Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.2.1
3.2.1 Formele en materiële wederrechtelijkheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715527:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cleiren 2005, p. 120-121; Rutgers 1992, p. 227-228; Strijards 1988, p. 12-13; Machielse 1979, p. 26; Hulsman 1972, p. 87.
Van Woensel meent dat het beginsel van staatsmachtbeperking vooral iets zegt over het soort gedraging dat strafwaardig (lees: wederrechtelijk) is (Van Woensel 1993, p. 12). Van Woensel reageert daarmee op Strijards, die het beginsel van staatsmachtbeperking behandelt in het kader van het daadstrafrechtbeginsel (Strijards 1988, p. 12-13 en 15). Mijns inziens hebben beiden auteurs gelijk, in die zin dat (vanuit liberaal oogpunt) vrijwel ieder beginsel (mede) tot doel heeft staatsmacht te beperken.
Rutgers 1992, p. 227-228 en 232. Zie ook: Strijards 1988, p. 12-13; Machielse 1979, p. 25.
Lindenberg 2007, p. 84.
Cleiren 2005, p. 120-121; Rutgers 1992, p. 227-228 en 234; Burkens 1989, p. 65-66 en 68-69; Strijards 1988, p. 12-13; Peters 1986, p. 33-34; Krey 1983, p. 19; Van Eikema Hommes 1980, p. 162; Dupont 1979, p. 49; Bos 1971, p. 4; Pompe 1959, p. 49; Burkens 1989, p. 65-66 en 68; Machielse 1979, p. 26; Hulsman 1972, p. 87. Rechtszekerheid zegt nog maar weinig over de aard en inhoud van het recht waarover zekerheid bestaat (Burkens 1989, p. 65; Wieland 1978, p. 207. Vgl. ook: Pompe 1945, p. 45). Een voorbeeld vormen de Arische rassenwetten van Nazi-Duitsland, die – voor zover mij bekend – aan het legaliteitsbeginsel voldeden, zodat de daarin strafbaar gestelde gedragingen formeel wederrechtelijk waren (Rutgers 1992, p. 228; Burkens 1989, p. 65). In het Report on Decriminalisation wordt terecht opgemerkt dat er verrassend weinig wordt nagedacht over de grenzen van de bevoegdheid van de staat om gedragingen strafbaar te stellen, terwijl tegelijkertijd het totalitarisme vrijwel unaniem wordt verworpen en het EVRM ook bepaalde rechten erkent waar de staat geen inbreuk op mag maken (Report on Decriminalisation 1980, p. 58). Vgl. ook: Burkens 1989, p. 63.
Maris 2011a, p. 284; Mousourakis 1998, p. 59-60; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 37-38; Rutgers 1992, p. 232 en 234; Dupont 1979, p. 49-53; Hulsman 1972, p. 90-91; Packer 1969, p. 265; Burkens 1989, p. 65-66; Mill 1859, p. 9-14. Zie ook: Mill 1859, p. 9-14; Maris 2011a, p. 275-277.
Maris 2011a, p. 284; Rosier 2011, p. 374; Berlin (1969) 2002, p. 173; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 37-38; Burkens 1989, p. 65-66; De Roos 1987, p. 37-38 en 47; Hulsman 1972, p. 90-91; Langemeijer 1970, p. 17-18; Packer 1969, p. 265. Mill waarschuwt dat deze vorm van tirannie in potentie nog gevaarlijker is dan een tirannie van de minderheid, omdat een minderheid eenvoudiger omver te werpen is dan een meerderheid (Mill 1859, p. 13-14).
Rosier 2011, p. 374; Rutgers 1992, p. 249; Burkens 1989, p. 65-66; Langemeijer 1970, p. 17-18. Dan wordt de democratie gereduceerd tot – in de woorden van De Roos – “[…] een getalsmatige aangelegenheid (het ‘tellen van koppen’), waarbij degenen die in de minderheid zijn eenvoudig pech hebben gehad.” (De Roos 1987, p. 37). Zie verder: Maris 2011a, p. 285; Berlin (1969) 2002, p. 173; Mill 1859, p. 22.
