Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.4:6.6.4 Verjaring
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.4
6.6.4 Verjaring
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648732:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aangezien verjaring op grond van art. 3:307 BW vaker voorkomt dan verjaring op grond van art. 3:306 BW, wordt de verjaring op grond van art. 3:307 BW ook wel aangemerkt als de algemene bepaling inzake verjaring en wordt art. 3:306 BW als een species beschouwd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Boek 3 BW geeft een aantal grondslagen voor de verjaring van opeisbare vorderingen.1 De algemene verjaringsgrondslag is geregeld in artikel 3:306 BW. Daarnaast zijn er een aantal specifieke bepalingen opgenomen in artikel 3:307 BW en verder.2 De belangrijkste consequentie van dit onderscheid houdt verband met de verjaringstermijn. Is de grondslag voor de verjaring gelegen in artikel 3:306 BW, dan geldt de algemene verjaringstermijn en die bedraagt twintig jaar. Die termijn geldt, tenzij in de bijzondere bepalingen een afzonderlijke termijn is voorgeschreven. Voor veel verbintenissen geldt dat een afzonderlijke verjaringstermijn is voorgeschreven. In de meeste van die gevallen bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar.