Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.4
4.4 Fiscaal-juridische beschouwingen over een economisch waardebegrip
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344307:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
J.Ch. Caanen, Verplichte winstneming bij hogere lagere bedrijfswaarde ondanks bestemmingswijziging, Weekblad 1994/ 6089, 3 februari 1994, blz. 170.
Ta.p., blz. 171.
HR 8 juli 1992, nr. 27 678, met conclusie A-G Moltmaker, BNB 1992/298 met noot van G.J. van Leijenhorst.
Functionele veroudering kan bij onroerende zaken bijvoorbeeld optreden onder invloed van verkeersproblemen. Het telewerken wordt gestimuleerd om mede daarmee het fileprobleem op te lossen. Daardoor zal de kantooromgeving in de toekomst er heel anders uitzien en is er bovendien waarschijnlijk veel minder kantoorruimte nodig. Door de introductie van nieuwe bouwwijzen treedt er ook technologische veroudering op.
T.a.p., blz. 171-172.
Dit brengt hem tot het pleidooi om door middel van een wettelijke bepaling waardering van een activum op lagere bedrijfswaarde uit te sluiten.
Een poging om vanuit de bedrijfseconomie tot een berekening van de bedrijfswaarde te komen, heeft Caanen1 aan de hand van het voorbeeld van een machine ondernomen. Hij verlaat daarbij het uitgangspunt van de overnemingswaarde van de gehele onderneming en kiest voor een bedrijfswaardebenadering op individuele basis. Caanen hanteert bij zijn bepaling van de bedrijfswaarde van een individueel activum het begrip indirecte kostprijswaarde. Hij bedoelt daarmee de waarde die afgeleid wordt uit de lagere kostprijs en die bereikt zou kunnen worden door het gebruik van een economisch meer doelmatig vervangend actief.
`Stel, de "oude" machine heeft een boekwaarde van f 45 000. De resterende levensduur is vier jaar en de restwaarde bedraagt f 5000. De afschrijvingen per jaar bedragen dan f 10 000. De capaciteit is 10 000 producten per jaar, de afschrijvingskosten per stuk bedragen f 1. De gemiddelde variabele kosten zijn f 1,50 per stuk. De kostprijs bedraagt f 2,50.
De "nieuwe machine", met een levensduur van tien jaar, een restwaarde van f 10 000 en een capaciteit van 12 000 stuks, kost f 100 000. De afschrijvingskosten per stuk zijn dan f 0,75. De gemiddelde variabele kosten zijn f 1,25 per stuk. De kostprijs bedraagt f 2. Na gelijkstelling van de kostprijs en vermindering met de gemiddelde variabele kosten van de "oude" machine, resteert er voor afschrijving op de "oude machine" f 0,50. Per jaar is dat f 5000 en voor de resterende levensduur f 20 000. De lagere bedrijfswaarde bedraagt dan f 25 000.'
Caanen's methode is interessant. Terecht2 stelt hij dat zijn indirecte kostprijs-waardemethode tot voordeel heeft, dat er sprake is van een waardering die abstraheert (en derhalve onafhankelijk is) van de grillen van de verkoopmarkt van het eindproduct. In zijn berekening zijn de opbrengsten op de verkoopmarkt niet relevant, doch is de door hem berekende waarde van de machine puur afgestemd op de technische ontwikkeling daarvan. Deze ontwikkeling ziet Caanen slechts in één richting verlopen, dat wil zeggen hij is van mening dat vanuit kostentechnisch gezichtspunt een bepaalde jaargang machines bij de successievelijk opvolgers steeds verder achterop zal raken. Daardoor kan de indirecte opbrengstwaarde volgens hem alleen maar verder dalen. Elke daling is als gevolg daarvan definitief en een realiteit waaraan niet meer te tornen is. Afwaardering van het activum op lagere bedrijfswaarde is daarmee in overeenstemming met het realiteitsbeginsel (als onderdeel van goed koopmansgebruik). De methode van Caanen is enerzijds te ruim en anderzijds te eng, dat wil zeggen: te ruim omdat ook met (ver)oude(rde) machines nog aanzienlijke winsten kunnen worden behaald en een lagere bedrijfswaarde van de machines zodoende niet voor de hand ligt; te eng omdat de kostprijswaardemethode niet toegepast kan worden op situaties zoals bij Billiton/Veendam3 waarbij sprake was van een aperte mis-investering in de industriële sector.
Bovendien is het laatste deel van Caanen's berekening moeilijk navolgbaar. Resumé: De jaarlijks door de 'oude machine' geproduceerde 10 000 stuks kunnen door de 'nieuwe machine' f 0,50 per stuk goedkoper (is f 5000 goedkoper) worden geproduceerd. Op basis van een resterende levensduur van vier jaar levert dit volgens Caanen in jaar 1 meteen een afwaarderingsverlies wegens lagere bedrijfswaarde op van 4 x f 5000 = f 20 000. Waarom neemt Caanen in één keer een afwaarderingsverlies van f 20 000 en niet een lagere waardering wegens lagere bedrijfswaarde van f 5000 van jaar tot jaar? En in hoeverre wordt het gehele afwaarderingsverlies wegens lagere bedrijfswaarde van f 20 000 door de bedrijfsuitoefening van jaar 1 opgeroepen? De ondernemer heeft toch van jaar tot jaar de mogelijkheid om tot vervanging van zijn verouderde machine over te gaan. Bovendien legt Caanen geen relatie tussen de afwaardering en de winstgevendheid van de onderneming als geheel. Misschien is de onderneming wel winstgevend en zou nog winstgevender kunnen zijn door het inzetten van een modernere machine. Rechtvaardigt dit een afwaardering van een machine op lagere bedrijfswaarde? Mijns inziens niet. Ook moet worden opgemerkt dat de benadering van Caanen is toegespitst op technologische veroudering terwijl er categorieën van bedrijfsmiddelen zijn waarbij het verouderingsproces niet of in mindere mate een rol speelt, zoals bijvoorbeeld bij onroerende zaken4.
Caanen memoreert in zijn voorbeeld met geen woord het aspect dat de productiviteit van de 'nieuwe machine' jaarlijks 2000 stuks hoger ligt in vergelijking met die van de 'oude machine'. Dit echter is een factor die in het kader van de bedrijfswaardeproblematiek niet mag worden genegeerd.
Caanen5 erkent dat bij de door hem aangedragen specifieke bedrijfswaarde-bepaling (op basis van de indirecte kostprijswaarde) subjectieve of willekeurige elementen (zoals de 'normale bezetting') niet kunnen worden vermeden6. Alles overziende komt hij tot de conclusie dat er geen eenduidige (door de bedrijfseconomie of het fiscale recht ingegeven) objectieve regels ter bepaling van de overnemingswaarde van een onderneming bestaan of te bedenken zijn.