Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/6.3.2.1
6.3.2.1 Eenduidige veroordeling op basis van een meervoudige feitelijke basis
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 175-177 en Heinrich 2014, p. 647, 649-650.
Schönke/Schröder 2014, § 1, randnummer 91. Zie ook BGH 11 november 1987, BGHSt 35, 86: Ein Angeklagter ist wegen Hehlerei zu verurteilen, wenn zweifelhaft bleibt, ob er an einer schweren räuberischen Erpressung als Mittäter beteiligt war, jedoch feststeht, daß er seinen Beuteanteil – in Kenntnis der Vortat – erst vom Täter der schweren räuberischen Erpressung erhalten hat.
Kruse 2008, p. 175.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 177 en Heinrich 2014, p. 650.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 168-169.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 169-170.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 170-171.
§ 323a Abs.1 StGB.
En de actio libera in causa niet van toepassing, vgl. Schönke/Schröder 2014 § 323a, randnummer 30-32.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 171-172.
Of dat in Nederland ook zo is, is de vraag. Vgl. de conclusie van Advocaat-Generaal Bleichrodt vóór HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660, NJ 2015/362 en de annotatie bij dat arrest van Keijzer.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 172-173.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 173.
Wat overigens op grond van § 211 en § 22 StGB ook strafbaar is, vgl. Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 173.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 173-174.
Het hiervoor genoemde smoor/wurg-geval verschilt hiervan. Weliswaar was ook daar het causale verband onduidelijk, maar in dat geval verschilde ook het opzet.
Kruse 2008, p. 173-175.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 174-175.
Kruse 2008, p. 173-175.
Een eenduidige veroordeling op basis van een meervoudige feitelijke basis kan zich in verschillende verschijningsvormen voordoen. Die verschillende vormen worden in het navolgende besproken.
Postpendenz und Präpendenz
In de eerste plaats kan gewezen worden op de Postpendenzfeststellung en de Präpendenzfeststellung. Onder een Postpendenzfeststellung wordt verstaan een situatie van twee elkaar opvolgende feiten, waarbij het tweede met zekerheid vastgesteld kan worden, maar het eerste – dat de juridische beoordeling van het tweede feit zou kunnen beïnvloeden omdat de delicten elkaar uitsluiten – niet. Anders dan bij de (hierna te bespreken onzuivere en zuivere) Wahlfeststellung is bij een Postpendenzfeststellung dus geen sprake van een dubbele, maar van slechts één feitelijke onzekerheid. Deze situatie doet zich in de praktijk vaak voor bij heling. § 259 Abs. 1 StGB, dat handelt over heling, eist dat een ander dan de verdachte het desbetreffende goed gestolen heeft. Net als in Nederland geldt dus dat een dief niet ook heler kan zijn. Stel dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting met zekerheid vast komt te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het van een ander overnemen van gestolen goederen. Twijfelachtig blijft echter of de verdachte de goederen zelf mede heeft gestolen of van de dief heeft overgenomen. Als hij de diefstal zelf heeft medegepleegd, moet hij wegens dat feit worden bestraft. Voor een veroordeling wegens heling is dan geen plaats, omdat daarvoor nodig is dat een ander het goed heeft gestolen. Als hij de diefstal niet heeft gepleegd, zou daarentegen wel een veroordeling wegens heling kunnen volgen. Strikt genomen zou toepassing van in dubio pro reo in dit soort gevallen leiden tot vrijspraak van de verdachte. Die uitkomst zou echter erg onbevredigend zijn, omdat immers vaststaat dat de verdachte de gestolen goederen in zijn bezit had en in ieder geval één van beide feiten heeft gepleegd. In rechte wordt er in dit soort gevallen vanuit gegaan dat een veroordeling kan volgen voor het vaststaande feit, dat wil in dit geval zeggen de heling.1 Maar een Postpendenzfeststellung wegens heling is in een dergelijk geval alleen mogelijk, als vaststaat dat de verdachte de buit van de dief heeft gekocht of overgenomen en slechts twijfelachtig is of hij de zogenoemde Vortat van Diebstahl heeft medegepleegd. Blijft twijfelachtig of de verdachte de gestolen goederen zelf, als enige dader, heeft gestolen of door heling heeft verschaft, dan komt slechts de (hierna te bespreken) Wahlfeststellung in aanmerking. Voor een eenduidige veroordeling wegens heling is dan geen plaats, omdat niet vastgesteld kan worden of de verdachte het goed van de dader van de Vortat heeft verkregen.2 In het Anklageschrift en het Urteil is in geval van een Postpendenzfeststellung alleen het zekere, tweede delict te zien.3
Een Präpendenzfeststellung ziet op het omgekeerde geval, dat wil zeggen het geval waarin ten aanzien van twee elkaar opvolgende gebeurtenissen de eerste wel met zekerheid kan worden vastgesteld, maar de tweede niet. Daarbij moet nog aangetekend worden dat het vaststaan van de tweede gebeurtenis tot straffeloosheid met betrekking tot de eerste gebeurtenis zou leiden. De Präpendenzfeststellung wordt vooral gebruikt in gevallen waarbij de poging tot deelname aan of voorbereiding van een feit al tot strafbaarheid leidt. Daarbij moet worden aangetekend dat een veroordeling wegens het voltooide delict (kennelijk) in de weg staat aan een veroordeling wegens bijvoorbeeld de voorbereiding daarvan. De hier bedoelde situatie doet zich bijvoorbeeld voor als wel vastgesteld kan worden dat een verdachte met een ander of anderen heeft afgesproken een roofoverval te plegen, maar niet of hij uiteindelijk aan de uitvoering van het plan heeft deelgenomen. De verdachte kan dan, ondanks een mogelijke – maar niet met zekerheid vast te stellen – bijdrage aan een voltooide roofoverval, worden veroordeeld wegens de voorbereidingshandelingen. Ook als wel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van het vervalsen van geld (§ 149 StGB), maar twijfelachtig blijft of hij daadwerkelijk geld heeft vervalst (§ 146 StGB), kan hij in ieder geval worden veroordeeld wegens die voorbereidingshandelingen.4
Stufenverhältnis
Een eenduidige veroordeling kan ook worden uitgesproken als sprake is van een zogenoemde Stufenverhältnis, dat wil zeggen een getrapte verhouding tussen bepaalde delicten. Er mag dan slechts gestraft worden wegens het lichtere delict.
Een Stufenverhältnis kan zich in de eerste plaats voordoen tussen een gronddelict en gekwalificeerd of geprivilegieerd delict. Als vaststaat dat het gronddelict is gepleegd maar twijfelachtig is of de verdachte ook een kwalificerend bestanddeel heeft vervuld, kan hij veroordeeld worden wegens het gronddelict. Als vaststaat dat de verdachte een diefstal heeft gepleegd, maar onduidelijk blijft of hij bij de uitvoering wel of niet een wapen heeft gebruikt, kan slechts een veroordeling wegens diefstal volgen. In het verlengde hiervan staan ook het gronddelict en het geprivilegieerde delict in een trapsgewijze verhouding tot elkaar. Het geprivilegieerde delict staat daarbij op de onderste trede. Dat betekent dat – als de mogelijkheid blijft bestaan dat de verdachte het delict onder de geprivilegieerde omstandigheden heeft begaan – slechts gestraft mag worden volgens het geprivilegieerde delict. Als bijvoorbeeld onduidelijk blijft of de verdachte zijn slachtoffer op diens verzoek heeft gedood, is hij slechts te bestraffen wegens het geprivilegieerde delict Tötung auf Verlangen (§ 216 StGB) en niet wegens het gronddelict Totschlag (§ 212 StGB).5
Alle delicten waarbij opzettelijk een gevolg wordt veroorzaakt, doorlopen het poging-stadium. Daarom bestaat er, in de tweede plaats, ook een (logische) Stufenverhältnis tussen poging en voltooid delict. Als twijfelachtig is of het delict is voltooid, kan slechts worden gestraft wegens de (wel te bewijzen) poging. Voorwaarde is dan overigens wel dat de verdachte handelde met opzet op de voltooiing. Anders moet vrijspraak volgen, tenzij strafbaarheid wegens een gevaarzettingsdelict aangenomen kan worden. Tussen opzetdelicten en gevaarzettingsdelicten bestaat ook een Stufenverhältnis. Hetzelfde geldt voor concrete en abstracte gevaarzettingsdelicten.6
