Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/4.3.0
4.3.0 Introductie
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377015:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 9 juli 2004, NJ 2004, 621. In dit arrest heeft de Hoge Raad het vonnis van de Rechtbank Alkmaar gecasseerd. De rechtbank heeft ten onrechte het op grond van art. 36 EEX-Verdrag ingediende verzet tegen de exequaturverlening op een Duitse beslissing ingevolge art. 989 lid 1 Rv niet-ontvankelijk verklaard. Art. 989 lid 1 Rv bepaalt dat tegen de beschikking van de rechtbank waarbij een verlof tot tenuitvoerlegging conform art. 985 e.v. Rv is verleend, geen verzet ingesteld kan worden. Ingevolge art. 989 lid 2 Rv dient tegen deze beschikking hoger beroep bij het gerechtshof te worden ingesteld.
HR 5 maart 2002, NJ 2004, 170 (PV). Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34 sub 1, aant. 1.
Zie paragraaf 3.6.6.
Zie Vlas in de NJ onder HR 5 maart 2002. Zie ook Stadler (1999, p. 45) die vaststelt dat een dergelijke gang van zaken reeds onder het EEX-Verdrag werd toegepast. Door het niet aanwenden van een rechtsmiddel in de staat van herkomst van de beslissing, verliest de verweerder zijn 'bevoegdheid' om zich op de openbare orde in de staat van tenuitvoerlegging te beroepen.
Kamerstukken II 2001/02, 28 263, nr. 3, p. 6 (MvT). Opmerkelijk is dat op p. 3 van de memorie van toelichting vermeld staat dat de wederpartij (lees: partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verzocht, MZ) tegen de tenuitvoerlegging in een executiegeschil kan opkomen. Mijns inziens is bij de procedure op het rechtsmiddel ingesteld door de wederpartij nog geen sprake van een executiegeschil.
Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies betreffende het voorstel van wet tot uitvoering van de verordening nr. 44/2001 (uitvoeringswet EG-executieverordening), 19 oktober 2001, nr. 2. Het advies is te raadplegen op http://www.justitie.nl.
Kamerstukken II 2001/02, 28 263, nr. 3, p. 7 (MvT).
NJ 2004, 362. Dit arrest speelt nog onder de werking van het EEX-Verdrag. De overwegingen van de Hoge Raad ten aanzien van de toepasselijkheid van art. 69 Rv in een verzetprocedure ex art. 36 EEX-Verdrag blijven ook gelden onder de werking van de EEX-Verordening.
Kamerstukken II 197071,11 154 (R 775), nr. 5, p. 7 (MvT).
A-G Strikwerda heeft in zijn conclusie bij dit arrest geconcludeerd tot het stellen van een prejudiciƫle vraag over de uitleg van art. 37 EEX-Verdrag dat bepaalt dat de verzetprocedure van art. 36 EEX-Verdrag op tegenspraak wordt gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat art. 69 Rv tot vertraging van de tenuitvoerlegging kan leiden en dat zich een probleem kan voordoen indien een wisselbepaling als art. 69 Rv in het nationale procesrecht van een andere verdragsstaat niet voorkomt.
Kamerstukken II 2001/02, 28 263, nr. 3, p. 7 (MvT).
Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, nr. 2.
In het EEX-Verdrag werd het rechtsmiddel dat ingesteld kon worden door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, in de Nederlandse tekst van het verdrag aangeduid als verzet, hetgeen niet fraai is, aangezien er in de eerste fase van exequaturverlening geen sprake van een verstekprocedure maar van een eenzijdige procedure.
Zie ook Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, nr. 2.
