Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/4.3.1
4.3.1 De persoonlijke vrijheid van de debiteur
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378801:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de historische wortels van dit adagium Zimmermann 1996, p. 773-776; Dondorp 2008, p. 265-282; en Debily 2002, nr. 7-10, p. 12-22.
Vgl. Laithier 2004, nr. 25, p. 43-44.
Dat het argument dat afgedwongen nakoming inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van de debiteur alleen wordt gebruikt bij verbintenissen om te doen en niet bij verbintenissen om te geven, komt m.i. doordat de verbintenis om te geven in beginsel strekt tot een kortstondige verplichting die de schuldenaar weliswaar in zijn vermogenspositie treft, maar, anders dan bij de hoogstpersoonlijke verbintenis om te doen of niet te doen, niet in zijn bewegingsvrijheid treft en naar zijn aard geen beslag legt op de intellectuele of creatieve energie van de schuldenaar.
Zie ook par. 4.2.
Onlangs nog uitdrukkelijk overwogen in Civ. P 16 januari 2007, N0 de pourvoi: 06-13983 waarover Gout 2007, p. 1119-1122; en Meldd 2007, p. 17-19.
Vgl. bijv. Laithier 2004, nr. 31, p. 51-52; Flour e.a. 2004, nr. 162, p. 106-107; Malinvaud 2005, nr. 830, p. 519; Debily 2002, nr. 100-108, p. 113-122.
Zie uitgebreid Wéry 1993, nr. 8, p. 29 e.v.
Bijv. Debily 2002, nr. 92, p. 106: 'Il est communément admis que la règle posée par l'article 1142 a pour la finalité la protection de la liberté individuelle du débiteur.'
Terré, Simler & Lequette 2005, nr. 1113, p. 1063; Viney 2001, p. 173-175.
Bijv. Viney & Jourdain 2001, nr. 16.1 en 17.2, p. 31-33, en 39-40; en Debily 2002, nr. 97, p. 109-110.
Martin 2005, nr. 24-024, p. 738-740.
Poole 2004, p. 467.
Zie voor Engeland Fry LJ in Francesco v Barnum (1890) 45 Ch.D. 430, op 438; voor Frankrijk Meynial geciteerd in Esmein 1903, p. 19; voor België Pas. 1850, I, p. 81, concl. Prem. Av. Gén. Dewandre. Het slavernij-argument is in Duitsland door Kohler in 1878 gebruikt met betrekking tot de veroordeling tot nakoming van een schuldeiser om medewerking te verlenen aan de nakomingspoging van de schuldenaar, aangehaald in Jansen 1998, p. 121 vtnt. 56.
De iustum pretium-leer, die de evenredigheid van de tegenover elkaar staande verbintenissen vereist, maakt geen deel uit van het Nederlandse positieve recht. De redelijkheid van de inhoud van de verbintenissen wordt indirect wel getoetst. Enerzijds waarborgen de gronden van nietigheden en vernietigbaarheden de vrijheid waarbinnen een overeenkomst tot stand komt. Anderzijds kan de rechter via de weg van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid alsmede de uitleg de evenredigheid tussen de wederzijdse prestaties als gezichtspunt meewegen, vgl. Hartlief 1999, p. 248-249; Van Rossum 1995, p. 663; en Grasheide 1996a, p. 437.
Toch wordt de vergelijking in recente literatuur nog steeds gebruikt, zie Waddams 1995, p. 476-477, alsmede in rechterlijke uitspraken, zie het overzicht van Laycock 1990, p. 745 noot 314. De associatie met slavernij bij de gedwongen nakoming van een arbeidsovereenkomst is ook bekritiseerd door Hommes 1962, p. 829-830; en Cremers 1989, p. 53. Ook Kronman wijst de vergelijking met slavernij van de hand, omdat bij slavernij sprake is van algehele onderwerping en een werkgever slechts bepaalde aspecten van het leven van zijn werknemer kan beheersen, zie Kronman 1978, p. 372-373. Eisenberg erkent het verschil tussen nakoming en slavenarbeid, maar wijst voorts op een zekere parallellie, zie Eisenberg 2005, p. 1037.
Veelal wordt dit aspect van de contractsvrijheid op het autonomiebeginsel gegrond, zie Asser/Hartkamp 2005 (4-II), nr. 34 e.v.; en Nieuwenhuis 1979, p. 6-7 en 63-65.
Die grenzen worden onder meer aangegeven door grondrechten, zie Smits 2003a, p. 97-119.
Vgl. Neufang 1998, p. 335 die schrijft in een iets andere context: `daß die Versagung von Erfüllungszwang freiheitsschiltzende Wirkung hat; aber das bezieht sich nicht auf die Vertragsfreiheit, sondern auf dem Schuldner verbleibende Freiheit, nachdem er einmal einen Vertrag eingegangen ist. Er wird insofern — eher paternalistisch als liberalistisch — vor sich selbst geschützt.' Zie ook par. 5.3.3.4.
