Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.4.1
1.4.1 Rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en een gelijk Europees speelveld
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268349:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Met open (vage) normen wordt bedoeld dat de voorwaarden die moeten zijn vervuld alvorens de toezichthouder gebruik kan maken van zijn (handhavings-)bevoegdheden, vaag zijn omschreven. Principle-based- regelgeving zou kunnen worden aangeduid als regelgeving waar veel gebruikgemaakt wordt van open normstellingen, zie V.P.G. de Serière, ‘Luiheid, opportunisme, of wijsheid? Principle based regelgeving in het financiële recht’, Ondernemingsrecht 2008/29, p. 99. Ook in het civiel recht wordt gebruik gemaakt van vage normen. Van Schilfgaarde noemt onder meer de normen goede trouw, redelijkheid en billijkheid. De term “vage normen” is hiervoor een gebruikelijke aanduiding. In “een meer welwillende benadering” kan, aldus Van Schilfgaarde, van open normen worden gesproken (P. van Schilfgaarde, ‘Vage normen’, WPNR 1993, afl. 6078, p. 61).
Vergelijk de wijze waarop getoetst wordt of de betrouwbaarheid buiten twijfel staat van personen die zich rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten en van hun leidinggevenden, art. 13a, tweede lid Bpr Wft en art. 28, tweede lid, BGfo Wft.
In het strafrecht volgt dit beginsel uit art. 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), art. 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), art. 16 Grondwet (Gw) en art. 1 Strafrecht (Sr). Zie ook Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, p. 85-86.
Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 3.3 tweede lid (“Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, worden niet gebruikt). Zie ook aanwijzing 5.1, eerste lid (“Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd”).
Zie EHRM 24 april 1990, ECLI:NL:XX:1990:AD5851, r.o. 30 (Kruslin & Huvig), NJ 1991/523 m.nt. E.J. Dommering. Het ging in deze zaak om een inbreuk op het recht op privéleven door het afluisteren van telefoongesprekken.
Zie EHRM 25 mei 1993, ECLI:CE:ECHR:0525JUD001430788, r.o. 40, (Kokkinakis/Griekenland): “The Court has already noted that the wording of many statutes is not absolutely precise. The need to avoid excessive rigidity and to keep pace with changing circumstances means that many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague.”
Zie HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954, r.o. 3.4 en 3.5, en, in dezelfde bewoordingen, CBb 22 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV6713, r.o. 4.3.
V. de Serière, ‘Lex certa vs. lex obscura’, Ondernemingsrecht 2013/19, afl. 3, par. 3-8. Zie over het spanningsveld tussen open normen en het bepaalbaarheidsgebod ook H.E. Bröring & E.M. van Vorselen, ‘Lex certa en het financieel bestuursrecht’, JBplus 2013, afl. 3, p. 102-128 en J. Black, ‘Forms and paradoxes of principles-based regulation’, Capital Markets Law Journal 2008, afl. 4, p. 426.
Het gelijkheidsbeginsel wil dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate waarin zij verschillen. Het betreft een ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur. Zie Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 322 e.v.
Zie de rapportages van prof. Scheltema (Kamerstukken II, 2009/10, 31 371, nr. 319 en Kamerstukken II, 2010/11, 32 432, nr. 14). De Nederlandse toezichthouders hebben sindsdien en met het oog op het convergeren van hun toetsingspraktijken, de onderlinge samenwerking en kennisdeling geïntensiveerd (zie Hoofdstuk 2, par. 2.3.1 en 2.3.2).
Ook Binder signaleert dat de open normen op het gebied van personentoetsingen kunnen leiden tot uiteenlopende interpretaties in de verschillende lidstaten, zie J.H. Binder,’Corporate governance of financial institutions. In need of cross-sectoral regulation’, in: D. Busch, G. Ferrarini & G. van Solinge (red.), Governance of financial institutions, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 29.
Vergelijk art. 26 (interne markt), 49 t/m 55 (vestiging) en 56 t/m 62 (diensten) VWEU.
A. de Moor-van Vugt, Buiten twijfel. De bestuurderstoets in de financiële regelgeving (oratie Amsterdam UvA), Amsterdam: Vossiuspers UvA 2010.
M.J.C. Somsen, ‘Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing betrouwbaar?’, FR 2005, afl. 3, p. 67-69.
