Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.5.1
7.5.1 Bescherming tegen ‘verhoogd gevaar’ als grondgedachte
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303966:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Par. 2.4.
Art. 6.3.15 O.M., zie Parl. gesch. Boek 6, p. 742. Later werd de aansprakelijkheid tot roerende zaken beperkt en gelegd op de bezitter (art. 6:173) of bedrijfsmatige gebruiker (art. 6:181).
Parl. gesch. Boek 6, p. 741. Zie ook reeds par. 7.1.
Parl. gesch. Boek 6, p. 733-734. Zie ook par. 2.3.
Parl. gesch. Boek 6, p. 734.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 743-747.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6-8; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 2-3 en 12.
Parl. gesch. Boek 6, p. 744-745.
Zie ook par. 6.6.4.3.
Parl. gesch. Boek 6, p. 734-735.
Art. 6.3.14 O.M. met een bijzondere aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen werd overigens bij de MvA geschrapt, omdat de materie geacht werd op het terrein van Boek 8 te liggen. Parl. gesch. Boek 6, p. 782.
De tekst van lid 1 van art. 6:175 spreekt van het ontplofbaar, oxyderend, ontvlambaar of giftig zijn.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1388; Kamerstukken II 1991/92, 21202, 9, p. 7.
HR 24 februari 1984, NJ 1984/415, m.nt. Van der Grinten (Bardoel/Swinkels); Parl. gesch. Boek 6, p. 763. Recenter is Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4170 (Gestald paard), r.o. 3.5.
Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 2-3. In dezelfde zin is Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6.
Art. 6:181 legt de kwalitatieve aansprakelijkheid voor de in art. 6:173, 174, 179 bedoelde zaken bij degene die een bedrijf uitoefent, en is gekoppeld aan het ‘gebruik’ van deze zaken.1 Eerder in dit boek heb ik de diverse argumenten voor ‘kwalitatieve aansprakelijkheid’ al de revue laten passeren.2 Voor wat betreft de kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken (art. 6:173, 174, 179 en 181) schuilt de kern in de gevaartheorie. In het eerste ontwerp-NBW werd de algemene aansprakelijkheid voor zaken ook al gelegd op de ‘gebruiker’ daarvan.3 Deze aansprakelijkheid zag blijkens de toelichting op ‘gevaarlijke’ zaken. Dat bij de invulling van het gebruiksbegrip de gevaartheorie (‘Wanneer begint het gevaar groter te worden?’) een centrale rol innam, verbaast dan ook niet.4 Het fundament in die richting was al gelegd met de vraagpuntenprocedure (‘Vraagpunt 15’) die vooraf ging aan het destijds nieuw te ontwerpen BW. Hieruit bleek dat een ‘bijzondere’ aansprakelijkheid voor ook andere ‘gevaarlijke voorwerpen’ dan een motorrijtuig in beweging wenselijk werd geacht.5 Wel gaf de vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit de Tweede Kamer ten tijde van de vraagpuntenprocedure aan dat de term ‘gevaarlijke voorwerpen’ nadere verklaring verdient en aan de hand van een ‘meer aanvaardbare term’ zou moeten worden omschreven, want:6
‘Er zijn immers voorwerpen, die ook zonder gebruik door de rechthebbende reeds gevaarlijk zijn (springstoffen, vuurwapenen, sommige dieren) en andere gelijk vervoermiddelen, eerst wanneer zij worden gebruikt. Bij de laatste dient de bijzondere aansprakelijkheid eerst aangenomen te worden, wanneer zij in beweging zijn; men vergelijke artikel 31, lid 1 (waarmede op een weg wordt gereden), en artikel 31, lid 6 (in beweging), der Wegenverkeerswet.’ (curs. AK)
De wetgever bleek hier gevoelig voor: er werd niet gekozen voor een algemene aansprakelijkheid voor als ‘gevaarlijk’ te omschrijven zaken of gekoppeld aan gevaarlijke activiteiten (die al of niet met behulp van zaken worden verricht), maar voor een aansprakelijkheid voor een aantal specifiek omschreven zaken die om uiteenlopende redenen een ‘bijzonder’7 of ‘verhoogd’8 gevaar opleveren. Te weten zaken die gevaarlijk zijn omdat zij ‘gebrekkig’ zijn of om andere reden een verhoogd gevaar opleveren.9 Met de eerste categorie wordt gedoeld op de in art. 6:173 en 174 opgenomen roerende zaken en opstallen. In de laatste categorie vallen de in art. 6:175 bedoelde gevaarlijke stoffen, de in art. 6:179 genoemde dieren en ook de in art. 185 WVW bedoelde motorrijtuigen.10 Motorrijtuigen zijn volgens de toelichting ‘gevaarlijk’ zodra zij in beweging zijn,11 ook wel het Betriebsgefahr – de combinatie van massa en snelheid – genoemd.12 Bij gevaarlijke stoffen schuilt het gevaar niet in een gebrek van de stof, maar in eigenschappen die de stof naar haar aard juist behoort te hebben13 wil zij aan de daaraan te stellen eisen voldoen.14 Voor dieren schuilt het gevaar in de eigenschappen die deze als levend wezen nu eenmaal hebben, namelijk de eigen energie en het onberekenbare element dat daarin ligt opgesloten.15 Nadat de art. 6:173, 174 en 179 in 1992 al tot wet waren verheven, werd in 1995 art. 6:175 nog toegevoegd aan afd. 6.3.2 BW. Bij die gelegenheid werd nog eens gewezen op de achtergrond van al deze aansprakelijkheden:16
‘Deze grondgedachte komt erop neer dat de billijkheid vergt dat degene die bezitter, bedrijfsmatige gebruiker of bijv. vervoerder is van een objekt dat een bron van verhoogd gevaar oplevert, in het geval dat dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk behoort te zijn jegens hen die daarvan het slachtoffer worden.’ (curs. AK)
Voorts werd in de toelichting op de Aanvullingswet 1995 bevestigd dat het gaat om aansprakelijkheden voor ‘objecten’ die om verschillende redenen een ‘verhoogd gevaar’ opleveren: de in art. 6:173 en 174 bedoelde zaken zijn gevaarlijk wanneer zij gebrekkig zijn, terwijl de in art. 6:175 en 179 bedoelde stoffen en dieren naar hun eigen aard gevaarlijk zijn.17