Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling
Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/6.3.2.4:6.3.2.4 Tijdelijkheid als rechtvaardigingsargument
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/6.3.2.4
6.3.2.4 Tijdelijkheid als rechtvaardigingsargument
Documentgegevens:
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943417:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Noord-Holland 1 september 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:7148, r.o. 5.6 en 5.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het wordt werkgevers zonder allocatiefunctie derhalve niet toegestaan een met het uitzendbeding vergelijkbare arbeidsvoorwaarde overeen te komen. Is – a contrario geredeneerd – de allocatiefunctie de enige rechtvaardiging voor een uitzendbeding? De omstandigheid dat de door het uitzendbeding veroorzaakte inbreuk op de ontslagbescherming tijdelijk is, lijkt eveneens een belangrijk argument voor het toestaan van het uitzendbeding, zoals blijkt uit een uitspraak uit 2020 van de Rechtbank Noord-Holland. De zaak betrof een geschil tussen een uitzendbureau en -werknemer. In de uitzendovereenkomst was geen uitzendbeding opgenomen, maar wel een (andere) ontbindende voorwaarde. De uitzendovereenkomst was gekoppeld aan een opleidings- en stageovereenkomst. De ontbindende voorwaarde kwam erop neer dat de overeenkomst eindigde van rechtswege als de stage- of opleidingsovereenkomst eindigde. Toen het stagebedrijf de stageovereenkomst voortijdig beëindigde, beriep het uitzendbureau zich op het einde van rechtswege van de arbeidsovereenkomst. Volgens de rechtbank was het intreden van de ontbindende voorwaarde niet gebaseerd op een objectieve grond, aangezien dit afhankelijk was van de subjectieve wil van het stagebedrijf als materiële werkgever. De werkgever verweerde zich vervolgens door de vergelijking te maken met het wettelijk gefaciliteerde uitzendbeding, waarbij formeel en materieel werkgeverschap uit elkaar worden gehaald. Daarop overwoog de rechtbank dat het uitzendbeding en de ontbindende voorwaarde twee verschillende rechtsfiguren zijn die niet over één boeg gegooid dienen te worden. Een ontbindende voorwaarde is immers voor onbepaalde tijd geldig en het uitzendbeding biedt de uitzendkracht in beginsel na 26 weken rechtsbescherming, zo concludeerde de rechtbank.1