Zie bijvoorbeeld G.P. Roth, ‘Compliance, een illusie? Over de kenbaarheid van de norm’, in: M. Jurgens & R. Stijnen (red.), Compliance in het financieel toezichtrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 85-96 en G. Roth & J. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Beschouwingen vanuit de theorie én de praktijk’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (red.), Jaarboek Corporate Governance 2015-2016, Deventer: Kluwer 2017, p. 87 en 88.
Zie R. Stijnen, ‘(Her)toetsing van geschiktheid en betrouwbaarheid’, in: D.R. Doorenbos & M.J.C. Somsen (red.), Onderneming en sanctierecht. Handhaving van financieel toezichtrecht, in het bijzonder onder de Wft en de Pw (Serie Onderneming en Recht, deel 76), Deventer: Kluwer 2013, p. 360 en 361. De toezichthouders beschikken over (subjectieve) beoordelingsruimte en dit maakt, volgens Stijnen, dat niet zonder voorafgaande beoordeling van de toezichthouder kan worden opgetreden. Een boete is pas mogelijk wanneer, bijvoorbeeld, de vergunning is geweigerd of ingetrokken vanwege een negatief oordeel over de beleidsbepalers, maar de instelling zijn activiteiten niet staakt, indien een aanwijzing die ertoe strekte dat een ongeschikte of onbetrouwbare (mede)beleidsbepaler werd heengezonden niet wordt opgevolgd of indien een door de toezichthouder afgewezen bestuurder toch is benoemd. Andere (reparatoire) maatregelen zijn zijns inziens wel toegestaan. Ook C.A. Hage stelt dat het, met het oog op art. 7 EVRM, beter is om in plaats van een overtreding van open normen te beboeten te werken met aanwijzingen, informele gesprekken en lasten onder dwangsom (zie C.A. Hage, Handhaving van privaatrecht door toezichthouders (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2017, onder meer besproken in WPNR 2018, afl. 7205, p. 654-656).
Zie bijvoorbeeld C.M. Grundmann-van de Krol, ‘Beperkingen op de organisatievrijheid van financiële ondernemingen als gevolg van toezichtswetgeving’, Ondernemingsrecht 2005, afl. 62; C.M. Grundmann-van de Krol, Kredietcrisis en financiële regelgeving (CPO Extra Serie), Nijmegen: Drukkerij Efficiënt 2010, p. 44-51; en C.M. Grundmann-van de Krol & I. van der Klooster, Koersen door de Wet op het financieel toezicht. Deel I- Algemene nationale en Europese aspecten, toezicht en handhaving, Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 153 e.v.
B. Bierman en C.A. Doets, ‘The SSM: legal hurdles in practice and the 2015 Annual Report’, FR 2016, afl. 6, p. 228.
Zie bijvoorbeeld Grundmann-van de Krol, die aangeeft dat open normen leiden tot rechtsonzekerheid bij financiële instellingen die zich aan de normen dienen te houden, en dat dit temeer geldt wanneer deze normen strafrechtelijk of bestuursrechtelijk gehandhaafd worden. Dit vergt dat de betrokken toezichthouder informatie –richting- geeft teneinde bij het toezicht en de handhaving van de open normen het risico van willekeur te vermijden (C.M. Grundmann-van de Krol, Kredietcrisis en financiële regelgeving (CPO Extra Serie), Nijmegen: Drukkerij Efficiënt 2010, p. 44-51). Ook Bröring en Van Vorselen geven aan voorstander te zijn van nadere invulling van open normen door de toezichthouder, zie H.E. Bröring & E.M. van Vorselen, ‘Lex certa en het financieel bestuursrecht’, JBplus 2013, afl. 3, p. 125. In diezelfde zin Van Tuyll, die aangeeft dat, hoezeer het gebruik van open normen voordelen kent, het soms op de weg van de toezichthouder ligt om nadere invulling aan het voorschrift te geven ten behoeve van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Dit speelt temeer als overtreding van het voorschrift kan worden bestraft met een bestuurlijke boete (C.F.J. van Tuyll, ‘Enkele AFM-boetebesluiten er zake van overkreditering langs de lat van het bepaalbaarheidsgebod’ O&F, 2012/20, afl. 2, p. 32).
Zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 3, p. 3 en 6. DNB en de AFM hebben hieraan gevolg gegeven door het opstellen van de Beleidsregel Geschiktheid. Zie Hoofdstuk 2, par. 2.2.2.
De Nederlandse wetgever overwoog dat de open norm “geschiktheid” het mogelijk maakt dat toezichthouders adequaat reageren op ontwikkelingen in de financiële sector en een individuele onderneming. Voor de toezichthouders en ondernemingen bieden open normen de mogelijkheid om op de organisatie toegepaste eisen aan bestuurders en commissarissen te kunnen stellen. Doelstelling van deze open norm is dat de norm wordt toegepast op een wijze die afhankelijk is van het concrete geval (Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 6, p. 1 en Kamerstukken II, 2010/2011, 32 786, nr. 3, p. 3). Tegelijkertijd heeft de wetgever oog gehad voor het spanningsveld tussen dergelijk flexibele normstellingen en de rechtszekerheid. Zie Kamerstukken II, 2010/11, 32 786, nr. 6, p. 1: “Er kunnen ook nadelen kleven aan het hanteren van een open norm, zoals eventuele interpretatieverschillen tussen de toezichthouders en ondernemingen die niet goed weten hoe de toezichthouder omgaat met deze open normen. Doordat de toezichthouders middels hun gezamenlijke beleidsregel nadere duiding geven aan de norm wordt dit risico evenwel beperkt.”
Zie ook T.C.A. Dijkhuizen & V.Y.E. Caria, ‘De invulling van financieelrechtelijke open normen in een meerlagige rechtsorde’, in: BW-krant Jaarboek 2013, deel 28, Deventer: Kluwer 2013, p. 109-121.
De ruimte van financiële instellingen om de open normen zelf in te kleuren is afhankelijk van de bedoeling van de wetgever en zal per norm verschillen. Deze ruimte zal kleiner zijn naarmate de wetgever heeft bedoeld om discretionaire bevoegdheden toe te kennen aan de toezichthouder voor het invullen van de norm. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de woorden “naar het oordeel van de toezichthouder”, of, minder expliciet, uit de parlementaire geschiedenis. Zie P.J. Huisman & N. Jak, ‘Beslissingsruimte: handvatten voor de rechterlijke toetsingsintensiteit’, NTB 2019/20, afl. 5, par. 2.1 en 3.4 en F. de Vries, ‘Hoe kan principles-based regelgeving bijdragen aan goed toezicht?’, TvCo 2013, p. 344-345.
C.M. Grundmann-van de Krol, Kredietcrisis en financiële regelgeving (CPO Extra Serie), Nijmegen: Drukkerij Efficiënt 2010, p. 44-51.
Zie bijvoorbeeld V.P.G. de Serière, , ‘Luiheid, opportunisme, of wijsheid? Principle based regelgeving in het financiële recht’, Ondernemingsrecht 2008/29, p. 99 en V.P.G. de Serière & B. Jennen, ‘De betekenis van ‘soft law’ in de financiële toezichtwetgeving’, Ondernemingsrecht 2017/143.
Zie F. de Vries, ‘How can principles-based regulation contribute to good supervision?’, in A.J. Kellermann, J. de Haan & F. de Vries (red.), Financial supervision in the 21st century, Heidelberg: Springer 2013, p. 165 e.v, met een uitgebreide verhandeling over de voor- en nadelen van open normen en de spanning tussen open normen en de roep om rechtszekerheid.
Zie voor wat betreft de legitimiteit van Europese soft law en de richtsnoeren van de ESA’s: par. 1.3.3.
Open normen
Zo wordt in de toetsingsregelgeving, zowel in Europese als in Nederlandse wetgeving, gebruik gemaakt van algemeen geformuleerde normen zoals “een goede reputatie en integriteit”, “eerlijk”, “passende ervaring”, “onafhankelijkheid van geest”, “voldoende tijd”, “een voldoende brede waaier van ervaring”, “betrouwbaarheid buiten twijfel” of “geschikt in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming”. Waar in de wet gebruik wordt gemaakt van dergelijke begrippen wordt wel gesproken van open normen of “vage” normen, en van principle-based regelgeving.1 Hoewel ook bij financiële (kwantificeerbare) risico’s sprake kan zijn van interpretatiekwesties geldt dit voor de beoordeling of wordt voldaan aan genoemde vage normen, in versterkte mate. Financiële instellingen, betrokken personen en toezichthouders binnen en buiten Nederland kunnen de open geformuleerde normen steeds op een andere wijze opvatten en toepassen.
