Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.2.3.4
4.2.3.4 Belangenconflict en belangenafweging
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661248:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, p. 6-7 gaat ook in op de afweging van belangen. Volgens hem is het ook ‘in belangrijke mate een rechtspolitieke kwestie, waarover de opvattingen in de loop der tijd kunnen veranderen’. Zie ook Gribnau 1998, p. 286.
Vgl. A-G Ilsink in zijn conclusie bij HR 17 augustus 1998, nr. 33395, BNB 1999/225, punt 2.25: ‘De jurisprudentie van Uw Raad inzake (…) het vertrouwensbeginsel geeft blijk van (…) belangenafweging: het belang dat de wet (waaruit de belastingschuld voortvloeit) wordt toegepast (legaliteitsbeginsel) wordt afgewogen tegen het belang dat de fiscus zich aan zijn woord houdt (vertrouwensbeginsel) (…)’). Over het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zie Happé 1996, p. 94, 109-112, ‘Het beginsel dat de belastingschuld rechtstreeks uit de wet voortvloeit en het beginsel dat vertrouwen dat door toedoen van de fiscus is veroorzaakt, bescherming verdient’); Gorissen 2008, par. 2.2. en Pauwels 2009, p. 177.
Zie Happé 1996, o.a. p. 111; Pauwels 2009, hoofdstuk 8.
Happé 1996, p. 111.
Of zoals Staatsraad A-G Wattel in zijn conclusie van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.7 dat ‘huiselijk’ formuleert: ‘wie krijgt de gebakken peren? In grote lijnen zijn er steeds drie kandidaten: de ene burger of het ene bedrijf, de andere burger of het andere bedrijf, en de belastingbetaler, namelijk: (i) de burger die vertrouwde op achteraf onjuist en/of ongeautoriseerd blijkende uitlatingen van overheidsdienaren (niet-honorering: lex dura, sed lex), (ii) de derden die last hebben van honorering van het vertrouwen (nakoming), of (iii) de vertrouwen wekkende overheid (vergoeding van de schade van de fidens of van derden), dus de belastingbetaler.’
Vgl. conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.1; Scheltema in NJ 1979/533, punt 7; Gorissen 2008, p. 130-131; Vgl. Niessen 2012, par. 5.11.
Tot slot verdient bij de vertrouwensleer het aspect van de belangenafweging aandacht.1 Bij toepassing van het vertrouwensbeginsel doet zich een belangenconflict voor: enerzijds het belang dat de Belastingdienst zich aan zijn woord houdt (vertrouwensbeginsel) en anderzijds het belang van toepassing van de wet (legaliteitsbeginsel).2 In het belang van de strikte wetstoepassing liggen (sub)belangen besloten (rechtsgelijkheid, rechtszekerheid), net zoals in het belang van de bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen (rechtszekerheid, dat zowel een algemeen als individueel belang is).3 Genoemde belangen zijn in zeker opzicht onverenigbaar, omdat zij (deels) tegenover elkaar staan.4
In het belastingrecht, zoals bij de inkomstenbelasting, is sprake van een financiële tweepartijenrelatie tussen burger en Belastingdienst. Daardoor beperkt de belangenafweging zich bij toepassing van het vertrouwensbeginsel zich in principe tot twee met elkaar strijdende belangen. Daarmee wijkt het belangenconflict in het belastingrecht van oudsher af van andere delen van het algemene bestuursrecht, waarbij de rechter in de regel rekening moet houden met de belangen van derden (zoals omwonenden) bij de toetsing van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.4.2 en 4.5.2). In het algemene bestuursrecht, zoals bij het omgevingsrecht, moet bij een beroep op het vertrouwensbeginsel niet alleen rekening worden gehouden met (a) het individu aan wie een toezegging is gedaan en (b) het algemeen belang dat de wet wordt toegepast, maar moet daarnaast rekening worden gehouden met (c) de belangen van derden (bijvoorbeeld de buurman die hinder kan ondervinden van een verminderd uitzicht bij het gedogen van een hogere schuur dan rechtens toegestaan).5
Nu in het belastingrecht in principe geen andere, rechtstreekse (derde)belangen zijn betrokken, stuit honorering van gewekt vertrouwen in het algemeen op minder bezwaren dan in het bestuursrecht.6Er hoeft niet apart nog een belangenafweging te worden gemaakt als gevolg waarvan aan nakoming van de gerechtvaardigde verwachtingen andere belangen (zoals derdenbelangen) in de weg kunnen staan. Dat verklaart waarom de belastingrechter geen aparte, zichtbare, belangenafweging maakt, naast die van het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel.