qu’aux États-Généraux d’exercer librement le pouvroir législatif’ en tot slot ‘Que les États-Généraux peuvent établir et rendre permanent et indépendant le résultat de leurs déliberations’. Bij de beantwoording van de eerste vraag behandelt Sieyès de notie van het vrije of gebonden mandaat. E.J. Sieyès, ‘Vues sur les moyens d’exécution dont les Représentants de la France pourront disposer en 1789’, in: Dire de l’Abbé Sieyès; sur la question du veto royal, Paris: Oeuvres de Sieyès 1989.
E.J. Sieyès, ‘Vues sur les moyens d’exécution dont les Représentants de la France pourront disposer en 1789’, in: Dire de l’Abbé Sieyès; sur la question du veto royal, Paris: Oeuvres de Sieyès 1989, p. 19-21, Hoogers 1999, p. 116.
Hoogers 1999, p. 105 e.v.
De keuze voor het vrije mandaat wordt door Sieyès erkend in verschillende werken van hem. Zo stelt hij in de Instruction donnée par S.A.S. Monseigneur le duc d’Orléans à ses Représentans aux Baillages. Suivie de délibérations à prendre dans les assemblées: “Arrêté: qu’il est, sant doute, dans les bons principes de faire élire la Députation universelle par la généralité des ¸lecteurs, sans distinction d’Ordres; puisque, si la mission de chaque Représentant ne vient pas de tous, on ne peut pas dire que chaque Député soit représentant de tous, sans distinctions d’Ordres.” In zijn Dire de l’abbé Sieyès; sur la question du véto Royal schrijft Sieyès: “On a Souvent observe dans cette Assemblée que les Baillages n’avoient pas le droit de donner des Mandats impératifs; c’est moins encore. Relativement à la loi, les Assemblées commettantes n’ont que le droit de commettre. Hors de là, il ne peut y avoir entre les Députes & les Députans directs, que des mémoires, des conseils, des instructions. Un Député, avons- nous dit, est nommé par un Baillage, au nom de la totalité des Baillages; un Député l’est de la Nation entière; tous les Citoyens sont ses commettans […] Ainsi, il n’y a, il ne peut y avoir, pour un Député, de mandate impératif, ou même de voeu positif, que le voeu National.”
N. de Condorcet, ‘Project de déclaration des droits, 1789’, in: L. Jaume, Les Déclarations des droits de l’homme, Flammarion 2011, p. 115. Magnette 2005, p. 112.
Zie daarover ook de hiervoor aangehaalde Fransman Sieyès: “I picture the law as being in the centre of a huge globe; all citizens, without exception, stand equidistant from it on the surface and occupy equal positions there; all are equal dependent on the law, all present it with their liberty and their property to be protected; and this is what I call the common rights of citizens, the rights in respect of which they are all alike.” E. J. Sieyès, What is the Third Estate (translated by M. Blondel, ed. S.E. Finer), New York: Prager 1963, p. 162; W.R. Brubaker, ‘The French Revolution’, French Politics and Society, Vol. 7, no 3, 1989.
