Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/7.8
7.8 Het gebruik van niet nader onderbouwde aannames en stereotypen
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180178:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
IND-werkinstructie 2014/10.
De IND is sinds mijn interviews hebben plaatsgevonden in de opleiding van hoor- en beslismedewerkers meer aandacht gaan besteden aan bewustwording van de eigen normen en waarden en het eigen referentiekader.
Zie ook Spijkerboer 2000. Spijkerboer schrijft uitvoerig over hoe stereotype overwegingen over gender een rol spelen in (de toepassing van het) vluchtelingenrecht.
Zie ook Spijkerboer 2000, p. 190. Als de asielzoeker zich gedraagt zoals van hem op basis van stereotype overwegingen wordt verwacht, is de kans groot dat dit zijn geloofwaardigheid in de ogen van de IND-medewerker ten goede komt.
Zie bijvoorbeeld: Sweeney 2009.
Knegt 1986.
Kok 2016, p. 55.
De meeste onzekerheden die IND-medewerkers ervaren, hebben te maken met de vaststelling van feiten die niet met informatie uit objectieve bronnen onderbouwd wordt of kan worden. De IND-medewerkers moeten bij het vaststellen van de feiten in die gevallen volledig afgaan op de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker moet door IND-medewerkers worden vastgesteld aan de hand van interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren.1
Als externe bronnen ontbreken, moeten zij de geloofwaardigheid van verklaringen volledig vaststellen aan de hand van interne indicatoren. Dit doen zij door na te gaan of de verklaringen van de asielzoeker specifiek en gedetailleerd genoeg zijn. Als IND-medewerkers hiervan niet overtuigd zijn, kunnen ze de verklaringen als ‘vaag’ afdoen. Ook mogen de verklaringen geen innerlijke tegenstrijdigheden bevatten en niet inconsistent zijn met andere informatie die door de asielzoeker is ingediend (bijvoorbeeld verklaringen die in een ander gehoor zijn afgelegd). Asielzoekers moeten door IND-medewerkers wel worden geconfronteerd met deze geconstateerde tegenstrijdigheden (in een gehoor, of voornemen tot afwijzing), voordat zij deze ten grondslag mogen leggen aan een afwijzing van de asielaanvraag. Daarnaast beoordelen IND-medewerkers of zij de verklaringen (of het ontbreken daarvan) kunnen ‘rijmen’ met wat van de asielzoeker aan kennis mag worden verwacht, met wat bekend is over de situatie in het land van herkomst en met wat in het algemeen voor mogelijk wordt gehouden. Als verklaringen hiermee niet rijmen, kunnen ze door de beslismedewerker als ‘bevreemdingwekkend’ of ‘ongerijmd’ worden afgedaan. Sinds de IND de geloofwaardigheid beoordeelt door middel van de zogenoemde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, moeten IND-medewerkers uitdrukkelijker motiveren hoe zij geloofwaardig en ongeloofwaardig geachte verklaringen tegen elkaar afzetten. Daarnaast is er minder ruimte voor beslismedewerkers om het gehele relaas van de asielzoeker als ongeloofwaardig te beoordelen, als zij niet kunnen onderbouwen waarom de kern van het relaas ongeloofwaardig is.2
Mijn veldonderzoek vond plaats gedurende de transitie van de oude manier van beoordelen, naar deze integrale benadering. De meeste medewerkers verwachtten niet dat zij hun routines zouden moeten aanpassen aan de nieuwe werkwijze. Zij juichten het toe dat deze afweging nu ook nadrukkelijker in de beschikking naar voren zou komen. Een aantal medewerkers was wel bang dat het moeilijker zou worden om een aanvraag af te wijzen in die gevallen waarin zij er persoonlijk van overtuigd zijn dat de asielzoeker niet de waarheid vertelt, maar er geen informatie beschikbaar is op basis waarvan die overtuiging hard kan worden gemaakt. Zij maakten zich zorgen dat, vooral in die gevallen dat een innerlijke overtuiging ten grondslag wordt gelegd aan de asielaanvraag, het voor asielzoekers eenvoudiger zou worden om ‘misbruik’ te maken van de procedure.
Informele gesprekken tussen medewerkers gaan geregeld over de vraag of dat wat een asielzoeker verklaart als normaal of plausibel moeten worden beschouwd. Dit kan in de praktijk leiden tot verschillen. Medewerkers zijn zich hiervan ook bewust. Zo sprak ik een medewerker die zich erover beklaagde dat collega’s in het kader van de herkomstcheck aan mannen vragen stellen over de kraampjes op de markt in de wijk waar zij vandaan stelden te komen, of aan vrouwen vroegen waar de dichtstbijzijnde autogarage zich bevond. Zij vond dat haar collega’s er niet vanuit mochten gaan dat deze informatie bij respectievelijk vrouwelijke of mannelijke asielzoekers bekend zou zijn, zonder vooraf te vragen wie in het huishouden de boodschappen deed of de auto naar de garage bracht.3
Hoe groter de informatieonzekerheid is, hoe meer ruimte er ontstaat voor niet-onderbouwde aannames en gebruik van stereotypen. In hoofdstuk 6 schreef ik over een medewerker die vindt dat haar collega’s ten aanzien van homoseksuele asielzoekers er te snel vanuit gingen dat het gedrag van een asielzoeker niet te rijmen was met de normen over seksualiteit in het land van herkomst. Zij vertelde dit gedrag juist wel geloofwaardig te vinden en onderbouwde dit met verhalen over haar homoseksuele vrienden. Ik sprak een andere medewerker, die niet kon geloven dat een man uit het Midden-Oosten zijn deur niet op slot had gedaan, voordat hij seks had met een andere man, waardoor hij werd betrapt. Het was voor deze medewerker onvoorstelbaar dat een homoseksuele man in dat land zich zo weinig had laten leiden door het risico ontdekt te worden. Dit soort oordelen kunnen uiteraard niet met objectief bewijs worden onderbouwd.