Yoon 2001, p. 23; Burkens 1989, p. 68. Auteurs die de invulling van het wederrechtelijkheidsbegrip – direct of indirect – overlaten aan de democratisch gelegitimeerde wetgever, lijken dat te miskennen (Von Liszt 1932, p. 4 en 176). De Hullu meent bijvoorbeeld dat door rood rijden wederrechtelijk is omdat daarmee de verkeersordening wordt overtreden (De Hullu 2021, p. 183-184). Verbruggen spreekt in vergelijkbare zin van het bewust miskennen van een gevaarzettingsnorm (Verbruggen 2004, p. 94). Machielse heeft het over de schending van een plicht en lijkt die plicht op de wet te baseren (Machielse 2005, p. 420). Pompe meent dat de wetgever met de strafbaarstelling het algemeen welzijn moet bevorderen, maar laat de mogelijkheid open dat de rechten en vrijheden van minderheden ondergeschikt worden gemaakt aan de opvattingen van de meerderheid (Pompe 1959, p. 48). In al deze gevallen wordt weliswaar de democratische legitimatie veiliggesteld, maar verdwijnt de bescherming tegen de willekeur van de wetgever. De materiële wederrechtelijkheid is dan niet goed te onderscheiden van de formele wederrechtelijkheid. Het voorgaande is onderdeel van een fundamenteel conflict tussen enerzijds de idee dat de macht van de wetgever, op grond van de machtenscheiding, gebonden moet worden en anderzijds de idee dat deze, op grond van zijn democratische legitimatie, juist voorrang moet hebben op de andere staatsmachten (Burkens 1989, p. 65). Anders: Cleiren 2005, p. 114.
Lestrade 2018, p. 161; Lindenberg 2007, p. 84; Bos 1971, p. 4; Von Liszt 1932, p. 4, 176-177.
HR 20 februari 1933, NJ 1933/918 (Huizer Veearts); Reichsgericht (Duitsland) 11 maart 1927, RGSt 61, 242. Zie over het Duitse arrest, dat inmiddels in §34 StGB is gecodificeerd: Roxin 1997, p. 161 en 609-611. Vgl. ook: Jescheck & Weigend 1996, p. 235.
Peters 1966, p. 205. Zie ook voetnoot 119. Omgekeerd stellen Van de Wetering, Eckhardt en Bakker dat de wetgever het te beschermen rechtsgoed aan mag duiden en dat de rechter de wet niet zodanig mag interpreteren dat dat rechtsgoed niet langer centraal staat (Van de Wetering, Eckhardt & Bakker 2018, p. 165-166).
Vgl. Schaffmeister & Heijder 1983, p. 471.
Machielse 2008, aant. 3.4; Schaffmeister & Heijder 1983, p. 443-444 en 470. Vooral de teleologische interpretatiemethode biedt daarbij uitkomst (Lindenberg 2007, p. 86-87). Een dergelijke interpretatie staat wel op gespannen voet met het idee dat de rechter – gezien het verbod op interpreten naar analogie – niet de macht heeft om nieuwe strafbaarstellingen in te voeren (vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 353 en 485 e.v.; Van Veen 1980, p. 9). Daar staat tegenover dat, ondanks het lex certa-beginsel, nooit alle interpretatieruimte kan worden weggenomen en dat het inlezen van bestanddelen meestal tot een inperking van strafbaarheid leidt.
Zie artikel 9a Sr. Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 12; Langemeijer 1970, p. 25 en 27. Als een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid niet opgaat, kan de rechter nog wel oordelen dat de dader niet of minder verwijtbaar handelde (als de verdachte bijvoorbeeld wel redelijkerwijs kon menen dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak). Hij kan dit ook in de strafmaat meewegen. Te betwisten valt overigens of het ruim interpreteren van geschreven rechtvaardigingsgronden zo veel minder problematisch is dan het aanvaarden van een ongeschreven rechtvaardigingsgrond. Zie: De Doelder & Strijards 1979, p. 251.
Jansen stelt zelfs dat het slechts een kwestie van tijd is voordat het doek definitief zal vallen voor de Wet AB (Jansen 2008, p. 29). Vgl. ook: De Doelder & Strijards 1979, p. 250.
Uiteraard moet dat dan wel op objectieve, niet-discriminatoire wijze gebeuren. De vaststelling van de wederrechtelijkheid mag niet in hoge mate afhankelijk zijn van het subjectieve oordeel van de rechter. De rechter moet op de een of andere manier gebonden blijven aan regels of beginselen die niet te veel van zijn subjectieve inzichten afhangen (Van Eikema Hommes 1980, p. 164).
Het schadebeginsel is daarbij overigens altijd een noodzakelijk, maar niet per se een voldoende reden voor strafbaarstelling: er kunnen vanuit liberaal oogpunt bijvoorbeeld ook praktische redenen zijn om bepaald schadelijk gedrag niet strafbaar te willen stellen (daarover §3.4.2). Zie ook: Harcourt 1999, p. 114.
Ik laat de rechtvaardigingsgronden buiten beschouwing, omdat het in dit hoofdstuk vooral gaat om de wederrechtelijkheid in het kader van de keuze van de wetgever om over te gaan tot strafbaarstelling.
Van Bemmelen 1973, p. 10; Packer 1969, p. 267. Anders: Haveman 1993, p. 92-93.
Esser 2017, p. 477. Vgl. Cleiren 2005, p. 124-125.
Vgl. Ten Voorde 2012a, p. 95-96; Ten Voorde 2012b, p. 67; De Roos 1987, p. 42; Van der Neut 1986, p. 136; Bos 1971, p. 17.
Ashworth & Zedner 2014, p. 105 en 106; Ten Voorde 2012b, p. 69; Perry 2007, p. 190-191; De Jong 1989a, p. 3-4; Mill 1859, p. 147. Vgl. Barendse-Hoornweg & Docter-Schamhardt 1989, p. 1. De – vanuit liberaal oogpunt overigens niet geheel risicoloze – logica is dan dat bepaalde voltooide strafbare feiten dermate ernstig zijn dat een afwijking van de uitgangspunten van het gevolgstrafrecht op zijn plaats is om deze feiten te voorkomen (Verbruggen 2004, p. 31).
Een gebrek aan causaliteit kan immers niet zonder meer met een overschot aan wederrechtelijkheid worden verholpen; dat zou de autonomie van burgers miskennen. Het risico is dat anders bij een zeer kleine kans op zeer ernstige schade (of omgekeerd: bij een zeer grote kans op een minuscule hoeveelheid schade), inbreuken op vrijheden nog steeds kunnen worden gerechtvaardigd. Het is dan ook niet verrassend dat sommige auteurs de strafwaardigheid van gevaar voor schade categorisch afwijzen en stellen dat gevaar voor schade geen schade is (zie bijvoorbeeld: Wedzinga 1992, p. 214 en voetnoot 72; Van der Neut 1986, p. 136. Vgl. ook: Perry 2007, p. 193-198). Toch zien veel auteurs wel een zekere band tussen causaliteit en wederrechtelijkheid. Van Eck meent bijvoorbeeld zelfs dat een gedraging pas wederrechtelijk wordt als de gevolgen intreden die de regel beoogt te voorkomen (Van Eck 1947, p. 13). Dat leidt echter tot de conclusie dat enkel voltooide delicten materieel wederrechtelijk kunnen zijn en dat zowel poging en voorbereiding daarom niet strafwaardig zijn (Ten Voorde 2014, p. 165). Keulen neemt de genuanceerdere stelling in dat de strafwaardigheid van een gedraging in beginsel afneemt naar mate de gedraging verder van het voltooide delict is verwijderd (Keulen 2009a, p. 61). Vandaar dat wel kan worden gezegd dat hoe verder de gedraging van de uiteindelijk in te treden schade af staat, des te zwakker is het argument voor strafbaarstelling is (Ashworth & Zedner 2011, p. 292).
Roxin 1997, p. 504. Wederrechtelijkheid is dan dus geen binair, maar een gradueel begrip. Strijards spreekt treffend van een ‘wederrechtelijkheidsgehalte’ (Strijards 1988, p. 14 en 99). Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 14. Anders: Machielse 2005, p. 420.
Het stellen van grenzen aan strafbaarheid behoort tot de klassieke taken van de liberale strafrechtstheorie.1 De behoefte aan een extern, materieel toetsingskader van de wederrechtelijkheid vloeit in de liberale strafrechtstheorie voort uit het streven staatsmacht te begrenzen.2 In een liberale rechtsstaat functioneert de individuele vrijheid van burgers als het centrale inhoudelijke criterium dat grenzen stelt aan de macht van de overheid.3 Het wederrechtelijkheidsvereiste zou – in de woorden van Lindenberg – een holle frase zijn als er reeds aan zou zijn voldaan zolang er maar een wettelijke strafbepaling is ingevoerd.4 Het legaliteitsbeginsel beschermt burgers weliswaar tegen willekeur door de rechterlijke en de uitvoerende macht, maar biedt geen bescherming tegen willekeur door de wetgevende macht als het gaat om de vraag welk gedrag inhoudelijk strafbaar wordt gesteld, doordat het legaliteitsbeginsel enkel procedurele en geen materiële eisen stelt aan strafbaarstellingen.5 In een rechtsstaat kunnen de morele opvattingen van de meerderheid van de samenleving echter niet onbeperkt aan iedereen worden opgelegd.6 Anders zou die meerderheid de vrijheden van minderheden onbegrensd kunnen aantasten en krijgt zij een vrijbrief voor moralisme.7 De burger wordt dan “gedegradeerd tot […] onderdaan die absolute gehoorzaamheid is verschuldigd aan de [ideologie van de heersende meerderheid]”.8 Als de liberale theorie staatsmacht wil kunnen beperken, zal het enkele overtreden van een regel als zodanig dus niet automatisch ook als (materieel) wederrechtelijk kunnen worden aangemerkt, maar moet die regel ook aan inhoudelijke eisen voldoen.9 De strafbaarstelling maakt de gedraging wel strafbaar, maar nog niet automatisch strafwaardig. De wetgever bepaalt in de liberale benadering wel wat formeel wederrechtelijk is, maar niet wat materieel wederrechtelijk is.10
