Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.4.5
2.4.5 Naar een dienende overheid
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685342:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Ippel 2020, onder 1.
Zie uitgebreid Huisman & Jak 2021 en bijv. Esser & Becker 2021 die betogen dat maatwerk de regel zou moeten zijn. Dit maatwerk kan plaatsvinden op het niveau van de individuele beschikking, de algemene uitvoeringspraktijk of de onderliggende wettelijke regelingen.
In de literatuur wordt het vertrouwensbeginsel dan ook veelvuldig in verband gebracht met de gewijzigde opvattingen in het bestuursrecht waarin kort gezegd meer aandacht is voor de individuele burger. Zie bijv. Slump 2019, onder 9.3; Ippel 2020 onder 4; Giezeman & Jak 2020; Huisman & Jak 2021, onder 4.4 en Ortlep 2020b. Schlössels 2020 heeft dit burgerperspectief terecht ongrijpbaar genoemd en vraagtekens geplaatst bij de praktische uitwerking van het begrip. Schlössels, Hermans & Theunisse 2021 zijn onder 1 ook kritisch over de haalbaarheid: “Een empathisch ingesteld bestuur stelt de mens centraal en handelt niet vanuit de abstractie dat er één ‘standaardburger’ bestaat met bijbehorende verantwoordelijkheden. Deze discussie is van groot belang, maar zij zal de bestaande praktijk en de dominante bestuurscultuur niet eenvoudig doorbreken.” Zij wijzen op de diepgewortelde instrumentele houding van de overheid, aanhoudende digitalisering die een zakelijke afstandelijkheid schept, en niet geslaagde experimenten van maatwerk. Van Ommeren 2018 wijst erop dat een wijziging van perspectief slechts mogelijk is ‘in vele kleine stapjes, geleidelijk aan’ (onder 1).
Van Ippel 2020. Hij wijst er onder 2 op dat dit begrip al in 1989 door M. Scheltema werd geïntroduceerd maar sindsdien in de vergetelheid is geraakt. Eerder heeft Damen 2006 geschreven over het nut van ‘de wederkerige rechtsbetrekking’. Hij heeft kritiek op de asymmetrische verhouding tussen burger en openbaar bestuur. Zie onder andere Damen 2018b. In Damen 2015 onderzoekt hij in hoeverre voor bestuursorganen een plicht bestaat om een burger te dienen, actief adequate informatie te verstrekken. Hij concludeert dat we nog ver verwijderd zijn ‘van een dienend bestuur dat actief, adequate, juiste, algemene en individuele informatie verstrekt aan burgers’ (p. 445). Vgl. de conclusie van A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2020:486 over een zorgplicht van de overheid in belastingzaken.
Zie ook Schlössels & Schutgens 2022b, p. 640 die indringender toetsen aan het vertrouwensbeginsel door de bestuursrechter als kandidaat noemen voor versterking van de rechtsbescherming van de burger.
M. Scheltema 2015, onder ‘De responsieve rechtsstaat’.
M. Scheltema 2018.
M. Scheltema 2019a, par. 7.
Conclusie van A-G’s Widdershoven en Wattel 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468 (De evenredigheidstoets in het bestuursrecht), onder 3.2.
Voor zowel vertrouwen ontleend aan toezeggingen als aan inlichtingen, is de huidige aandacht voor de dienstverlening door de overheid en de kwaliteit van de bestuursrechtspraak relevant. In de literatuur is gewezen op digitalisering, complexe regelgeving en een bestuurscultuur die ervoor zorgen dat communicatie tussen overheid en burger stroef verloopt.1 In het bijzonder naar aanleiding van de toeslagenaffaire is opnieuw gevraagd om meer aandacht voor ‘het burgerperspectief’ en ‘maatwerk en responsiviteit’.2 In hoofdstuk 6 komt aan de orde dat een nadruk op het burgerperspectief ook in verband is gebracht met de toepassing van het vertrouwensbeginsel.3 De achterliggende reden voor kort gezegd meer aandacht voor de belangen van de burger bij de toepassing van het bestuursrecht wordt wel gevonden in het beginsel van de dienende overheid.4 Bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel door de bestuursrechter bestaan mogelijkheden om te komen tot een vanuit de burger bezien meer dienende overheid die past binnen ‘de responsieve rechtsstaat’.5
Scheltema omschrijft de responsieve rechtsstaat (als tegenstelling met de bureaucratische rechtsstaat) als volgt:
“Een responsieve rechtsstaat zou ik willen omschrijven als een rechtsstaat waarin de burger ervaart dat het bij de rechtsstaat om hem te doen is. In de rechtsstaat is de overheid een dienende overheid. Dat betekent niet dat de burger altijd krijgt wat hij wil – ook de burger begrijpt dat hij niet beter behandeld kan worden dan zijn buurman – maar het betekent wel dat hij merkt dat hij serieus wordt genomen.”6
De responsieve rechtsstaat richt zich op de burger ‘zoals die echt bestaat’.7 Scheltema meent dat een interne-juridische argumentatie ‘niet de doorslag [mag] geven wanneer die niet aan een burger is uit te leggen’.8
Widdershoven en Wattel schrijven in hun conclusie over de evenredigheidstoets in het bestuursrecht dat responsieve rechtspraak concrete rechtvaardigheid beoogt die ook wordt ervaren door de betrokken justitiabele.
“In het responsieve recht is de rechter geen grensrechter, maar een burgervriendelijke scheidsrechter die procedurele rechtvaardigheid realiseert.”9
De aanbevelingen die ik in het vijfde deel doe tot een toepassing van het vertrouwensbeginsel met meer oog voor het burgerperspectief bestaande uit rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming passen binnen deze bredere tendens in het bestuursrecht.