Het gaat bovendien veelal om eigenschappen van personen, “psychologische constructen” die zich lastig laten operationaliseren (valideren) of op een betrouwbare wijze laten meten (in de zin dat verschillende beoordelaars tot dezelfde uitkomsten concluderen). Hoe dient bijvoorbeeld een begrip als betrouwbaarheid juridisch te worden gedefinieerd? Is de afwezigheid van strafrechtelijke veroordelingen voldoende? Of het kunnen overleggen van een verklaring omtrent het gedrag, plus afwezigheid van betrokkenheid bij faillissementen?2 Of heeft het begrip een “diepere” betekenis, en gaat het ook om gedragingen zoals het nakomen van afspraken, het juist en volledig informeren van de toezichthouders en het op een verantwoordelijke wijze optreden in de beroepsuitoefening in bredere zin? De Nederlandse wetgever heeft voor dit laatste gekozen. Ook een begrip als ervaring/geschiktheid is in Nederland breed ingevuld. Niet alleen kennis en (werk-)ervaring zijn relevant, maar ook professioneel gedrag, voldoende beschikbare tijd en aspecten zoals onafhankelijkheid. Lidstaten buiten Nederland kunnen de relevante criteria echter, daar waar de open geformuleerde Europese normen hiervoor ruimte bieden, op een andere wijze in de nationale wet- en regelgeving hebben geïmplementeerd.
Rechtszekerheid
Vanuit juridisch perspectief roept het gebruik van open (vage) normen vragen op over de rechtszekerheid (lex certa-beginsel). Kunnen instellingen en de te toetsen personen vooraf weten aan welke normen zij zich hebben te houden? Uit het legaliteitsbeginsel volgt dat een voorschrift dat door bestuurlijke sancties wordt gehandhaafd, voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn (art. 5:4, tweede lid Awb). Dit wordt ook wel of het lex certa-beginsel of het bepaalbaarheidsgebod genoemd.3 In de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt het gebruik van woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, verboden.4
Het EHRM eist in dit verband dat wet- en regelgeving voldoet aan de eisen van “accessibility” en “foreseeability”: de burger moet toegang kunnen hebben tot het geschreven of ongeschreven recht (toegankelijkheid) en dit recht moet rechtsnormen van voldoende precisie bevatten zodat de burger er met voldoende zekerheid zijn gedrag op kan afstemmen (voorzienbaarheid).5 Deze eisen wegen zwaarder naarmate de maatregel ingrijpender van aard is of wanneer er fundamentele rechten in het geding zijn. Tegelijkertijd erkent het EHRM dat het gebruik van open normen soms onvermijdelijk is.6 Ook de Nederlandse hoogste rechters hebben in (strafrechtelijke) jurisprudentie de noodzaak van open normen erkend, met dien verstande dat het lex certa-beginsel verlangt dat de wetgever de verboden gedragingen zo duidelijk mogelijk omschrijft. Van professionele marktdeelnemers mag, anderzijds, worden gevraagd dat deze zich terdege laten informeren over de beperkingen waaraan hun gedragingen zijn onderworpen.7 De Serière ziet in deze jurisprudentie een zekere afzwakking van het lex certa-beginsel, al blijft het buitengewoon moeilijk om vast te stellen waar de grenzen van de “geoorloofde vaagheid” worden overschreden en het legaliteitsbeginsel geweld wordt aangedaan.8
Rechtsgelijkheid en level playing field
In het verlengde van het vraagstuk van de rechtszekerheid ligt het vraagstuk van de rechtsgelijkheid.9 Wordt de toets steeds op dezelfde wijze uitgevoerd, en verstaat de ene toezichthouder hetzelfde onder de wettelijke termen als de andere toezichthouder? In het verleden hebben zich op dit punt interpretatieverschillen voorgedaan tussen DNB en de AFM.10 Maar de vraag is ook in Europees perspectief relevant. Passen de toezichthouders in de verschillende lidstaten de gestelde eisen op dezelfde wijze toe?11 Een van de doelstellingen van de EU is het bevorderen van een geïntegreerde interne markt waarbij marktdeelnemers, ongeacht de lidstaat van herkomst of vestiging, aan dezelfde verplichtingen, normen en regels zijn gebonden (level playing field).12 Wanneer financiële instellingen in de ene lidstaat aan andere toetsingsregelgeving worden onderworpen en/of een andere toezichtpraktijk dan in de andere lidstaat, wordt, bedoeld of onbedoeld, dit beginsel van een Europees gelijk speelveld doorkruist. Daarbij komt dat bij het uitvoeren van de toets een zekere mate van subjectiviteit in de selectie, weging en beoordeling van de feiten niet lijkt te kunnen worden uitgesloten (“professional judgement”). Ook dit heeft gevolgen voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en de voorspelbaarheid van de uitkomst van de toets.