Anders dan bij een poging en een voltooid delict bestaat tussen daderschap en deelneming geen logische Stufenverhältnis, maar een normatieve. Medeplegen bijvoorbeeld omvat niet noodzakelijkerwijs de uitlokking van een van de andere medeplegers. Medeplegen en medeplichtigheid sluiten elkaar zelfs uit. Hier is sprake van een juridische trapsgewijze verhouding. Aangezien de straf voor medeplichtigheid ten opzichte van medeplegen dwingend lager is, moet een verdachte bij twijfel wegens medeplichtigheid worden bestraft. Op medeplegen en uitlokken staan dezelfde straffen. Maar omdat uitlokking een minder intensieve deelnemingsvorm is, is een verdachte bij twijfel tussen medeplegen en uitlokken slechts als uitlokker te straffen.7
De strafbaarstelling van Vollrausch8 is een middel om misplaatste vrijspraken te voorkomen van verdachten die delicten plegen terwijl zij zodanig onder invloed zijn van alcohol of drugs, dat zij ontoerekeningsvatbaar moeten worden geacht.9 Veroordeling wegens het gepleegde delict – bijvoorbeeld mishandeling – is dan niet mogelijk. Indien een verdachte zich echter opzettelijk of nalatig door verdovende middelen in die schulduitsluitende roes heeft gebracht, dan kan hij wel schuldig zijn wegens Vollrausch. Dat is ook het geval indien de ontoerekeningsvatbaarheid niet bewijsbaar is, maar ook niet uitgesloten kan worden. Dat deed zich bijvoorbeeld voor in de zaak die leidde tot de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 15 oktober 1956.10 In die zaak had de verdachte onder invloed van alcohol meerdere politiemensen zwaar beledigd. De lagere rechter had hem wegens (de voorganger van) Vollrausch veroordeeld en daartoe overwogen dat de verdachte ten tijde van het feit stomdronken was. Medische deskundigen hadden gerapporteerd dat hij wegens alcoholgerelateerde bewustzijnsstoornissen niet in staat was geweest het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien of overeenkomstig dit inzicht te handelen. Op grond van andere verklaringen van getuigen over het gedrag van de verdachte twijfelde de beroepsinstantie aan de juistheid van de vaststellingen van de deskundigen. Aangezien zij echter de rapportage niet kon weerleggen, heeft zij, bij gebrek aan toerekenbaarheid, van een veroordeling wegens belediging (in dit geval de Rauschtat) afgezien en hem veroordeeld wegens Vollrausch, omdat hij zichzelf nalatig in een ontoerekeningsvatbare toestand had gebracht en daarin een met straf bedreigd feit, namelijk belediging, had gepleegd. Het Bundesgerichtshof vond dat juist. Daarmee is een Stufenverhältnis tussen een in een roes begaan delict (Rauschtat) en Vollrausch aangenomen. De straf op Vollrausch is ingevolge § 323a Abs.1 StGB maximaal vijf jaar. Daarbij bepaalt § 323a Abs.2 StGB dat de straf niet zwaarder mag zijn dan de straf die op het gepleegde delict zelf staat. Zo is zeker gesteld dat de verdachte bij twijfel niet te zwaar wordt bestraft.11
De volgende categorie betreft zaken waarin bewezen kan worden dat iemand nalatig is geweest, maar ook opzettelijk handelen in zicht komt. Opzet en nalatigheid hebben betrekking op de houding van de verdachte ten opzichte van het delict en sluiten elkaar volgens de Duitse dogmatiek logisch uit.12 Deze logische exclusiviteit levert ook een normatieve Stufenverhältnis op. Het gevolg is dat de verdachte slechts wegens nalatigheid bestraft kan worden, want daarop staat steeds een lichtere straf.13 Deze Stufenverhältnis is praktisch vooral van belang bij verkeersdelicten.14
De laatste categorie die genoemd moet worden is de Stufenverhältnis tussen doen en nalaten. Ingevolge § 13 Abs. 2 StGB geldt voor plegen door nalaten een lager strafmaximum. Bij twijfel moet daarom van nalaten worden uitgegaan.15