G. Leibholz, Strukturprobleme der modernen Demokratie, Frankfurt am Main, 1974, p. 86.
De redactie van de Franse Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers bestond uit Denis Diderot (1713-1784) en Jean le Rond d’Alembert (1717-1783). Redacteur Diderot had de taak op zich genomen de Encyclopédie te verrijken met een bijdrage over de term ‘Citoyen’. In deze bijdrage definieert hij, gebruik makend van definities van Aristoteles, Hobbes en Pufendorf, het begrip ‘burger’ als iemand die verschillende rechten en privileges heeft in een bepaalde samenleving. Daarbij refereert hij met enige regelmaat aan de praktijk rondom dit begrip in de klassieke oudheid, in het bijzonder in de polis Athene.1 Zo verwijst hij vol lof onder meer naar de belofte die Atheense burgers moesten uitspreken bij het verkrijgen van het Atheense burgerschap.2 Met deze bijdrage in de Encyclopédie geeft Diderot een aansporing om bij de behandeling van dit begrip tevens de opvattingen uit de antieke wereld betreffende burgerschap mee te nemen. Dit laatste had Jean Jacques Rousseau (1712-1778) inmiddels gedaan in zijn geschriften. Rousseau leest in 1749, wanneer hij onderweg is naar Diderot die destijds gevangen zat in Vincennes, in Le Mercure de France een bericht over een opstelwedstrijd aan de Academie van Dijon.3 De opstelwedstrijd nodigt geïnteresseerden uit te schrijven over de volgende vraagstelling: ‘Welke bijdrage heeft de versterkte positie van wetenschappen en kunsten geleverd tot de verfijning der zeden?’4 Rousseaus opstel, met als titel Discourses sur les sciences et les arts, waarin hij betoogt dat de positie van de wetenschappen en kunsten het verval der zeden heeft bewerkstelligd, wint de eerste prijs en wordt gepubliceerd. In dit opstel bezingt hij de eenvoud van entiteiten uit het verre verleden: te weten Sparta, de Romeinse Republiek en de Zwitserse kantons.5 Dit essay maakte de denker Rousseau in een slag bekend.
Zijn verafschuwing van het politieke en staatkundige klimaat in Frankrijk indertijd leidde hem in zijn in 1762 uitgebracht boek Du contrat social. Ou principes du droit politique tot een antwoord op de vraag hoe de staat idealiter dient te zijn opgebouwd. Vergeleken met Hobbes verschilt het uitgangspunt van Rousseau aanzienlijk, omdat Rousseau net als Locke ervan uit gaat dat de mens in de natuurtoestand niet kwaadaardig is. Een staatsinrichting acht hij noodzakelijk om de goederen van de personen die woonachtig zijn in de staat te verdedigen. Hij introduceert zodoende le contrat social, dat neerkomt op het volgende:
“Chacun de nous met en commun sa personne et toute sa puissance sous la suprême direction de la volonté générale; et nous recevons en corps chaque membre comme partie indivisible du tout. A lʼinstant, au lieu de la personne particulière de chaque contractant, cet acte dʼassociation produit un Corps moral & collectif composé dʼautant de membres que lʼassemblée a de voix, lequel reçoit de ce même acte son unité, son moi commun, sa vie et sa volonté.”6
De collectiviteit die als gevolg van het contract ontstaat, noemt Rousseau het volk, de republiek of de polis.7 Idealiter zijn samenlevingen kleinschalig ingericht, met een overzichtelijke en homogene bevolking, één religie en een eenduidig politiek klimaat. De associatie met de indeling van de poleis in de klassieke oudheid is sterk. Rousseau prijst dan ook de kleinschaligheid en overzichtelijkheid van zijn geboortestad Genève.