Kritisch op het punt van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid zijn bijvoorbeeld De Mohr van Vugt,13 Somsen,14 Roth15 en Stijnen. Stijnen meent zelfs dat het legaliteitsbeginsel zich ertegen verzet dat toezichthouders, wanneer zij constateren dat niet (langer) aan de betrouwbaarheids- of geschiktheidseisen wordt voldaan, instellingen “rechtstreeks” kunnen beboeten.16 Het (gebrek aan een) Europees level playing field wordt onder meer aangekaart door Grundmann-van de Krol17 en Bierman en Doets.18
Invullen van open normen in beleidsregels en richtsnoeren
Om aan deze knelpunten tegemoet te komen hebben de Nederlandse en Europese toezichthouders beleidsregels en richtsnoeren opgesteld om de open normen nader te duiden en te concretiseren. Beoogd wordt hiermee duidelijkheid te geven aan de markt en een consistente uitvoeringspraktijk te bevorderen. In de literatuur wordt een dergelijke nadere invulling door de toezichthouder in zijn algemeenheid als toelaatbaar en, ter voorkoming van rechtsongelijkheid en willekeur, als wenselijk beschouwd.19 Het nader uitwerken van de geschiktheidsnorm was zelfs een nadrukkelijke opdracht van de Nederlandse wetgever aan DNB en de AFM.20
Dit leidt echter op zichzelf tot nieuwe dilemma’s. Daar waar de wetgever heeft gekozen voor principle based-regelgeving, is het niet de bedoeling dat toezichthouders de normen vervolgens geheel en al “dichttimmeren”. Het te strak invullen van de norm leidt de facto tot rule-based toezicht op principle based-regelgeving en dat gaat in tegen de bedoeling van de wetgever. Het open karakter van de normen, met als voordeel dat de normen flexibel zijn en duurzaam en niet steeds aan de snel veranderende omstandigheden op de financiële markten hoeven te worden aangepast, dient behouden te blijven. Het werken met open normen maakt het mogelijk om op maat toegesneden eisen te stellen. Dit was voor de Nederlandse wetgever bijvoorbeeld een expliciete overweging ten aanzien van de open norm “geschiktheid”.21 Ook wordt met het gebruik van open normen een beroep gedaan op de betrokkenheid van de instellingen zelf bij het invullen en uitwerken van de normen. Gesproken wordt wel van doelregelgeving: de normadressaat moet zelf zorgen voor het bereiken van het doel. Een al te strikte invulling van de norm door de toezichthouders zou instellingen deze interpretatievrijheid ontnemen.22 De ruimte van financiële instellingen om de open normen zelf in te vullen zal overigens kleiner zijn naarmate de wetgever heeft bedoeld om de toezichthouder discretionaire bevoegdheden toe te kennen tot het nader inkleuren en interpreteren van de norm.23
Dit spanningsveld tussen de voordelen van het gebruik van open normen enerzijds en de gewenste rechtszekerheid en rechtsgelijkheid anderzijds, wordt onder meer beschreven door Grundmann-van de Krol,24 De Serière25 en De Vries.26 Zij merken voorts op dat nationale beleidsregels en Europese soft law kan leiden tot “pseudo-wetgeving”, regels die in de praktijk als dwingend worden ervaren terwijl de democratische legitimiteit ervan ontbreekt.27