In het voorgaande was steeds sprake van gevallen waarin één feitencomplex ter beoordeling voor lag. De voornoemde regels zijn echter ook van toepassing in gevallen waarin twee of meer handelingen zijn vastgesteld, maar een eenduidige veroordeling nodig is. Baumann c.s. geven als voorbeeld het geval waarin een verdachte zijn slachtoffer eerst smoort met het doel hem lichamelijk letsel toe te brengen en hem daarna wurgt met een stropdas met het doel hem te doden. Het slachtoffer overlijdt. Beide handelingen waren geschikt om hem te doden, maar niet kan worden vastgesteld als gevolg van welke handeling en op welk moment hij daadwerkelijk is overleden. De verdachte kan in ieder geval niet wegens moord worden veroordeeld. Het wurgen met de stropdas gebeurde weliswaar met het opzet om te doden, maar in het voor de verdachte meest gunstige geval was het slachtoffer toen al dood. Mogelijk is slechts sprake van poging tot moord op een ondeugdelijk object.16 Wel is de verdachte wegens mishandeling de dood ten gevolge hebbende te veroordelen. Zowel het smoren als het wurgen levert in ieder geval het opzettelijk toebrengen van letsel op. Ervan uitgaande dat het smoren de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, ligt veroordeling wegens § 227 StGB (mishandeling de dood ten gevolge hebbende) voor de hand, want de verdachte had rekening kunnen en moeten houden met de dood als mogelijk gevolg en heeft in zoverre nalatig gehandeld. Als ervan wordt uitgegaan dat het wurgen met de das de dood heeft veroorzaakt, dan kan – omdat zoals gezegd de wurgingshandeling een bestanddeel van mishandeling kan opleveren – ook een veroordeling wegens § 227 StGB volgen. Aangezien beide handelingen van de verdachte onder § 227 StGB kunnen vallen en zeker is dat één van beide handelingen de dood heeft veroorzaakt, kan de verdachte wegens mishandeling de dood ten gevolge hebbend worden veroordeeld.17
Gleichartige Wahlfeststellung
Van de echte Wahlfeststellung moet ook nog worden onderscheiden de gleichartige (onechte, onzuivere of gelijksoortige) Wahlfeststellung (ook wel Tatsachenalternativität genoemd). In een dergelijk geval wordt de verdachte wegens overtreding van één voorschrift gestraft. De onechte Wahlfeststellung kan zich op twee manieren voordoen. De eerste manier is die waarbij de verschillende feitelijke toedrachten in hun uitvoering gelijk zijn. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar het eerder genoemde geval waarin een hiv-geïnfecteerde verdachte tweemaal onbeschermde seks heeft met zijn slachtoffer en bij één van beide contacten het hiv-virus overdraagt. Niet kan worden vastgesteld tijdens welk contact het virus is overgedragen, maar zeker is dat het slachtoffer door één van beide contacten besmet is.18 Voor in dubio pro reo is dan geen ruimte. De verdachte kan veroordeeld worden wegens het toebrengen van lichamelijk letsel. Hetzelfde geldt voor het geval waarin een verdachte onder ede twee verschillende verklaringen heeft afgelegd en niet vastgesteld kan worden welke daarvan meinedig is. Vaststaat dat in ieder geval één van beide verklaringen dat is. In deze gevallen zal de onechte Wahlfeststellung zichtbaar zijn in het Anklageschrift. Daarin zal bijvoorbeeld staan dat de verdachte “wird angeklagt, entweder am 8.1.2007 oder am 29.1.2007 in Münster vor Gericht als Zeuge uneidlich falsch ausgesagt zu haben”. Bij een veroordeling zal in de Tenor niet terug te zien zijn dat sprake is van een onechte Wahlfeststellung.19 Het tijdstip waarop het strafbare feit is gepleegd, komt daarin niet terug, evenmin als de pleegplaats. De tweede manier is die waarbij de toedrachten niet identiek, maar juist alternatief zijn en de verschillende in aanmerking komende mogelijkheden waarop het delict zich kan hebben voorgedaan in dezelfde norm zijn omschreven. De in aanmerking komende alternatieven moeten in dat geval wel in ernst en schuld overeenkomen. Deze zogenoemde gleichartige Wahlfeststellung is bijvoorbeeld toelaatbaar bij uitvoeringsvormen van heling (verschaffen en verkopen) en de verschillende motieven voor moord.20 Ook hier zie je in de Tenor niet terug dat sprake is van een onechte Wahlfeststellung.21