Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.6.2.1
5.6.2.1 ‘Belegger is niet (direct) op de misleidende informatie afgegaan’
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655747:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zoals reeds opgemerkt volgt uit het World Online-arrest dat ook het indirect afgaan op de misleidende informatie voldoende is voor het aannemen van causaal verband, HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1, vierde volzin.
Vgl. De Jong 2010, p. 219.
Zie hierover § 1.3.3.2 sub a en de aldaar aangehaalde literatuur en rechtspraak.
Aldus Asser/Sieburgh 2017, nr. 119.
Vgl. in dit verband de arresten HR 4 november 1988, NJ 1989/751, m.nt. C.H.J. Brunner (ABP/Van Stuyvenberg); HR 13 januari 1995, NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner (Stichting Ziekenhuis De Heel/Staat e. a.).
De Jong noemt in het kader van het eigenschuldverweer dat de belegger niet zou mogen vertrouwen op de zuiverheid van de koers, ook nog het voorbeeld van de bestensorder, zie De Jong 2010, p. 223. Volgens hem kan een bestensorder niet aldus worden uitgelegd dat de belegger hiermee vooraf een kunstmatig hoge koopprijs accordeert. Het enkele feit dat de belegger een bestensorder plaatst levert volgens De Jong derhalve geen grond op voor eigen schuld. Hier ben ik het mee eens.
Vgl. HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.2, voorlaatste zin.
In gelijke zin De Jong 2010, p. 221.
In § 5.4 ben ik uitgebreid ingegaan op de vraag of voor het aannemen van causaal verband steeds is vereist dat de belegger (direct of indirect) op de misleidende informatie is afgegaan, en zijn beleggingsbeslissing daardoor (direct of indirect) is beïnvloed. Mijn conclusie was dat voor prospectusaansprakelijkheid deze vraag naar geldend recht bevestigend moet worden beantwoord (hetgeen kan worden afgeleid uit het World Online-arrest) en dat voor de andere misleidingsgevallen dan prospectusaansprakelijkheid het antwoord op deze vraag vooralsnog onzeker is. In § 5.4.6 heb ik vervolgens betoogd dat het niet wenselijk is om bij aansprakelijkheid voor misleidende informatie de causaliteitseis al te strikt in te vullen. Precies dezelfde discussie die speelt in het kader van het toerekeningsverband ex art. 6:98 BW, kan natuurlijk ook terugkomen bij het leerstuk van de eigen schuld. Ten opzichte van de beleggers die slechts op de zuiverheid van de beurskoers hebben vertrouwd en die (stellen dat zij) ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, zou het verweer kunnen luiden dat het hun eigen schuld is dat zij het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht. Door slechts te vertrouwen op de zuiverheid van de beurskoers (die achteraf onzuiver bleek te zijn), en niet zelf van de litigieuze informatie kennis te nemen, hebben zij een kunstmatige hoge koopprijs immers op de koop toegenomen. Een enigszins vergelijkbaar verweer zou kunnen worden gevoerd jegens de beleggers die (stellen dat zij) indirect op de misleidende informatie hebben vertrouwd (bijvoorbeeld omdat zij zich hebben laten voorlichten door een adviseur of omdat zij zijn afgegaan op een door de misleidende informatie teweeggebrachte marktstemming). Hun zou kunnen worden tegengeworpen dat zij onzorgvuldig en/of onoplettend zijn geweest door niet zelf (direct) van de litigieuze informatie kennis te nemen. Zij hebben er immers zelf voor hebben gekozen slechts indirect op de informatie te vertrouwen en dan is het hun eigen schuld dat zij – op indirecte wijze – zijn misleid, aldus zou het verweer kunnen luiden. Hoe nu over deze verweren te oordelen?
Beide verweren moeten mijns inziens worden verworpen. In de eerste plaats omdat in beide gevallen het causaal verband ontbreekt tussen de als eigen schuld aangevoerde omstandigheid en de door de beleggers gestelde schade. Voor de beleggers die slechts op de zuiverheid van de beurskoers hebben vertrouwd ontbreekt het causaal verband, omdat ook al hadden zij van de misleidende informatie kennis genomen, zij evenzeer koersschade zouden hebben geleden. In dat geval zou hun beleggingsbeslissing namelijk direct door de misleidende informatie zijn beïnvloed, en dat zou de thans door hen geleden schade dan niet hebben voorkomen. Sterker nog, wanneer hun beleggingsbeslissing direct zou zijn beïnvloed, zouden zij misschien nog wel meer schade hebben geleden. Naast de betaalde koersinflatie op het litigieuze aandeel zouden zij dan misschien ook schade hebben geleden in de vorm van gederfd rendement op een (hypothetische) alternatieve belegging. Voor de beleggers die indirect op de misleidende informatie hebben vertrouwd, kan een vergelijkbare redenering worden gevolgd. Zouden zij in plaats van indirect op de misleidende informatie af te gaan direct op de informatie zijn afgegaan, dan zouden zij – in plaats van indirect – direct zijn misleid.1 Hun beleggingsbeslissing zou dan nog steeds dezelfde zijn geweest, en de thans door hen geleden schade zou dan alsnog zijn ontstaan.2
Daarnaast zie ik ook nog een rechtssystematisch bezwaar dat pleit tegen het honoreren van de genoemde eigenschuldverweren. Dit rechtssystematische bezwaar bestaat eruit dat wanneer men in het kader van het toerekeningsverband ex art. 6:98 BW tot de conclusie komt dat het onwenselijk is om – ongeacht de wijze waarop de eisende belegger zijn vordering tot schadevergoeding inkleedt – steeds de eis te stellen dat hij (direct of indirect) op de misleidende informatie is afgegaan (zie § 5.4.6), het niet zo zou moeten zijn dat deze eis alsnog wordt gesteld in het kader van een (beroep op) de eigen schuld ex art. 6:101 BW. De argumenten die ervoor pleiten om deze eis wél te stellen zijn dan bij (het oordeel over) het causaal verband immers kennelijk te licht bevonden, en dan is het onlogisch en inconsequent om deze argumenten bij (het oordeel over) de eigen schuld wel doorslaggevend te laten zijn. Logischer is het om bij beide leerstukken tot dezelfde uitkomst te komen. Er kan hier een parallel worden getrokken met de toerekening van letselschade bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen.3 Volgens vaste rechtspraak wordt letselschade in dat geval ruim aan de aansprakelijke toegerekend en staan eventuele predisposities van het slachtoffer hieraan niet in de weg. Met deze ruime toerekening is in overeenstemming dat de aldus ontstane schadevergoedingsverplichting niet langs de weg van de eigen schuld vervolgens alsnog kan worden beperkt, wanneer daartoe een beroep zou moeten worden gedaan op persoonlijke omstandigheden die verband houden met een meer dan normale kwetsbaarheid van het slachtoffer.4,5
Mijn conclusie is dat het door de belegger indirect vertrouwen op de misleidende informatie of het door de belegger slechts vertrouwen op de zuiverheid van de beurskoers (dit laatste is een zeer indirecte manier van vertrouwen), geen grond oplevert voor vermindering van de schadevergoeding op grond van eigen schuld.6 Dit laatste betekent onder meer dat ook de belegger die zijn beleggingsbeslissing al had genomen voordat de misleiding plaatsvond, geen schadevergoeding kan worden onthouden met een beroep op eigen schuld.7 Ook voor deze belegger kan immers in beginsel worden aangenomen dat hij bij de aankoop van het litigieuze aandeel heeft vertrouwd op de zuiverheid van de beurskoers.8