De gemeenschap uit het contract beschouwt Rousseau als een rechtspersoon.8 Indien deze rechtspersoon handelt, dan wordt hij ‘de soeverein’ genoemd. De soeverein komt bijeen in een (volks)vergadering en kan ook enkel handelen door middel van het uitvaardigen van wetten.9 De soeverein heeft, met andere woorden, geen andere bevoegdheden dan wetgeving.10 De deelgenoten van deze soeverein worden ‘de burgers’ genoemd.11 Ieder afzonderlijk mens kan een bijzondere en particuliere wil hebben die niet strookt met de algemene wil van dezelfde mens in de hoedanigheid van burger.12 Voor Rousseau verschillen, net als voor Pufendorf maar anders dan bij Hobbes, de termen ‘mens’ en ‘burger’ aanzienlijk. Op het moment dat de mens het sociale contract sluit met de medemens wordt hij een burger. Dit contract brengt volgens Rousseau onder meer collectieve veiligheid en gehoorzaamheid, en individuele vrijheid met zich voor de burger. Het wezen van het staatslichaam is gelegen in de omstandigheid dat gehoorzaamheid en vrijheid ‘identieke wederzijdse betrekkingen vormen, waarvan het begrip samenvalt in het ene woord burger’.13 Het is hierbij van belang te vermelden dat Rousseau burgers niet beschouwt als burgers wanneer zij gehoorzamen aan de staat. Dan zijn zij onderdanen. De onderdanen voeren, met andere woorden, de volonté génerale uit die door de burgers tezamen is opgesteld.14 De volonté génerale wordt tot uitdrukking gebracht door middel van wetgeving.15 Onvermijdelijk ontstaat vervolgens de vraag wie de wetten van een samenleving tot stand moet brengen. “Le peuple soumis aux loix en doit être lʼauteur; il nʼappartient quʼà ceux qui sʼassocient de régler les conditions de la société […].”16 De soeverein in de volksvergadering, zijnde de burgers, is bevoegd tot het uitvaardigen van wetten. Bij elke daad van soevereiniteit hebben alle burgers het stemrecht, dat hen niet kan worden ontnomen:
“Le citoyen consent à toutes les loix même à celles quʼon passe malgré lui, & même à celles qui le punissent quand il ose en violer quelquʼune. La volonté constante de tous les membres de lʼEtat est la volonté générale; cʼest par elle quʼils sont citoyens & libres.”17
In Considérations sur le Gouvernement de Pologne et sur sa réformation projetée uit 1771 houdt Rousseau zich bezig met de toepassing van zijn politieke theorie op grote staten.18 Immers, hoe aantrekkelijk de oorspronkelijke theorie ook is in le contrat social, het is praktisch onbruikbaar in de grootschalige samenlevingen van de achttiende eeuw. Daarom onderneemt hij ook pogingen om de theorie van Du contrat social bruikbaar te maken voor grote staten, zoals destijds Polen. Hij merkt in dit verband op dat het praktisch niet haalbaar is dat de burgers in persoon wetgeving vaststellen:
“Un des plus grands inconvénients des grands États, celui de tous qui y rend la liberté le plus difficile à conserver, est que la puissance législative ne peut s’y montrer elle-même, et ne peut agir que par députation.”19
De breuk met zijn opvattingen in Du contrat social is aanzienlijk. Daarin betoogt Rousseau immers dat alle burgers zich moeten kunnen uitspreken over een voorstel van wet. In Considérations sur le Gouvernement de Pologne et sur sa réformation projetée doet hij afstand hiervan. Een staat met een aanzienlijke omvang maakt politieke representatie noodzakelijk in een politiek en staatskundig verband. Het gevolg daarvan is dat niet de soeverein, maar de vertegenwoordigers die een particuliere wil (kunnen) hebben de wetten vaststellen.20 Teneinde te verzekeren dat de particuliere wil van de vertegen woordiger niet wordt verheven boven de algemene wil, stelt Rousseau een tweetal garantiemechanismen voor. Ten eerste betoogt hij dat de burgers in de gelegenheid moeten worden gesteld hun vertegenwoordigers zeer frequent te kiezen en ten tweede is het noodzakelijk dat er nauwkeurige instructies worden ingevoerd voor de werkwijze van de vertegenwoordigers.21 Het is, met andere woorden, de grootte van een staat die politieke representatie van burgers noodzakelijk maakt. Al met al, Rousseaus voorkeur ten aanzien van Pologne gaat uit naar politieke vertegenwoordig met gebonden mandaat voor de vertegenwoordigers.
