De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/7.3.1:7.3.1 Formele en materiële delicten
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/7.3.1
7.3.1 Formele en materiële delicten
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is het onderscheid tussen formele en materiële delicten, zoals dat voornamelijk in de literatuur wordt gemaakt, besproken. De vraag die daarbij voor lag, is of de differentiatie in de vermogensdelicten wordt verklaard door de keuze voor formele delictsomschrijvingen. Of spelen (daarnaast ook) andere factoren een rol? Een dogmatisch onderscheid heeft de wetgever niet voor ogen gehad, althans, daarvoor is geen steun te vinden in de wetsgeschiedenis. Wel kan worden vastgesteld dat de wetgever voor differentiatie heeft gekozen en de verschillende vermogensdelicten scherp van elkaar heeft willen afgrenzen. Het verschil tussen de delicten is gelegen in de strafbaar gestelde handelingen. Bij diefstal is dat het wegnemen van een goed van een ander, bij verduistering het toe-eigenen van een goed dat men al onder zich heeft en bij afpersing en oplichting het bewegen tot afgifte van een goed. Wat de reden voor differentiatie is geweest, is niet heel helder. Uit de Notulen van de Commissie De Wal blijkt dat zij zich heeft laten inspireren door andere (binnenlandse en buitenlandse) wetgevingen. Wellicht is het meest waarschijnlijk dat die wetgevingen de inspiratie hebben gevormd voor de gedifferentieerde strafbaarstellingen. Aan de differentiatie zouden dan vooral historische en praktische argumenten ten grondslag liggen. Simpel gezegd: het sloot aan bij de bestaande praktijk. Hoewel ‘we doen het altijd al zo’ over het algemeen niet een heel sterk argument is om verandering van een bestaande praktijk tegen te houden, moet het ook niet direct terzijde worden geschoven. Een noodzaak tot veranderen leek te ontbreken, het functioneerde allemaal wel. Het huidige systeem lag namelijk niet alleen verankerd in het juridisch bewustzijn, maar ook in de samenleving. Iedereen kan zich een voorstelling maken van wat diefstal, verduistering, afpersing en oplichting ongeveer zijn. Het creëren van een ruimvermogensdelict, waaronder naast diefstal ook andere vormen van oneerlijke vermogensverkrijging zouden vallen, zou het gevaar met zich kunnen meebrengen dat de wettelijke kwalificaties van strafbaar gedrag niet meer herkenbaar zijn. Wat betreft de (on)wenselijkheid van een ruim, algemeen vermogensdelict kan verder worden gewezen op de nadelen van algemene strafbaarstellingen die hiervoor zijn genoemd.