Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.4.2
1.4.2 Rechtsbescherming
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268531:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 15, eerste lid (vrijheid van beroep) en art. 16 (vrijheid van ondernemerschap) van het Handvest (zie ook hierna). In Nederlandse toetsingsprocedures is overigens nog geen beroep gedaan op (schending van) de bepalingen uit het Handvest.
Commissie-Ottow, Externe evaluatie toetsingsproces AFM en DNB, Utrecht, 30 november 2016, p. 10, Bijlage 1 bij Kamerstukken II 2017/17, 32 648, nr. 14 (hierna: rapport van de Commissie Ottow).
Zie bijvoorbeeld G.P. Roth & M. van Eersel, ‘Rechtsbescherming tegen AFM en DNB: wat stelt die eigenlijk voor?’, in: D. Busch & M.P. Nieuwe Weme, Christels Koers (Serie Onderneming en Recht, deel 79), Deventer: Kluwer 2013, p. 602-603, G. P. Roth & J.S. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Het wettelijk stelsel, de praktijk en de mate van rechtsbescherming, TvCo 2015, afl. 4, p. 171 en 172 en G.P. Roth, ‘Rechtsbescherming tegen handelingen van DNB en de AFM’, Ondernemingsrecht 2016/48.
Zie de annotatie van S.M.C. Nuijten bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 16 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1850), JOR 2015/110.
Een ander knelpunt betreft de rechtsbescherming. Een negatief (afwijzend) toetsingsbesluit betekent een beperking van de in het Europees Handvest neergelegde vrijheden van ondernemerschap en van het uitoefenen van beroep,1 en kan forse impact hebben op de reputatie en loopbaan van betrokkene. Effectieve rechtsbescherming is dus van groot belang. Juist omdat hun reputatie op het spel staat bestaat bij betrokken personen echter vaak een geringe procesbereidheid. Dit kan ertoe leiden dat, ook wanneer het toetsingsoordeel als onjuist wordt ervaren, rechtsbeschermingsmogelijkheden onbenut blijven. Daarnaast richt de handhaving zich in de meeste gevallen tot de instelling en is de getoetste persoon slechts (derde-)belanghebbende bij het besluit. Dit maakt dat rechtsbeschermingsmogelijkheden kunnen ontbreken, bijvoorbeeld wanneer de instelling ervoor kiest de definitieve besluitvorming door de toezichthouder niet af te wachten. Op de kwetsbare rechtspositie van deze “teruggetrokken” personen (zoals bestuurders en commissarissen)2 wijzen onder meer Ottow,3 Roth4 en Nuijten.5