Overeenkomstig art. 43 lid 1 EEX-Vo kan elke partij een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek tot exequaturverlening. Nu overeenkomstig art. 2 lid 1 Uitvoeringswet bij de EEX-Verordening de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de exequaturverlening niet van toepassing zijn, dient ook de vraag welk rechtsmiddel tegen de exequaturverlening resp. tegen de afwijzing van de exequaturverlening ingediend kan worden, aan de hand van de EEX-Verordening en de bijbehorende bijlagen te worden beantwoord.1
Slechts in het kader van de rechtsmiddelprocedure kan aan de weigeringsgronden van art. 34 en 35 EEX-Vo worden getoetst. De rechter mag in de eerste fase van de exequaturprocedure ingevolge art. 41 EEX-Vo niet ambtshalve tot een toetsing aan de weigeringsgronden overgaan. Een vraag rijst of de rechter in het kader van een rechtsmiddelprocedure ambtshalve de weigeringsgronden mag aanvullen. Mag de rechter de exequaturverlening alsnog op basis van de openbare orde weigeren, hoewel de verzoeker (slechts) een beroep op een andere weigeringsgrond heeft gedaan? De verordening heeft tot doel de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen te vereenvoudigen. Eveneens is het de bedoeling de mogelijkheden te beperken die aan een schuldenaar ter beschikking staan om in grensoverschrijdende gevallen de tenuitvoerlegging van een beslissing te traineren. Hierin past mijns inziens ook dat de rechter het exequatur slechts intrekt op de gronden die door de schuldenaar worden aangevoerd. Deze benadering is in overeenstemming met een verdere uitbreiding van het beginsel van wederzijds vertrouwen in elkaars rechtspraak, zoals door de verordening wordt beoogd. Dit leidt echter tot een wijziging ten opzichte van het EEX-Verdrag waaronder de rechter ambtshalve bevoegd is aan de weigeringsgronden te toetsen. Dit betekent dat de rechter onder het verdrag de weigeringsgronden ambtshalve mag aanvullen.2
Onder het Nederlands-Oostenrijks Executieverdrag is de vraag aan de orde gekomen of in de fase van de erkenning en tenuitvoerlegging een beroep op de openbare orde als een weigeringsgrond voor de erkenning van een buitenlandse beslissing kan worden gedaan, ofschoon in de staat van herkomst een rechtsmiddel tegen de beslissing aangewend had kunnen worden. De Hoge Raad heeft overwogen dat indien iemand bewust de kans voor het instellen van een rechtsmiddel in de staat van herkomst voorbij laat gaan, hij ter afwering van de erkenning van de beslissing in Nederland om die reden geen beroep op de openbare orde kan doen.3 Mijns inziens dient hetzelfde ook ten aanzien van de EEX-regeling te gelden, ofschoon art. 34 sub 1 EEX-Vo niet vermeldt dat de weigeringsgrond 'openbare orde' slechts van toepassing is indien de rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst zijn uitgeput. Dit in tegenstelling tot art. 34 sub 2 EEX-Vo dat de weigering van de erkenning van een beslissing op basis van deze bepaling niet toestaat, indien de verweerder tegen de te erkennen beslissing in de lidstaat van herkomst geen rechtsmiddel heeft aanwend, terwijl hij daartoe in staat was.4 De beperkte toepassing van de openbare orde in de staat van tenuitvoerlegging vloeit mijns inziens ook uit de omstandigheid dat deze weigeringsgrond slechts als een laatste redmiddel toegepast mag worden.5
Het EEX-Verdrag bevat een aparte regeling voor de procedure van verzet - dat is de procedure die door de partij tegen wie het exequatur is verleend kan worden ingesteld (vgl. art. 37 EEX-Verdrag) -, en voor de procedure die ten dienste aan de verzoeker staat indien het verzoek tot uitvoerbaarverklaring werd afgewezen. Het moge duidelijk zijn, dat onder de verordening de verzoeker zeer zelden een rechtsmiddel zal moeten toepassen, nu er bijna nooit sprake is van een weigering van de exequaturverlening, maar slechts van een niet-verlening wegens het ontbreken van bepaalde formaliteiten die alsnog aangevuld kunnen worden, dan wel wegens het ontbreken van de uitvoerbaarheid die alsnog kan intreden. Uit de memorie van toelichting bij de Nederlandse Uitvoeringswet bij de EEX-Verordening vloeit voort dat onder de term 'partij' in de zin van art. 43 lid 1 EEX-Vo slechts de in het certificaat genoemde personen dienen te worden verstaan. Andere personen kunnen in een executiegeschil tegen de (feitelijke) tenuitvoerlegging opkomen.6
Art. 43 lid 3 EEX-Vo bepaalt dat de rechtsmiddelprocedure volgens de regels op tegenspraak wordt behandeld. De Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht heeft geadviseerd deze procedure volgens de regels van de verzoekschriftprocedure te laten lopen. Dit zou ertoe leiden dat de gehele exequaturprocedure als een verzoekschriftprocedure zou verlopen. Het feit dat de verordening voorschrijft dat de rechtsmiddelprocedure volgens de regels op tegenspraak wordt behandeld, betekent naar mening van de Staatscommissie nog niet dat er dwingend gebruik moet worden gemaakt van een dagvaardingsprocedure. Het is immers mogelijk dat ook een verzoekschriftprocedure een contradictoire procedure wordt.7 Het rechtsmiddel wordt echter op grond van art. 4 lid 2 Uitvoeringswet volgens de regels voor de dagvaardingsprocedure ingesteld. De Adviescommissie burgerlijk procesrecht was van mening dat de wet ter voorkoming van verwarring dient te bepalen dat de rechtsmiddelprocedure door een dagvaarding moet worden ingeleid.8
In het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004 is de vraag gerezen of art. 69 Rv in de fase van de rechtsmiddelprocedure toegepast kan worden, indien de wederpartij het rechtsmiddel niet bij een dagvaarding instelt maar bij een verzoekschrift.9 Ingevolge art. 69 Rv beveelt de rechter de aanlegger van een procedure die ingeleid is met een 'onjuist' gedinginleidende stuk, het stuk te verbeteren of aan te vullen. De procedure is dan echter aanhangig vanaf het moment van het instellen van het oorspronkelijke stuk. In het voorliggende geval heeft de rechtbank de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is toegestaan, niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet ex art. 36 EEX-Verdrag, aangezien het verzet bij een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding is ingesteld. Overeenkomstig de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet bij het EEX-Verdrag wordt de verzetprocedure van art. 36 EEX-Verdrag overeenkomstig de bepalingen voor de dagvaardingsprocedure gevoerd.10 De Hoge Raad overweegt dat de herstelmogelijkheid van art. 69 Rv niet als een extra rechtsmiddel kan worden beschouwd noch als een procesincident dat afbreuk zou doen aan het doel van de procedure in de EEX-regeling. Eveneens wijst de Hoge Raad erop dat nu het EEX-Verdrag geen eisen aan de verzetprocedure stelt, het nationale procesrecht van toepassing is. Derhalve is de Hoge Raad van mening dat art. 69 Rv wel verenigbaar is met de regeling van de verzetprocedure uit het EEX-Verdrag.11 Mijns inziens doet art. 69 Rv geen afbreuk aan de exequaturregeling in het EEX-Verdrag. Indien de rechts-middelprocedure met een 'onjuist' stuk is ingeleid, zal de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is toegestaan, bij het ontbreken van een met art. 69 Rv vergelijkbare regeling in het nationale procesrecht het verzet opnieuw moeten instellen zonder dat de verzettermijn van drie maanden gestuit is. Het betreft in casu niet de verenigbaarheid van de regeling van art. 69 Rv met de EEX-regeling, maar de verenigbaarheid van art. 69 Rv met de Nederlandse Uitvoeringswet.
Het arrest van de Hoge Raad illustreert juist het tegendeel van hetgeen door de Adviescommissie burgerlijk procesrecht ten aanzien van art. 4 lid 2 Uitvoeringswet bij de EEX-Verordening is opgemerkt.12 De Adviescommissie heeft gesteld dat nu de rechtsmiddelprocedure een contradictoir karakter moet hebben, deze om verwarring te voorkomen met een dagvaarding moet worden ingeleid. Het arrest van de Hoge Raad pleit mijns inziens ervoor dat art. 4 lid 2 overeenkomstig het advies van de Staatscommissie wordt aangepast. Teneinde geen 'knik' in de exequaturprocedure te bewerkstelligen moet ook het rechtsmiddel van art. 43 EEX-Vo bij een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding worden ingesteld.13
In art. 4 lid 1 Uitvoeringswet bij de EEX-Verordening is bepaald dat het rechtsmiddel van art. 43 lid 1 EEX-Vo ingesteld dient te worden bij de rechtbank van welke de voorzieningenrechter over het verzoek tot exequaturverlening heeft beslist. De Staatscommissie heeft ervoor gepleit om niet alleen het rechtsmiddel ingesteld door de verzoeker maar tevens het rechtsmiddel van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, bij het gerechtshof onder te brengen.14 De wetgever volgt echter het advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht. De rechtsmiddelprocedure heeft in grote mate het karakter van een eerste inhoudelijke behandeling en dient derhalve aan de rechtbank te worden voorgelegd.
Het feit dat er voor het instellen van het rechtsmiddel gekozen is voor de rechtbank, zou kunnen suggereren dat het rechtsmiddel ingesteld door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, vergelijkbaar is met het rechtsmiddel van verzet ex art. 143 Rv. Deze conclusie is mijns inziens onjuist. De verordening creƫert een eigen systeem waarbij ook geen benaming voor het rechtsmiddel zelf wordt aangegeven. Eveneens kan niet worden gezegd dat de eerste fase van de exequaturprocedure een verstekprocedure is, aangezien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, niet wordt opgeroepen.15
De keuze voor de rechtbank voor behandeling van beide rechtsmiddelen lijkt mij niet evident.16 Doordat de voorzieningenrechter onderdeel van de rechtbank uitmaakt, zou men aan de onpartijdigheid van de rechtbank kunnen twijfelen. Daarom is in andere lidstaten, bijvoorbeeld Duitsland, ervoor gekozen om een hogere instantie aan te wijzen. Hierdoor wordt elke schijn van partijdigheid weggenomen.
De EEX-Verordening bepaalt in art. 43 lid 5 dat het rechtsmiddel tegen de exequaturverlening door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, binnen een maand na de betekening daarvan aan deze partij moet worden ingesteld. Indien deze partij woonachtig is in een andere lidstaat dan die waar het exequatur is gegeven, wordt deze termijn op twee maanden gesteld vanaf de eerste dag dat de beslissing aan deze partij in personam dan wel aan haar woonplaats is betekend. Is deze partij woonachtig in een niet-lidstaat, dan geldt een termijn van een maand.