Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/3.3.11.1
3.3.11.1 Richtlijn aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (voorheen: Tweede richtlijn vennootschapsrecht)
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197726:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Overweging 96 Richtlijn. Het woordje ‘niet’ komt niet voor in de Nederlandse vertaling van de Richtlijn. Dit is een omissie.
Richtlijn 2017/1132 EU.
Lidstaten mogen ook op een andere wijze ervoor zorgen dat hun vennootschapsrechtelijke regels een akkoord niet dwarsbomen, zie overweging 96 Richtlijn.
Deze verplichting bestaat in Nederland niet voor BV’s.
Het voorkeursrecht is niet van toepassing wanneer aandelen worden uitgegeven tegen inbreng anders dan in geld. Zie Quist 2018, par. 14.2.1 die de discussie in de Nederlandse literatuur weergeeft of, in geval van een debt for equity swap, sprake is van inbreng in geld (verrekening van de schuld uit hoofde van de stortingsplicht met de vordering van de schuldeiser) of inbreng van de vordering als storting anders dan in geld. De meerderheid van Nederlandse auteurs meent het eerste.
Art. 58 lid 1, art. 68, art. 72, art. 73, art. 74, art. 79 lid 1 sub b, art. 80 lid 1 en art. 81 richtlijn 2017/1132. Art. 84 lid 4 richtlijn 2017/1132/EU duidt deze afwijkingsmogelijkheden.
Zie par. 2.5.1.2 en par. 2.5.1.5.
Art. 32 laatste volzin Richtlijn.
Zie par. 3.3.8.2 onder c.
Art. 32 Richtlijn en overweging 96 Richtlijn.
Overweging 96 Richtlijn.
In Nederland komt de richtlijn niet ter sprake in de rechtspraak omtrent noodzaakfinanciering aangezien het daarbij meestal gaat om besloten vennootschappen. In 2015 was echter bij de naamloze vennootschap Cunico sprake van een dergelijke financiering. De OK bepaalde bij wijze van onmiddellijke voorzieningen dat het bestuur bevoegd was tot een aandelenuitgifte en dat het voorkeursrecht werd uitgesloten. Enkel bij het uitsluiten van het voorkeursrecht wijst de OK in één zin strijd met de richtlijn van de hand. Zie Hof Amsterdam (OK) 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4379, JOR 2016/60 (Cunico), r.o. 3.13. Zie ook Eikelboom 2017, par. 7.6.2.2.
O.a. HvJEG 30 mei 1991, nr. 14726/89, NJ 1993/186 (Karella), HvJEU 12 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:92, NJ 1997/173 (Pafitis), HvJEG 23 maart 2000, ECLI:EU:C:2000:150, NJ 2000/531 (Diamantis), HvJEG 12 mei 1998, ECLI:EU:C:1998:222, NJ 1999/239 (Kefalas), HvJEU 8 november 2016, ECLI:EU:C:2016:836, NJ 2017/302 (Dowling e.a.) en HvJEU 19 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:570, JOR 2016/241. Het ging in deze zaken om het voorkeursrecht van aandeelhouders, een besluit tot aandelenemissie en de vermindering van de nominale waarde van aandelen.
HvJEG 12 mei 1998, ECLI:EU:C:1998:222, NJ 1999/239 (Kefalas), par. 28. Wanneer sprake is van een onrechtmatig voordeel is niet uiteengezet.
Zie verder uitgebreid Eikelboom 2017, par. 7.4 over strijdigheid met het EU-recht.
Bijv. HvJEU 12 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:92, NJ 1997/173 (Pafitis), par. 70 en HvJEG 23 maart 2000, ECLI:EU:C:2000:150, NJ 2000/531 (Diamantis), par. 36.
HvJEU 8 november 2016, ECLI:EU:C:2016:836, NJ 2017/302 (Dowling e.a.), par. 51 en vergelijkbaar HvJEU 19 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:570, JOR 2016/241, par. 88.
