De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.9.1:I.3.9.1 Voorstel omtrent revolutionaire Kamerleden (1937)
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.9.1
I.3.9.1 Voorstel omtrent revolutionaire Kamerleden (1937)
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285004:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 9 april 1937, Stb. 1937, 306.
Handelingen II 1936/37, 50, p. 1587.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste voorstel dat in tweede lezing werd weggestemd door de Tweede Kamer betrof een voorstel over de behandeling van revolutionaire volksvertegenwoordigers. De opkomst van het communisme en nationaalsocialisme in de jaren ’30 van de vorige eeuw leidde ertoe dat het kabinet-Colijn III in 1936 een staatscommissie instelde om de mogelijkheden te onderzoeken om revolutionaire bewegingen te kunnen bedwingen. Dit mondde uit in het volgende voorstel, dat de regering in augustus 1936 indiende. De kern hiervan luidde als volgt:
‘De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. Zij kunnen tusschentijds door de Tweede Kamer van hun lidmaatschap vervallen worden verklaard, indien zij een streven tot uitdrukking brengen, gericht op verandering van de bestaande rechtsorde met toepassing of bevordering van onwettige middelen; een voorstel tot vervallenverklaring kan niet worden aangenomen dan met de stemmen van twee derden van het aantal leden, waaruit de Kamer bestaat. De wet regelt de rechtspleging en de gevolgen van vervallenverklaring; de gevolgen kunnen mede het lidmaatschap betreffen van de andere vertegenwoordigende lichamen, in de Grondwet genoemd. De plaats van het vervallenverklaarde lid blijft gedurende de loopende periode onbezet.’1
Dit voorstel doorstond de eerste lezing.2 Bij de stemming stemden 60 leden voor en 36 op 11 februari 1937 tegen. De SDAP en de kleinere partijen (VDB, NSB, CPN en CDU) in de Tweede Kamer stemden tegen dit voorstel.3 De verkiezingen van mei 1937 leverden slechts kleine verschuivingen op. De NSB kwam met vier zetels voor het eerst in de Tweede Kamer. De verkiezingsuitslag van 1937 maakte duidelijk dat het voorstel weinig kansrijk was in tweede lezing. In de tweede lezing kreeg het voorstel wederom 60 zetels, maar dat leverde niet de vereiste gekwalificeerde meerderheid op. Er was gewoonweg te weinig draagvlak.