Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.2.4
3.2.4 Reikwijdte van het strafrecht in de voorfase
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715499:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Von Gemmingen 1932, p. 146.
Jakobs 1985, p. 752; Von Gemmingen 1932, p. 146. De inzet van opsporingsbevoegdheden is weer een andere discussie.
Jakobs 1985, p. 755. De exacte afbakening van de privésfeer is nogal contextafhankelijk en daarom lastig in algemene zin te omschrijven. De privésfeer in een woning houdt mijns inziens bijvoorbeeld op volledig privé te zijn als derden in de woning zijn toegelaten met wie de bewoner geen persoonlijke band heeft. Als de aanwezigen echter wel een hechte band hebben, is wel weer sprake van een (volledige) privésfeer.
Jakobs 1985, p. 756-757; Von Gemmingen 1932, p. 145-146. Jakobs wijst op drugsdelicten, misdrijven tegen de staatsveiligheid en vervalsing van geld (Jakobs 1985, p. 756-757). Jakobs associeert het Duitse valsheidsdelict (§267 StGB), waarbij – net als in Nederland (artikel 226 Sr) – het enkele vervalsen als zodanig reeds een voltooid delict inhoudt, met het gebrek aan respect voor de privésfeer ten tijde van de invoering van het delict in 1943.
De stelling dat de privésfeer per definitie wordt verlaten als iemands doel is om schade bij derden te veroorzaken, is overigens vanuit liberaal oogpunt onhoudbaar, omdat dan iedere gedraging – inclusief het voeren van gesprekken en het hebben van gedachten – potentieel buiten de privésfeer valt en staatsmacht niet aan banden wordt gelegd (Jakobs 1985, p. 754 en 757). De privésfeer van de burger kan niet al zijn verlaten op het moment dat iemand met een ander in contact komt. Wat mensen in privéomstandigheden tegen elkaar zeggen of doen, moet vanuit liberaal oogpunt buiten het bereik van het strafrecht blijven. Anders: Heinrich 2009, p. 103.
Anders: Reijntjes 1977, p. 418.
Jakobs 1985, p. 756.
Jakobs 1985, p. 756.
Zie ook wat De Hullu stelt over het primaat van het materiële strafrecht (De Hullu 2021, p. 25-26). Zie ook: De Jong 2022, p. 272-276. Buruma is daarover overigens milder (Buruma 2003, p. 73).
Ashworth & Zedner 2014, p. 108.
Al moet niet uit het oog worden verloren dat het ook buiten de privésfeer nog maar de vraag is of de aantasting van het (daar nog altijd bestaande) recht op privacy opweegt tegen de ernst van de te voorkomen schade. Vgl. Van Toor 2017, p. 254. Daarbij rijst overigens nog het probleem dat het schadebeginsel wel vereist dat deze belangen tegen elkaar worden afgewogen, maar niets zegt over het gewicht van vrijheid (Simester & Von Hirsch 2011, p. 56).
In het kader van voorfasedelicten is tot slot in het bijzonder nog het recht op privacy van belang. Het liberale uitgangspunt is dat burgers een zekere overheidsvrije sfeer moeten hebben.1 Binnen deze overheidsvrije sfeer kan de vraag naar strafbaarheid en strafwaardigheid niet aan de orde komen.2 Deze overheidsvrije sfeer komt binnen het schadebeginsel tot uitdrukking in het criterium dat het moet gaan om schade aan ‘derden’. Wil deze overheidsvrije sfeer in de voorfase enige substantie hebben (en dus enige mate van beperking aanbrengen op overheidsbemoeienis), dan kan zij mijns inziens niet ophouden bij de hersenen (§2.2.8) of de huid, maar moet zij tot op zekere hoogte bijvoorbeeld ook iemands kleding, woning en (privé)contact met vrienden en familie omvatten.3 Dat heeft in het bijzonder consequenties voor de strafwaardigheid van gedragingen die in deze privésfeer zijn verricht en die als zodanig geen schadelijke gevolgen veroorzaken, maar slechts als gevolg van de oprekking van het daadstrafrechtbeginsel (§2.2.2.2) potentieel binnen het bereik van het strafrecht worden getrokken.
