Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.2.5
3.2.5 Strafmaximum
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715415:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 1989b, p. 174-175.
Ullmann 1941, p. 62, voetnoot 1. Naar mate het Romeinse recht aan invloed verliest en lokale (Germaanse) wetgeving belangrijker wordt, bestendigt dan ook de opvatting dat poging minder zwaar moest worden bestraft dan het voltooide delict (Ullmann 1941, p. 62-64. Zie voor Frankrijk: Von Bar 1916, p. 284-285).
Strijards 1995, p. 14-15; Kamerstukken II 1939/40, 323, nr. 5, p. 12. Zie ook: Buiting 1965, p. 27, 30 en 31; Pompe 1959, p. 7.
Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 19. Zie ook: Strijards 1995, p. 90.
Strijards 1995, p. 89-90. Inhoudelijk leidt dat overigens niet tot andere uitkomsten.
Strijards 1995, p. 90.
In 1985 stelde de wetgever nog dat de strafmaat van samenspanning in het commune strafrecht de helft lager behoorde te zijn dan de maximumstraf op het voltooide delict (Kamerstukken II 1985/86, 16813 (R 1165), nr. 8, p. 28). Nu echter de strafmaxima van de grondfeiten sinds 1985 zijn verhoogd, terwijl de strafmaat van samenspanning gelijk is gebleven, geldt tegenwoordig dat het strafmaximum van samenspanning in het commune strafrecht doorgaans twee derde lager ligt dan de maximumstraf op het voltooide delict (zie bijvoorbeeld: artikel 96 lid 1 jo. 92, 93, 94, 95 en 95a Sr; artikel 103 jo. 102 Sr en artikel 114b jo. 108 lid 2 Sr; artikel 120b jo. 115 lid 2 en 117 lid 2 Sr; artikel 122 jo. 121 Sr; artikel 282c jo. 282b Sr). In sommige gevallen is de daling echter (veel) kleiner, bijvoorbeeld van 12 of 15 jaar naar 10 jaar (zie bijvoorbeeld: artikel 114b jo. 108 lid 1 Sr; artikel 120b jo. 115 lid 1 en 117 lid 1 Sr). De verlaging van de maximumstraf met twee derde geldt tegenwoordig overigens – op een enkele uitzondering na – ook in het Militaire Strafrecht (zie bijvoorbeeld: artikel 90 lid 1 jo. 84, 85, 87 lid 2 WMSr, artikel 103 lid 1 jo. 102 WMSr, artikel 121 lid 1 jo. 120 WMSr, artikel 129 lid 1 jo. 128 WMSr). Bij een enkel delict wordt daar de samenspanning echter even zwaar gestraft als het voltooide delict (zie artikel 77 lid 2 WMSr). De wetgever wilde in 1985 de maximumstraf voor samenspanning in het Militaire Strafrecht ook verlagen van een derde naar de helft van de straf op het voltooide delict om daarmee aan te sluiten bij de destijds geldende strafvermindering in het commune strafrecht en om tot uitdrukking te brengen dat de samenspanner minder ver is gekomen dan de poger (Kamerstukken II 1985/86, 16813 (R 1165), nr. 8, p. 26-28).
Strijards 1995, p. 15 en 100.
Kamerstukken II 1955/56, 4141, nr. 3, p. 11-12, 17 en 21. Kamerstukken II 1957/58, 4141, nr. 10, p. 8.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1955/56, 4141, nr. 8, p. 5. De commissie Anneveldt adviseerde dan ook in 1982 al om de strafverlaging bij poging ook in het jeugdstrafrecht van toepassing te maken, nu er volgens de commissie geen reden was om op dit punt af te wijken van het volwassenenstrafrecht (Anneveldt e.a. 1982, p. 14 en 58). De wetgever wilde daar echter niet in meegaan (Kamerstukken II 1992/93, 21327, nr. 13, p. 8).
De terughoudendheid die binnen een liberaal strafrecht moet worden betracht bij strafbaarheid in de voorfase uit zich bij voorkeur niet alleen in de inperking van de reikwijdte van de strafbaarheid, maar ook in de strafmaat.1 Binnen een op het gevolg georiënteerd strafrecht ligt het voor de hand dat de voorfase van een strafbaar feit minder zwaar moet worden bestraft dan het voltooide delict.2 Materiële wederrechtelijkheid is daarbinnen een gradueel begrip: een gedraging is in meer of mindere mate materieel wederrechtelijk, afhankelijk van het belang van het beschermde rechtsgoed en de mate waarin daarop een inbreuk is gemaakt. Deze graduele aard van de wederrechtelijkheid komt tot uitdrukking in de (maximum)straf.3 Door de strafmaxima bij voorbereiding en poging in vergelijking met het voltooide delict te verlagen, houdt de wetgever rekening met het lagere (objectieve) wederrechtelijkheidsgehalte van de poging en de voorbereiding, die immers vanuit liberaal oogpunt slechts een afgeleide is van het voltooide delict en dus per definitie lager is.4 Bovendien krijgt daarmee in gevallen van eendaadse samenloop vervolging voor poging voorrang op vervolging voor voorbereiding (artikel 55 lid 1 Sr).5 Al zou het mijns inziens systematisch fraaier zijn om voor deze situatie de regeling voor de voortgezette handeling te gebruiken (artikel 56 lid 1 Sr).6 In ieder geval wordt de strafbaarheid van voorbereiding geabsorbeerd door de poging als de voorbereider een begin van uitvoering bereikt.7
Omdat strafwaardigheid in de voorfase vanuit liberaal perspectief dus een afgeleide is van de strafwaardigheid van het voltooide grondfeit, ligt het voor de hand om het strafmaximum bij voorfasedelicten relatief te maken aan het strafmaximum dat op het grondfeit staat. Zo is het strafmaximum bij poging en voorbereiding inderdaad een derde respectievelijk de helft lager dan het strafmaximum dat staat het voltooide grondfeit. Ook bij samenspanning en zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen zou dat vanuit liberaal oogpunt eigenlijk het geval moeten zijn. Het relateren van de strafmaat aan de straf op het grondfeit heeft als belangrijkste voordeel dat als de strafmaat voor het grondfeit wordt aangepast, de strafmaat van de voorfasedelicten automatisch mee verandert. Dat voorkomt merkwaardige verhoudingen tussen de strafdreiging die staat op het voltooide delict, samenspanning, poging en voorbereiding. Gelet op de systematiek van de strafmaxima bij poging (een derde lager) en voorbereiding (de helft lager) zou het voor de hand liggen om de maximumstraf bij samenspanning twee derde lager te leggen dan het voltooide misdrijf. Het commune strafrecht is daar momenteel ook al grotendeels mee in overeenstemming.8
Op grond van artikel 77gg lid 1 Sr geldt de strafvermindering bij poging en voorbereiding overigens niet in het jeugdrecht: daar worden poging en voorbereiding even zwaar bestraft als het voltooide delict.9 De wetgever wijdt aan die keuze voor afwijking van de gebruikelijke systematiek opvallend weinig woorden, maar benadrukt vooral dat de kinderrechter – binnen de grenzen van de uniforme algemene strafmaxima in het jeugdstrafrecht – de volledige vrijheid moet krijgen om de straf af te stemmen op het kind, gelet op wat pedagogisch verantwoord is.10 Vanuit liberaal oogpunt kan die redenering deze keuze echter evident niet dragen.11 Ook in het jeugdrecht zou daarom eigenlijk de gebruikelijke strafvermindering voor poging en voorbereiding van toepassing moeten zijn.