Niet voor niets heeft niet alleen de Nederlandse maar ook de Duitse rechter een buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond ontwikkeld als vangnet voor gevallen waarin een gedraging formeel wel onder een strafbepaling valt, maar materieel niet strafwaardig is.11 De rechter spreekt zo – in lijn met de liberale visie op machtenscheiding – eigenlijk een soort veto uit over de strafbaarstelling.12 De wet moet in die visie worden gezien als de door de wetgever opgelegde buitengrens van strafbaarheid, die door de overige staatsmachten slechts verder kan worden ingeperkt.13 In veel gevallen hoeft de rechter overigens niet opzichtig van dit vetorecht gebruik te maken. Hij kan via vele andere wegen tot hetzelfde resultaat komen. Zo kan hij bestanddelen restrictief interpreteren of extra (ongeschreven) bestanddelen inlezen.14 Ook de wettelijke rechtvaardigingsgronden bieden de nodige ruimte om niet-strafwaardige gevallen straffeloos te laten. Voorts kan de rechter de vervolgingsbeslissing van het OM (marginaal) toetsen en heeft hij in Nederland vrijwel volledige vrijheid in het verlagen van de strafmaat.15Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen lijkt de rechter dan ook vooral te dwingen tot het camoufleren van zijn acties.16 Zolang de rechter strafbaarheid enkel kan inperken en dus hooguit minder inbreuk kan maken op de vrijheden van burgers, is er vanuit liberaal oogpunt echter weinig bezwaar tegen dit soort juridische creativiteit.17
Nu de liberale behoefte aan een materieel wederrechtelijkheidsbegrip inzichtelijk is gemaakt, rijst de vraag hoe het wederrechtelijkheidsbegrip materieel kan worden ingevuld. Uit de in §1.2.1 genoemde Latijnse adagia blijkt dat de wederrechtelijkheid enerzijds een belangrijke factor is in het vaststellen van de noodzaak tot strafbaarstelling (nulla necessitas sine iniuria) en dat anderzijds wederrechtelijkheid steeds het gevolg moet zijn van een handeling (nulla iniuria sine actione). De crux van het wederrechtelijkheidsbeginsel is dus dat er bepaalde gedragingen zijn die zodanig ernstige gevolgen veroorzaken dat strafbaarstelling van die gedragingen noodzakelijk is. Vanuit die bril bezien, ligt het voor de hand dat de liberale theorie voor de invulling van het wederrechtelijkheidsbeginsel teruggrijpt op het schadebeginsel.18 Materieel wederrechtelijk zijn dan die gedragingen die schade toebrengen aan rechtsgoederen van derden.19 Schade staat als vereiste voor strafwaardigheid los van (of wellicht beter: boven) het geschreven recht en kan dus strafbaarheid en strafwaardigheid ontkoppelen. Het schadebeginsel houdt bovendien prima facie een verdergaande inperking van strafwaardig gedrag in dan het hierna in §3.3.3 nog te bespreken vereiste van immoraliteit.20 Het schadebeginsel is verder weliswaar primair bedoeld om te bepalen of een wetgever een gedraging in abstracto strafbaar mag stellen, maar het kan ook worden gebruikt om achteraf te beoordelen of een concrete gedraging door de rechter moet worden bestraft.21 Het schadebeginsel sluit daarmee goed aan op de functies van het materiële wederrechtelijkheidsbegrip.22
De vraag die in het vervolg van deze paragraaf centraal staat is dan ook: welke eisen stelt een liberaal schadebeginsel aan de reikwijdte van strafbaarheid in de voorfase? De strafwaardigheid van gedrag moet daarbij vooral worden gezocht in de verhouding tussen enerzijds de in het vorige hoofdstuk reeds besproken objectieve kans op de schade (§2.2) en anderzijds de in dit hoofdstuk te bespreken ernst van de schade.23 De ernst van de schade bestaat op zijn beurt uit de aard en omvang van de schade (§3.2.2) en het belang van het aangetaste rechtsgoed (§3.2.3). Deze criteria zijn tot op zekere hoogte steeds communicerende vaten, maar moeten ook steeds ieder aan hun eigen ondergrens voldoen.24 Het resultaat van de afweging van deze factoren is een zekere mate van wederrechtelijkheid die aan de gedraging kan worden toegeschreven.25 Deze is vervolgens van belang bij het bepalen van zowel de reikwijdte van strafbaarheid in de voorfase (§3.2.4) als het strafmaximum bij voorfasedelicten (§3.2.5).