Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.1.1.2
1.1.1.2 De krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting: de last tot oprichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232321:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De last die ik hier bedoel is de testamentaire last uit artikel 4:130 BW. Ten aanzien van de terminologie het volgende. Vaak wordt in de wet de term ‘testamentaire last’ gebruikt (bijvoorbeeld artikel 4:130 BW). Deze terminologie wordt echter niet strikt toegepast. Zo wordt op diverse plaatsen eenvoudigweg van ‘last’ gesproken (bijvoorbeeld artikel 4:210 BW). Ik zal hierna steeds de term ‘last’ gebruiken als algemene term, tenzij ik specifiek verwijs naar de regeling uit afdeling 4.5.3 BW.
Duynstee 1978, p. 33 noemt dit de ‘gewone last’, Asser/Rensen 2-III 2017/320 gebruikt de term ‘uitdrukkelijke last’.
Ook door Duynstee 1978, p. 33 al ‘conversielast’ genoemd en door Polak 1956, p. 86 ‘wettelijke conversie’.
In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de vraag bij welke uiterste wil een stichting opgericht kan worden.
Hiervoor merkte ik op, dat de oprichting van een stichting bij uiterste wilsbeschikking, een uiterste wilsbeschikking van eigen aard is. Hoewel ook de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting het levenslicht ziet op grond van een in een uiterste wil opgenomen beschikking, betreft het geen uiterste wilsbeschikking van eigen aard, maar een last.1 De last tot oprichting van een stichting. De lastbezwaarde is gehouden een stichting op te richten. Het gevolg hiervan is dat een dergelijke stichting per definitie pas wordt opgericht na het overlijden van de erflater, zodat niet wordt voldaan aan de bestaanseis voor makingen van artikel 4:56 BW.
Als de last tot oprichting slechts één verschijningsvorm had, zou deze waarschijnlijk niet tot veel vragen aanleiding geven. Dat is echter niet het geval. De last tot oprichting van een stichting kan namelijk door de erflater zelf zijn opgelegd, in dat geval zal de uiterste wilsbeschikking ook als last zijn bedoeld. Als de erflater de last zelf heeft opgelegd (artikel 4:130 BW), spreek ik hierna van de directe last.2 De wetgever heeft echter ook voorzien in een bijzondere last, de conversielast.3 Van de conversielast is sprake als de oprichting bij uiterste wilsbeschikking niet is gelukt omdat de uiterste wil niet in de voorgeschreven vorm is opgemaakt. De wet converteert dan de ongeldige beschikking tot oprichting van een stichting in een last tot oprichting van de stichting.4 De conversielast is geregeld in artikel 4:135 lid 2 BW.
Het verschil tussen de directe last en de conversielast is van dusdanig belang dat het gewenst is, nog voordat de onderzoeksvraag wordt geformuleerd, deze beide vormen van de last nader te onderzoeken.
1.1.1.2.1 De directe last tot oprichting van een stichting (artikel 4:130 BW)1.1.1.2.2 De conversielast tot oprichting van een stichting (artikel 4:135 lid 2 BW)