Hoewel immers op grond van het schadebeginsel het toebrengen van letsel aan derden uiteraard ook strafwaardig is als de dader dat in zijn eigen woning doet, is de strafwaardigheid van gedragingen die slechts bestaan uit vertrouwelijke gesprekken tussen personen (in het bijzonder tussen wie een privérelatie bestaat) – zoals het geval kan zijn bij samenspanning, poging tot deelneming en deelname aan een criminele of terroristische organisatie – vanuit liberaal oogpunt problematisch.4 In dat geval is immers nog géén schade aan derden veroorzaakt en bovendien steekt daar de vrijheid van meningsuiting de kop op. De oprekking van het daadstrafrechtbeginsel over de band van de hypothetische causaliteit mag vanuit liberaal oogpunt niet zonder meer tot in deze privésfeer reiken, omdat dan niet langer een zekere externaliteit aan het gedrag van de dader kleeft. Daarom ligt het voor de hand te vereisen dat de overheid zich pas potentieel met gedrag kan bemoeien als de burger zijn privésfeer verlaat, bijvoorbeeld als hij zich wendt tot derden waarmee hij geen bijzondere relatie heeft.5
Van belang is daarbij nog dat de ernst van de beoogde (voltooide) delicten binnen het liberale perspectief niet als rechtvaardiging kan dienen om voorfasegedragingen in de privésfeer strafbaar te stellen.6 Binnen de privésfeer weegt de inbreuk op de privacy van de burger eenvoudigweg niet op tegen de voordelen die strafbaarstelling van de voorfase met zich brengt in het beschermen van de vrijheden van derden. De toegevoegde waarde van strafbaarstellingen in de voorfase mag er volgens bijvoorbeeld Jakobs niet toe leiden dat burgers als potentiële vijanden worden behandeld en kan ook de inbreuk die moet worden gemaakt op hun privacy niet rechtvaardigen.7 Een liberaal strafrecht streeft bovendien ook niet naar de optimale bescherming van rechtsgoederen, maar naar de optimale bescherming van vrijheid.8 Dat dit praktische problemen veroorzaakt voor de opsporing van strafbare feiten, al dan niet gepleegd door derden, is voor een liberaal ook geen argument om de privésfeer te schenden.9 Mensen mogen immers niet als middel voor een doel worden gebruikt.10
Voor de vraag of een voorfasehandeling strafwaardig is of niet, is dus ook nog relevant of de voorfasehandeling binnen of buiten de privésfeer is verricht.11 Bij poging is vanuit dit perspectief van belang dat het daarvoor vereiste ‘begin van uitvoering’ zich moet hebben ‘geopenbaard’. Daarmee is haast per definitie vereist dat de poger zijn privésfeer heeft verlaten. Ook voorbereidingshandelingen worden regelmatig buiten de privésfeer verricht, bijvoorbeeld als de voorbereider voor het verwerven van voorbereidingsmiddelen naar derden (bijvoorbeeld een winkel) gaat. De invoer, doorvoer en uitvoer van middelen zal doorgaans eveneens het verlaten van de privésfeer impliceren. Dat het enkele bezit van voorbereidingsmiddelen buiten de privésfeer plaatsvindt, is daarentegen lastiger te verdedigen, met name als de middelen in een privéomgeving, zoals een woning, worden bewaard. Ook de strafwaardigheid van de al genoemde samenspanning, poging tot deelneming en deelname aan een criminele of terroristische organisatie is vanuit liberaal oogpunt lastig te vol te houden, omdat het daarbij regelmatig zal gaan om privégesprekken op besloten plekken die – los van de inhoud, die slechts door gebruik van zeer invasieve opsporingsmiddelen kan worden achterhaald – niet te onderscheiden zijn van andere privégesprekken. Dat pleit voor de nodige terughoudendheid met strafbaarstelling van gedragingen die in de privésfeer zijn verricht.