Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/6.3.2.0
6.3.2.0 Introductie
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Boksem 1996, p. 100.
Vgl. Kruse 2008, p. 174.
Brunner 2012, Rn. 174.
§ 261 StPO luidt: Über das Ergebnis der Beweisaufnahme entscheidet das Gericht nach seiner freien, aus dem Inbegriff der Verhandlung geschöpften Überzeugung.
BGH 12 oktober 1989, BGHSt 36, 262. In Nederland zou dit wellicht kunnen worden opgelost door aan de verdachte ten laste te leggen dat hij in een bepaalde periode twee keer onbeschermde seks met het slachtoffer heeft gehad en dat het slachtoffer is geïnfecteerd ten gevolge van één van die handelingen, vgl. HR 26 juni 1962, NJ 1963/11.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 167.
Zie de discussie tussen de verschillende senaten van het Bundesgerichtshof, Beschluss des 2. Strafsenats vom 28. Januar 2014 – 2 StR 495/12, Beschluss des 1. Strafsenats vom 24. Juni 2014 – 1 StR 14/14 en Beschluss des 5. Strafsenat vom 16 Juli 2014 – 5 ARs 39/14.
Baumann/Weber/Mitsch 2003, p. 167-168, Heinrich 2014, p. 648.
In het bovenstaande is uitgegaan van de standaardsituatie, waarin min of meer duidelijk is wat de feitelijke toedracht van een bepaald strafbaar feit is geweest. Die feitelijke toedracht is vanzelfsprekend niet altijd helder. Bij twijfel kan de Staatsanwalt in het Anklageschrift zekerheidshalve voor twee ankers gaan liggen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als iemand onder ede twee compleet verschillende verklaringen heeft afgelegd, maar niet zonder meer duidelijk is welke verklaring meinedig is. Of wanneer bij een verdachte gestolen spullen worden aangetroffen, maar niet duidelijk is of de verdachte moet worden aangemerkt als heler of dief.1 In een dergelijk geval moeten alle in aanmerking komende toedrachten en delicten in het Anklageschrift worden opgenomen.2
Aan Brunner3 ontleen ik het volgende voorbeeld van een Anklageschrift waarin de Staatsanwalt zowel diefstal als heling heeft opgenomen:
“Der Angeschuldigte begab sich entweder am 02.06.2009 gegen 16.00 Uhr in das Art-Museum in Kunststadt und entwendete dort in einem unbeobachteten Augenblick den Picasso “Der Würfel”, Wert 500.000,- €,
oder
er kaufte am 04.06.2009 gegen 23.00 Uhr am Hauptbahnhof in Hehlhausen den Picasso “Der Würfel” für 200.000,- € von einem Unbekannten, wobei er wusste, dass dieser den Picasso im Art-Museum in Kunststadt entwendet hatte.
Der Angeschuldigte wird daher beschuldigt, entweder eine fremde bewegliche Sache einem anderen in der Absicht weggenommen zu haben, dieselbe sich rechtswidrig zuzueignen
oder
eine Sache, die ein anderer gestohlen hat, angekauft zu haben, um sich zu bereichern,
strafbar als
Diebstahl oder Hehlerei nach § 242 I StGB oder § 259 I StGB.”
Als in het Eröffnungsbeschluss voor de alternatieve feiten rechtsingang wordt verleend, komen deze in het Hauptverfahren aan de orde. Bij de beoordeling van die feiten is in Duitsland, net als in Nederland, ‘in dubio pro reo’ een belangrijk rechtsbeginsel. In Duitsland wordt het onder meer afgeleid uit § 261 StPO.4 Een veroordeling wegens een strafbaar feit is alleen mogelijk als de rechter er van overtuigd is dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Twijfelt de rechter, dan moet hij uitgaan van de voor de verdachte meest gunstige gang van zaken en hem vrijspreken. Er doen zich, zoals gezegd, echter gevallen voor waarin niet precies kan worden vastgesteld wat er is gebeurd. Desalniettemin zou vrijspraak op onbegrip stuiten. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval waarin een hiv-geïnfecteerde, die door zijn arts is voorgelicht over de omvang, gevolgen en overdraagbaarheid van zijn ziekte, op twee verschillende dagen onbeschermde seks heeft met S. Bij één van beide contacten draagt de verdachte het virus over aan S, maar er kan niet worden vastgesteld op welke dag S is geïnfecteerd.5 In de Duitse literatuur wordt opgemerkt dat vrijspraak in een dergelijk geval onacceptabel zou zijn.6 In de rechtspraak en literatuur hebben zich gevallen van meervoudige feitenvaststellingen ontwikkeld, met het doel om enerzijds onrechtvaardige vrijspraken te vermijden en anderzijds onterechte veroordelingen te voorkomen. Bij de rechterlijke besluitvorming over een meervoudige feitelijke basis kan vervolgens een eenduidige of meervoudige veroordeling volgen. Een eenduidige veroordeling – dat wil zeggen een bestraffing wegens één delict – heeft voorrang. Een wahldeutige (meervoudige) veroordeling is een wettelijk niet geregelde – en daarom enigszins omstreden7 – uitzonderingsconstructie die alleen toegestaan is als een eenduidige veroordeling niet mogelijk is.8 In het onderstaande worden eerst de verschillende vormen van eenduidige veroordelingen op basis van een meervoudige feitelijke basis besproken. Pas daarna komt de echte Wahlfeststellung aan de orde.