Hoewel Rousseau geen voorstander is van politieke representatie, acht hij deze onvermijdelijk in grotere staten. In grotere samenlevingen is het immers praktisch onhoudbaar om in een vergadering zoals gebruikelijk in de poleis in de klassieke oudheid bijeen te komen opdat alle burgers kunnen stemmen over een bepaald voorstel van wet, aldus Rousseau. Burgerschap brengt derhalve in grotere staten tevens politieke representatie van de burger met zich in de politieke arena.22 Deze gedachtegang van Rousseau wordt voortgezet door Sieyès (1748-1836) en De Condorcet (1743-1794), die aan het burgerschapsbegrip andere aspecten koppelen. In theorie betekent burgerschap volgens Sieyès de onderworpenheid van alle ingezetenen aan het recht. In de praktijk kwam burgerschap volgens Sieyès neer op het bezitten van politieke rechten (zoals het kiesrecht).23 In dit kader introduceert Sieyès in een commentaar dat hij schrijft op de Declaration des droits de l’homme et du citoyen een onderscheid tussen actief en passief burgerschap:
“All inhabitants of a country must enjoy the rights of passive citizenship: all have the right to the protection of their person their property, their freedom, etc., but all do not have the right to take an active part in the forming of public authorities, all are not active citizens... all can enjoy the privileges of society; but only those who take part in the public enterprise are the true stockholders of the social company.”24
Waar in de klassieke oudheid het burgerschapsbegrip per definitie actief van aard was, is duidelijk dat in de jaren van de Franse Revolutie met betrekking tot het begrip een onderscheid wordt gemaakt tussen actief en passief burgerschap. Dit onderscheid wordt verankerd in de Loi du 22 décembre 1789 relative à la constitution des assemblées primaires et des assemblées administratives.25 Hierover volgt meer in Hoofdstuk VI.
Een fundamenteel verschil tussen Rousseau en Sieyès vormt de notie van het vrije en gebonden mandaat. Het vrije mandaat houdt in dat de representant niet gebonden is aan opdrachten van het gerepresenteerde, terwijl het gebonden mandaat staat voor een afhankelijke relatie tussen de representant en het gerepresenteerde.26 Zoals hiervoor bleek, acht Rousseau de notie van het gebonden mandaat noodzakelijk bij een constitutioneel bestel dat uitgaat van vertegenwoordiging. Sieyès, daarentegen, kiest voor vertegenwoordiging met vrij mandaat voor de vertegenwoordigers. Hoe komt Sieyès bij dit standpunt? Waar Sieyès in zijn Qu’est-ce que le Tiers état? de notie van het vrije mandaat lijkt te verwerpen,27 is in zijn Vues sur les moyens d’exécution dont les Représentants de la France pourront disposer en 1789 duidelijk dat Sieyès wél een stelsel voor ogen heeft met vrij mandaat van de representanten.28 In dit werk wordt door Sieyès gesteld:
“Mais bientôt on reconnoît que la méthode de détacher de simples porteurs de votes est essentiellement vicieuse en ce que les Députés, obligés de s’en tenir scrupuleusement à l’avis de leurs commettants, ne pouvant point se concilier entr’eux, il devient souvent impossible de tirer de la totalité des votes une volonté commune: or c’est la volonté commune qu’il faut, et tout moyen qui ne le donne pas est radicalement mauvais. On doit sentir que s’il falloit consulter de nouveau les commettants des différents districts, leur faire part de ce qui passe, attendre de nouveaux ordres, et recommencer cette même marche, tant que les avis ne présenteroient point encore une volonté commune, on doit sentir que les affaires ne finiroient pas, que l’interêt public en souffriroit et que la généralité des associés, pour vouloir se réserver trop immédiatement l’exercise de leur volonté, s’en interdiroit l’usage. […] La Communauté se détermine donc à accorder plus de confiance à ses Mandataires. Elle la fonde de procuration, à l’effet de se réunir, de délibérer, de se concilier, et de vouloir en commun: alors, au-lieu de simples porteurs de votes, elle a des vrais Représentans.”29