Het meest principiële bezwaar tegen een veroordeling tot nakoming van een hoogstpersoonlijke verbintenis is de inbreuk die de veroordeling maakt op de persoonlijke vrijheid van de debiteur. Een veroordeling tot nakoming is in strijd met het nemo potest praecise cogi ad factum-beginsel, oftewel niemand kan rechtstreeks worden gedwongen iets te doen.1 Met dit adagium wordt aangeduid dat iemand die gehouden is een contractuele verplichting uit te voeren die strekt tot een doen, daartoe niet (met geweld) kan worden gedwongen en dus slechts gehouden is een equivalent in geld te betalen.2
Het Franse recht heeft een rijke traditie van denken over de beperking van het recht op nakoming van hoogstpersoonlijke verbintenissen om te doen.3 Hoewel de letterlijke tekst van art. 1142 C.c. een recht op nakoming uitsluit, is deze bepaling in de jurisprudentie van zijn letterlijke betekenis ontdaan.4 Thans staat vast dat een schuldeiser in Frankrijk in beginsel ook recht op nakoming heeft van verbintenissen om te doen of niet te doen.5 Slechts de verbintenissen waarbij de schuldenaar zich heeft verbonden tot het verrichten van een hoogstpersoonlijke prestatie, intuitu persome, zijn op grond van art. 1142 C.c. niet afdwingbaar door een veroordeling tot nakoming.6 Art. 1142 C.c. is het object van vele interpretaties.7 Als ratio van art. 1142 C.c. wordt doorgaans het nemo potest praecise cogi ad factum-beginsel aangedragen.8 De persoonlijke vrijheid van de debiteur komt in het gedrang indien hij wordt gedwongen een verbintenis om te doen na te komen.9 De juridische en ethische verplichting om een gedane belofte na te komen, mag niet zwaarder wegen dan de onvervreemdbare persoonlijke vrijheid van de schuldenaar.10
Ook in Engeland is een veroordeling tot nakoming van een hoogstpersoonlijke verbintenis in beginsel uitgesloten.11 Het onder dwang werken voor de schuldeiser zou tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de schuldenaar leiden.12
De veroordeling tot nakoming van een hoogstpersoonlijk te verrichten dienst is in het verleden regelmatig vergeleken met dwangarbeid en slavernij.13 Deze associatie verklaart wellicht nog steeds de afkerigheid bij veel juristen van een veroordeling tot nakoming van een hoogstpersoonlijke verbintenis. De vergelijking tussen slavernij of dwangarbeid en een veroordeling tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening gaat echter mank. Bij een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening heeft de schuldeiser zich in vrijheid verbonden tot het verrichten van de prestatie, met het oog op een te ontvangen tegenprestatie, althans van die (contracts)vrijheid kan men in de Westerse wereld in het algemeen wel uitgaan. Van een gebrek aan vrijheid en de afwezigheid van een evenredige tegenprestatie,14 de wezenskenmerken van slavernij en dwangarbeid, is bij een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening in principe dan ook geen sprake. De contractuele context van vrijheid en evenredigheid waarbinnen een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening ontstaat, reduceert het slavernijargument mijns inziens dan ook tot retoriek.15
De schuldenaar kan naar geldend recht het recht van de schuldeiser op nakoming uit handen slaan door te verwijzen naar de 'aard der verplichting' (art. 3:296) van de verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening. Dit strookt mijns inziens echter niet met het autonomiebeginsel, dat zowel de schuldeiser als de schuldenaar beschermt. De privaatautonomie, een kernonderdeel van de contractsvrijheid,16 verschaft de schuldenaar de mogelijkheid om, binnen zekere grenzen,17 de betrouwbare toezegging te doen dat hij een deel van zijn fundamentele rechten beperkt, teneinde een tegenprestatie te verwerven. Het verweermiddel dat de schuldenaar in staat stelt zich met succes te verweren tegen een vordering tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening, ontneemt de schuldeiser de mogelijkheid de prestatie in natura van de schuldenaar te ontvangen en maakt dus inbreuk op zijn autonomie. Voorts neemt het verweermiddel de contractuele toezegging van de schuldenaar waarbij hij zich tot de verbintenis heeft verbonden niet serieus. Als de schuldenaar met een blote verwijzing naar de aard van de verbintenis kan worden ontslagen van de verplichting zijn verbintenis na te komen, wat is zijn contractuele toezegging dan nog waard?18 Zoals ik in par. 4.5 zal uitwerken, dient een schuldenaar van een verbintenis tot (hoogst)persoonlijke dienstverlening wel een verweermiddel toe te komen om zich tegen een veroordeling tot nakoming te verweren als dit voor hem bijzonder nadelig uitpakt. Dit moet echter een uitgebalanceerd verweermiddel zijn in het kader waarvan de belangen van de schuldenaar tegen de belangen van de schuldeiser worden afgewogen. De aard van de verplichting als zodanig mag geen argument zijn om de schuldeiser de toewijzing van zijn vordering tot nakoming van een verbintenis tot hoogstpersoonlijke dienstverlening te ontzeggen.