Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.2.6:9.2.6 Einde van het recht van pandgebruik
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.2.6
9.2.6 Einde van het recht van pandgebruik
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264430:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De weergave van de wijzen van tenietgaan van het pandrecht steunt op Steneker 2012, nr. 32; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 135-138; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 784.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een recht van pandgebruik gaat teniet als het pandrecht zelf tenietgaat. Aangezien het recht van pandgebruik slechts verbintenisrechtelijke werking heeft, kunnen partijen op dit punt anders overeenkomen. In deze paragraaf bespreek ik drie gronden voor het tenietgaan van het pandrecht die enkele bijzonderheden meebrengen als de pandhouder een recht van pandgebruik heeft.1
Ten eerste kan het pandrecht tenietgaan als de gesecureerde vordering tenietgaat. Het pandrecht, en daarmee het recht van pandgebruik, gaan dan teniet door afhankelijkheid (vgl. art. 3:7 BW). Bijzonder aan het recht van pandgebruik is dat de vruchten die de pandhouder heeft getrokken, in mindering kunnen komen op de gesecureerde vordering. De vruchttrekking door de pandgebruiker draagt dus bij aan de betaling van de gesecureerde vordering, en daarmee aan het tenietgaan van het recht van pandgebruik. Ten tweede gaat het recht van pandgebruik teniet door executie. De pandhouder kan zijn recht van pandgebruik uitoefenen tot hij het onderpand aan een executiekoper heeft verkocht en geleverd. Ten derde kan het pandgebruik tenietgaan als de pandhouder ernstig tekortschiet in zijn zorgplicht. Op grond van art. 3:257 BW kan de rechter in dit geval bevelen dat het onderpand wordt afgegeven aan de pandgever. De pandhouder verliest daarmee de mogelijkheid het onderpand te gebruiken. Bovendien gaat met de afgifte van het onderpand het (als zodanig gevestigde) vuistpandrecht teniet. Is het pandrecht gevestigd op grond van een geregistreerde onderhandse akte of een authentieke akte (art. 3:237 lid 1 BW), dan blijft het pandrecht echter bestaan na teruggave aan de pandgever.