O.a. HvJEG 30 mei 1991, nr. 14726/89, NJ 1993/186 (Karella), HvJEU 12 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:92, NJ 1997/173 (Pafitis), HvJEG 23 maart 2000, ECLI:EU:C:2000:150, NJ 2000/531 (Diamantis) en HvJEG 12 mei 1998, ECLI:EU:C:1998:222, NJ 1999/239 (Kefalas).
Eikelboom 2017, p. 226 wijst nog op een mogelijk andere oorzaak, namelijk de eigenwijze opstelling van Griekenland om regelgeving te handhaven die in strijd was met de Tweede richtlijn vennootschapsrecht.
Financiële (in)stabiliteit kan bijv. een rol spelen bij de bail-in van kapitaalverschaffers bij banken en andere financiële instellingen, zie richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en de SRM-verordening.
Eveneens Eikelboom 2017, p. 225 en Wessels & Madaus 2017, p. 335.
Overwegingen 1-3 Richtlijn.
“The effectiveness of the process of adoption and implementation of the restructuring plan should not be jeopardised by company law.”1 De Richtlijn staat derhalve in artikel 32 afwijkingen toe van een aantal bepalingen uit de richtlijn aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht, voorheen de Tweede richtlijn vennootschapsrecht (richtlijn 2012/30/EU).2 De richtlijn aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (hierna: richtlijn vennootschapsrecht) is van toepassing op naamloze vennootschappen en bevat regels over de oprichting van een vennootschap, het aandelenkapitaal, uitkeringen aan aandeelhouders en kapitaalverhogingen en -verminderingen. Hoewel de richtlijn vennootschapsrecht niet ziet op besloten vennootschappen, neemt dit niet weg dat lidstaten, zoals Nederland, veel regels uit de richtlijn ook (vrijwillig) van toepassing hebben verklaard op besloten vennootschappen. Het zou vreemd zijn indien een akkoord aandeelhoudersrechten bij een BV eenvoudiger kan beperken dan bij een NV omdat bij het NV-recht het Unierecht van toepassing is.
Lidstaten mogen (niet: moeten3) afwijken van regels uit de richtlijn vennootschapsrecht ter zake van de volgende onderwerpen: de verplichting tot het bijeenroepen van een algemene vergadering wanneer sprake is van verlies van een belangrijk deel van het geplaatst kapitaal,4 een kapitaalverhoging, inclusief het voorkeursrecht,5 en een kapitaalvermindering, waaronder de intrekking van aandelen.6 Dit betekent dat bij een kapitaalverhoging of -vermindering, vaak onderdeel van een akkoord,7 een besluit van de algemene vergadering niet is vereist wanneer van die regels wordt afgeweken. Dit geldt ook voor de instemming van individuele aandeelhouders wanneer de verhoging of verlaging afbreuk doet aan de rechten van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. De Richtlijn geeft expliciet aan dat een afwijking van de regels uit de richtlijn vennootschapsrecht het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders onverlet laat.8 Aandeelhouders in eenzelfde stemklasse moeten in beginsel gelijk worden behandeld en een verschillende behandeling tussen stemklassen van aandeelhouders is in beginsel alleen toegestaan indien de stemklassen ermee instemmen.9
Lidstaten mogen afwijken van de bepalingen uit de richtlijn vennootschapsrecht voor zover en zolang dit nodig is om te voorkomen dat aandeelhouders de totstandkoming van het akkoord dwarsbomen door misbruik te maken van hun rechten uit de richtlijn vennootschapsrecht.10 Het is dus aan de lidstaten om in hun nationale regelgeving aan te geven of geheel of gedeeltelijk en voor welke periode, mag worden afgeweken van het vennootschapsrecht voor zover voortvloeiend uit de richtlijn vennootschapsrecht. Lidstaten hebben daarbij een margin of appreciation.11 Vanuit het oogpunt van de bescherming van aandeelhouders, gelet op artikel 1 EP EVRM, zou het mijns inziens wenselijk zijn dat lidstaten de aanbieder van het akkoord verplichten aan te geven waarom van bepaalde aandeelhoudersrechten in het akkoord wordt afgeweken. Zie hierover verder paragraaf 3.4.
