Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.5.6:2.5.6 Grondwet 1848: verdere uitbreiding van de bevoegdheden van het parlement
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.5.6
2.5.6 Grondwet 1848: verdere uitbreiding van de bevoegdheden van het parlement
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bannier 1935, p. 394-397.
Met de Grondwetswijziging van 1983 hebben wel wijzigingen plaatsgevonden, maar dit betroffen voornamelijk redactionele wijzigingen.
Zie verder over de (politieke) ministeriële verantwoordelijkheid paragraaf 2.5.8.
In de Grondwetten van 1814, 1815 en 1840 werd nog gesproken van ‘inwilliging’ door het parlement.
Artikel 107 Grondwet 1848.
Artikel 90 Grondwet 1848.
Artikel 89 Grondwet 1848.
Artikel 76 Grondwet 1848.
Artikel 78 Grondwet 1848.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grondwetswijziging van 1840 bleek te beperkt voor het parlement. De veroverde macht van het parlement op de regering kwam onvoldoende tot uiting in de Grondwet. Na een mislukte poging tot het wijzigen van de Grondwet via een initiatiefvoorstel van de ‘Negenmannen’, eind 1844, bleek de Koning Willem II in 1847 toch bereid tot een grondwetswijziging. In september 1848 werd ingestemd met de regeringsvoorstellen.1
De omvang van het budgetrecht en de rol van het parlement in de staatsfinanciën werden met de grondwetswijziging van 1848 wederom uitgebreid. Tot op heden is het grondwettelijk budgetrecht zoals neergelegd in de Grondwet van 1848 niet meer wezenlijk veranderd.2 Daarnaast werd ook de politieke ministeriële verantwoordelijkheid neergelegd in artikel 53.3
De positie van het parlement ten aanzien van de staatsfinanciën werd versterkt doordat de jaarlijkse begroting werd ingevoerd. Die bovendien alle uitgaven van het Rijk diende te bevatten en ook de middelen tot dekking aanwees. Voor het eerst kwam duidelijk het legaliteitsbeginsel naar voren: de begroting werd bij wet vastgesteld (artikel 119 Grondwet 1848).4 Het recht om veranderingen aan te brengen in de begroting met de invoering van het recht van amendement5 voor de Tweede Kamer betekende ook een uitbreiding van het budgetrecht. Daarnaast werd de Tweede Kamer uitgerust met het recht van enquête.6 Het recht op inlichtingen werd voor beide Kamers neergelegd in de Grondwet.7 Het directe (census) kiesrecht werd ingevoerd voor de verkiezingen van de Tweede Kamer.8 De leden van de Eerste Kamer werden niet meer aangewezen door de Koning maar werden gekozen door de Provinciale Staten.9
In artikel 122 Grondwet 1848 werd vermeld dat er jaarlijks verantwoording moest worden afgelegd over de uitgaven en de inkomsten aan de hand van de door de Algemene Rekenkamer goedgekeurde rekening. Er werd nog niet gesproken van verantwoording aan de Staten-Generaal, maar verantwoording moest worden afgelegd aan de wetgevende macht. Pas met de grondwetswijziging van 1983 is wetgevende macht vervangen door Staten-Generaal. Met artikel 122 Grondwet 1848 werd uiting gegeven aan het repressieve stelsel – de Algemene Rekenkamer zou de uitgaven achteraf controleren, waarop de ministers (comptabele) verantwoording zouden afleggen over de rekening aan de wetgevende macht. Een strijd die het parlement bij de totstandkoming van de Instructiewet van 1841 – die uiting gaf aan het preventieve stelsel – nog hadden verloren, zie paragraaf 2.5.6. De Instructiewet van 1841 bleef echter van kracht waardoor de Grondwet en de Instructiewet elkaar tegenspraken. In de praktijk bleef het preventieve stelsel functioneren, tot de totstandkoming van de Comptabiliteitswet van 1927, zie paragraaf 2.7.