Of een IND-medewerker een relaas gelooft, hangt dus mede af van de vraag welk beeld hij zich vormt van de leefwereld van de asielzoeker. Dit beeld is onvermijdelijk gebaseerd op subjectieve oordelen, stereotypen en andere onbevestigde aannames.4 De staatssecretaris schreef onlangs in een brief aan de Tweede Kamer dat stereotypen alleen mogen worden gebruikt als deze in het voordeel van de asielzoeker uitpakken.5 Als de IND-medewerker het zelf moeilijk vindt om zich een beeld te vormen van de leefwereld van de asielzoeker, kan hij zich ook het referentiekader van een collega eigen maken. Zo sprak ik een medewerker die me vertelde altijd met haar kamergenoot te overleggen als zij moet horen of beslissen in een procedure van een asielzoeker die stelt bekeerd te zijn. Haar kamergenoot was gelovig opgevoed en dus ging zij ervan uit dat haar kamergenoot beter wist hoe het moet voelen om gelovig te zijn en over welke kennis van het geloof een gelovig iemand normaal gesproken beschikt. Ten slotte zijn er medewerkers die het in sommige gevallen zo moeilijk vinden om zich een beeld te vormen van het referentiekader van een asielzoeker, dat ze er bij vrijwel alles vanuit gaan dat het waar zou kunnen zijn.
Uiteindelijk gaat het er niet om of IND-medewerkers persoonlijk overtuigd zijn van het relaas, maar of zij de verklaringen geloofwaardig achten in het licht van het beleid. Het gaat erom of zij hun professionele oordeel kunnen motiveren, zodat hun oordeel standhoudt voor de rechter. Toch speelt de vraag of IND-medewerkers persoonlijk overtuigd zijn van het relaas van de asielzoeker wel een rol.6 Het bepaalt mede hoe kritisch zij hun onderzoek naar de feiten uitvoeren. Als zij twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van de asielzoeker, zullen ze meer hun best doen om de asielzoeker te ‘betrappen’ op tegenstrijdigheden en hem uitgebreider bevragen over details. Daardoor wordt ook de kans op het ontdekken van ‘inconsistenties’ in het relaas groter. Daarnaast kunnen stereotypen en niet onderbouwde aannames er in twijfelgevallen toe leiden dat de beslissing een bepaalde kant uitvalt, of dat de hoormedewerker hem op een bepaalde wijze tegemoet ziet.7 Als een asielzoeker bijvoorbeeld typisch ‘gay’ overkomt op een medewerker, zal die eerder geneigd zijn verklaringen daarover als geloofwaardig aan te merken. Dat de IND-medewerkers met dergelijke subjectieve oordelen kunnen ‘wegkomen’, komt doordat de interne geloofwaardigheidsindicatoren in algemene termen zijn verwoord. Zij bieden dus veel ruimte aan de beslismedewerkers. Waarom verklaringen ongerijmd, bevreemdingwekkend, tegenstrijdig of inconsistent zijn, wordt door beslismedewerkers in beschikkingen niet altijd expliciet gemotiveerd en de rechter lijkt dit ook niet altijd te eisen.8 Ten aanzien van asielzoekers die afkomstig zijn uit landen waar volgens de IND weinig vervolging plaatsvindt, zullen de meeste IND’ers overigens minder snel het voordeel van de twijfel toepassen.
Om voor IND-medewerkers overtuigend te zijn, mag een relaas niet teveel afwijken van wat hun bekend is. Aan de andere kant mag een relaas ook niet teveel lijken op andere relazen. In hoofdstuk 6 haalde ik het voorbeeld aan van een medewerker die zei dat hij vermoedde dat een relaas van een Chinese asielzoeker, die zei te worden vervolgd als christen, was verzonnen. De mede- werker vertelde dat het relaas teveel leek op dat van andere Chinese asielzoekers om authentiek te zijn. Om geloofwaardig over te komen in de ogen van IND-medewerkers moet het relaas van de asielzoeker dus enerzijds elementen bevatten die overeenkomen met wat bekend is of aansluiten bij aannames van de medewerker. Anderzijds moet ieder relaas iets unieks hebben, anders wordt de verdenking gewekt dat het verhaal is verzonnen. Als het relaas teveel of te weinig lijkt op andere relazen, kan dit de IND-medewerker motiveren om de verklaringen van de asielzoeker kritischer te onderzoeken of kan dit de beslismedewerker ervan overtuigen om in een twijfelgeval het asielverzoek af te wijzen.