De mogelijkheid tot afwijking van bepalingen uit de richtlijn vennootschapsrecht is noodzakelijk omdat afwijking van de richtlijn (normaliter) slechts in bijzondere omstandigheden is toegestaan.12 Zo kwam in de Europese rechtspraak herhaaldelijk de vraag aan de orde of een vennootschap in financiële moeilijkheden via een nationale maatregel bepaalde rechten uit de Tweede richtlijn vennootschapsrecht aan de kant mag zetten.13 Het Hof van Justitie stelde allereerst voorop dat de bescherming die de Tweede richtlijn vennootschapsrecht biedt, ook geldt wanneer een vennootschap in financieel (zeer) zwaar weer is komen te verkeren. Afwijking van het Unierecht op basis van een nationale maatregel is in uitzonderlijke omstandigheden echter wel mogelijk indien sprake is van misbruik van recht, aldus het Hof. Een aandeelhouder mag zijn rechten uit de Tweede richtlijn vennootschapsrecht niet misbruiken. Dat wil zeggen dat een aandeelhouder niet ten koste van de vennootschap onrechtmatige voordelen mag verkrijgen die niet overeenkomen met het doel van de desbetreffende bepaling uit het Unierecht.14 De doelstelling van de mogelijk strijdige bepaling is derhalve van belang, te weten het waarborgen van een minimum aan bescherming voor aandeelhouders.15 Een aandeelhouder maakt echter geen misbruik van recht wanneer hij zich beroept op de richtlijnbepalingen, enkel vanwege het feit dat hij minderheidsaandeelhouder is van een vennootschap die onder een reorganisatieregeling valt, dat de reorganisatie hem ten goede is gekomen of dat hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn voorkeursrecht.16 Het is dus lastig om af te wijken. Toch is in een nieuwe reeks arresten van het Europese Hof – waarvoor de financiële crisis vanaf 2008 de indirecte aanleiding vormde – een kentering waar te nemen. Wanneer toepassing van bepalingen uit de Tweede richtlijn vennootschapsrecht leidt tot financiële instabiliteit van de Europese Unie, is afwijking van de richtlijn soms toegestaan. Het Hof oordeelde als volgt:
“De voorschriften van de Tweede richtlijn verzetten zich dus niet ertegen dat de nationale autoriteiten in een situatie van ernstige bedreiging van de economie en het financiële stelsel van een lidstaat een uitzonderlijke maatregel (zoals de uitvaardiging van een rechterlijk bevel) nemen ten aanzien van het maatschappelijke kapitaal van een naamloze vennootschap, zonder dat de algemene vergadering van deze vennootschap daarmee heeft ingestemd, teneinde een systemisch risico te vermijden en de financiële stabiliteit van de Unie te verzekeren.” 17
Hiermee lijkt het Hof aldus van de eerdere rechtspraak18 terug te komen. Ten tijde van de eerdere rechtspraak was nog geen sprake van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, waarin de euro en het Eurostelsel werden geïntroduceerd en de daarmee verband houdende wijzigingen van Unieverdragen van kracht werden.19 Daar is nu wel sprake van, waardoor het in theorie mogelijk is dat eerder een financiële instabiliteit in de gehele Europese Unie kan optreden. Bij een besloten vennootschap in financiële nood is dit moeilijk denkbaar. Bij een naamloze vennootschap – geen bank- of kredietinstelling20 – is dit mijns inziens ook moeilijk voor te stellen. Wanneer hier geen sprake van is, geldt de ‘oude’ rechtspraak inzake misbruik van bevoegdheid onverkort.21
Hoe dit ook zij, doordat de richtlijn betreffende herstructurering en insolventie toestaat af te wijken van een aantal bepalingen uit de richtlijn vennootschapsrecht is op dit punt geen sprake meer van mogelijke strijd van het nationale recht met het Unierecht. Bovendien is het doel van de Richtlijn in zekere zin het bevorderen van de financiële stabiliteit van de Europese Unie, doordat het vrij verkeer van kapitaal en daarmee samenhangend het investeringsklimaat wordt bevorderd wanneer onnodige faillissementen, ook van besloten vennootschappen, worden voorkomen.22