In dit citaat brengt Sieyès naar voren dat, indien de vertegenwoordigers niet onafhankelijk optreden van de gekozenen, de algemene wil niet kan worden vastgesteld. Teneinde onafhankelijk te zijn van de kiesgerechtigden, is het noodzakelijk dat de vertegenwoordigers niet gebonden zijn aan opdrachten van de kiezers.30 Alleen op deze wijze kan de gemeenschappelijke wil worden vastgesteld, waarbij de deelbelangen van de kiesgerechtigden worden geëlimineerd, aldus Sieyès.31
Hoewel de Fransman Nicolas de Condorcet het door Sieyès gemaakte onderscheid tussen actieve en passieve burgers niet expliciet maakt, benadrukt hij in zijn concept van de Declaration des droits de l’homme et du citoyen het gelijkheidsbeginsel dat het burgerschapsbegrip in zich bergt. Volgens De Condorcet brengt een gelijk stemrecht tevens een gelijke invloed met zich:
“All citizens must equally enjoy the rights of citizenship; consequently, all must have equal influence in the part of the establishing of a public power in the making of the law that each citizen immediately takes part in; and each must equally contribute to the election of the representatives in charge of exercising the other part of these functions, and be equally eligible to the office of representative.”32
Dit gelijkheidsdenken33 dat nauw verwant is met burgerschap, is tevens aangestipt in het werk van de Duitse Gerhard Leibholz (1901-1982). Leibholz, die in zijn Das Wesen der Repräsentation door middel van de fenomenologie het representatiebegrip analyseert, betoogt in zijn Strukturprobleme der modernen Demokratie dat het ondenkbaar is geworden in de twintigste eeuw dat het algemeen gelijk kiesrecht zodanig wordt vormgegeven dat daarbij bijvoorbeeld bezit een beslissende rol gaat spelen.34 Kortom, in beginsel staat een absoluut gelijke behandeling van de burgers bij het kiesrecht voor het vertegenwoordigend orgaan centraal.
Een conclusie die kan worden getrokken op grond van het voorgaande is dat na de Middeleeuwen het burgerschapsbegrip gedurende (de jaren voor) de Franse Revolutie aan een belangrijke ontwikkeling onderhevig is geweest. Naar voren is gekomen dat Locke Bodins soevereiniteit en Hobbes’ kijk op het burgerschapsbegrip als onderworpenheid aan het recht aan elkaar koppelt. Locke stelt dat de burgers gehoorzaam zijn aan het recht, dat zij zelf tot stand hebben gebracht. Rousseau werkt de notie van de politieke representatie in het kader van het burgerschapsbegrip uit. In grote samenlevingen is het volgens Rousseau een noodzakelijk kwaad dat de burgers politiek dienen te worden vertegenwoordigd in een volksvergadering. Sieyès voegt hieraan toe dat de burgers die het kiesrecht hebben voor de leden van het vertegenwoordigende orgaan, de zogenoemde actieve burgers zijn. Passieve burgers hebben ook rechten, zoals de bescherming van eigendom en vrijheid. Een essentieel verschil tussen Rousseau en Sieyès openbaart zich wanneer een blik wordt geworpen op hun visie ten aanzien van het vrije dan wel gebonden mandaat. Waar Rousseau het gebonden mandaat van de representant beschouwt als een garantiemechanisme voor de gevaren van politieke representatie, betoogt Sieyès dat het vrije mandaat juist noodzakelijk is om de deelbelangen van de verschillende groepen in de samenleving uit te drijven en de gemeenschappelijke wil vast te stellen. De Condorcet (en later Leibholz) trekt deze gedachtegang door en meent dat het stemrecht van de actieve burgers voor de leden van het vertegenwoordigende orgaan tevens met zich brengt dat deze (actieve) burgers gelijke invloed hebben op de totstandkoming van bijvoorbeeld wetten.
Frans revolutionair denken is cruciaal geweest voor het denken over burgerschap. Niet alleen is meermaals het wederkerige aspect van het burgerschapsbegrip benadrukt, ook de omstandigheid dat burgerschap politieke representatie met zich brengt waar de stem van iedere burger gelijk is, vormt een kernelement in dat denken. De volgende paragraaf staat in het teken van de omzetting van burgerschapsdenken in de staatsrechtelijke praktijk.