Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2:5.7.2 Artikel 4.6 § 1, 2° BBW: automatisch onwaardig bij feiten met de dood tot gevolg en de dader is overleden voor schuldigbevinding
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.2
5.7.2 Artikel 4.6 § 1, 2° BBW: automatisch onwaardig bij feiten met de dood tot gevolg en de dader is overleden voor schuldigbevinding
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859250:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 13 en 28-29 en Barbaix 2018, p. 429.
EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206, m.nt. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië). Zie hierover nader par. 2.2.3.5.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15. Vgl. ook Boone, Not.Fisc.M. 2013/4, p. 105 en Casman 2013, p. 11-12.
Casman 2013, p. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede onwaardigheidsgrond is ingevoerd in 2012 en ziet op dezelfde strafbare feiten als de eerste onwaardigheidsgrond. Het grote verschil is dat bij deze tweede grond de dader niet meer schuldig kan worden bevonden door de strafrechter, omdat hij voor of tijdens het strafproces is overleden. Aanleiding voor de invoering van deze grond betreft de situatie van een familiedrama. Bijvoorbeeld een echtgenoot die zijn vrouw doodt en vervolgens zelfmoord pleegt.1 Dit heeft veel weg van de zaak de Roemeense erflater waarin een man zijn vrouw om het leven brengt en daarna zelfmoord pleegt. Een strafrechtelijke veroordeling kon daarom niet volgen.2 Artikel 4.6 § 1, 2° BBW is echter niet beperkt tot dit geval. Het overlijden van de dader kan ook een geheel andere oorzaak hebben. De wetgever acht het maatschappelijk onaanvaardbaar als de dader, mededader of medeplichtige de erflater opzettelijke ombrengt of een poging onderneemt daartoe en vervolgens toch diens nalatenschap kan verkrijgen, omdat een schuldigbevinding niet kan volgen wegens zijn overlijden. De verkrijging van de dader komt dan terecht bij zijn erfgenamen ten koste van de erfgenamen van het slachtoffer. Deze onwenselijke situatie is met deze nieuwe regel uitgesloten.3
Tijdens de parlementaire behandeling is bij deze onwaardigheidsgrond veel aandacht besteed aan drie vraagstukken: 1) of de schuld van dergelijke strafbare feiten na het overlijden nog wel vastgesteld kan worden, 2) wat als de feiten zijn verjaard? en 3) wie kan de onwaardigheid op deze grond vorderen?4 Deze vraagstukken komen in de volgende paragrafen nader aan de orde. Eerst zal echter kort worden stilgestaan bij de poging, mededader en medeplichtige.
5.7.2.1 Poging, mededader en medeplichtige5.7.2.2 Schuld vaststellen na overlijden5.7.2.3 Verjaarde strafbare feiten5.7.2.4 Op vordering van de procureur des Konings5.7.2.5 Euthanasie5.7.2.6 Onwaardigheid van rechtswege