Grenzen aan testeervrijheid
Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.3.3:7.1.3.3 Verdere normering vanuit economische belangen
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.3.3
7.1.3.3 Verdere normering vanuit economische belangen
Documentgegevens:
mr. drs. M.R. Beuker, datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685814:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze mogelijkheid bestaat wel in onverwachte situaties.
Vgl. J.H.M. ter Haar, Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013.
Hof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9090.
Art. 1:402a BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de achtergronden in het familierecht van Boek 1 BW blijken al veel richtlijnen die kunnen helpen bij invulling van de som ineens voor verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. Omdat de som ineens een voortzetting is van onderhoudsplichten die bij leven ook bestaan, past aansluiting bij de begrippen in het familierecht het best bij de doelen achter art. 4:35 BW.
Een analyse van de economische aspecten rondom art. 4:35 BW kan helpen nog verdere invulling te geven aan de som ineens. Daarvoor is relevant dat de som ineens kan leiden tot een vererving die ingaat tegen de wensen van een erflater. Daardoor zullen de economische voordelen van testeervrijheid zich mogelijk slechts in beperktere mate manifesteren (hoofdstuk 4.2). De erflater ontleent bijvoorbeeld minder utiliy aan zijn vermogen en het wordt voor hem wellicht minder aantrekkelijk om te werken en vermogen op te bouwen.
Om kinderen te beschermen en één ouder niet onevenredig met de kosten voor kinderen te belasten, is het toch efficiënt de kosten voor kinderen te verdelen over de echtgenoten. Wanneer één ouder na einde van het huwelijk meer zorgtaken verricht of kosten voor de kinderen betaalt, wordt deze persoon meer geconfronteerd met de ‘kosten’ voor deze kinderen (hoofdstuk 4.3.2.1). Een verdeling over beide echtgenoten is efficiënt en voorkomt in meer gevallen dat de samenleving deze kosten voor kinderen draagt. Het economisch belang gaat dus niet zo ver dat de overledene voor alle kosten van de kinderen zou moeten opdraaien.1 Vanwege deze reden is het efficiënt dat een ex-echtgenoot die kinderen verzorgt in diverse gevallen een beroep kan doen op kinderalimentatie. Hetzelfde geldt echter bij overlijden van een echtgenoot. Ook vanwege deze economische reden ligt het voor de hand om bij het vaststelling van de aanspraak ex art. 4:35 BW een parallel te trekken met de onderhoudsplicht die de erflater bij leven had jegens de somgerechtigde(n). Bij kinderalimentatie worden de kosten van kinderen immers eveneens verdeeld over de voormalige echtgenoten.2
De sommen ineens zijn tezamen gemaximeerd op 50% van de waarde van de nalatenschap, art. 4:37 lid 4. Denkbaar is dat een minder grote beperking op de testeervrijheid efficiënt is. De sommen ineens zijn dus niet in elke situatie 50% van de nalatenschap; dit percentage is een maximumwaarde.
Omrekenen maandelijkse kosten naar som ineens
Aangezien de Alimentatienormen resulteren in een maandelijkse behoefte (en draagkracht) van de onderhoudsplichtige kan een maandelijkse alimentatie niet direct dienen om de omvang van de som ineens vast te stellen. Bij het omrekenen van maandelijkse alimentatiebedragen naar een som ineens kan rekening worden gehouden met een aantal factoren die hierna aan bod komen.
Rente
Vaak wordt bij het bepalen van de som ineens geen rekening gehouden met rente. Het hof Arnhem-Leeuwarden berekende bijvoorbeeld de som ineens door de maandelijkse behoefte te vermenigvuldigen met het aantal termijnen dat behoefte bestond aan de som ineens.3 Er werd dus geen rekening gehouden met het feit dat de som ineens direct opeisbaar is.
Een betaling van een som ineens is in beginsel voordeliger voor een schuldeiser dan betaling in termijnen. Het geld kan rendement opleveren totdat het gebruikt moet worden. Inschatting van het te verkrijgen rendement is echter ingewikkeld. Bij een net geboren claimant is een deel van de som ineens bedoeld om pas na twintig jaar gebruikt te worden. Het is onzeker hoeveel rendement daarop verkregen zal worden, maar het is onredelijk om rendement in het geheel buiten schot te laten. Bij de waardering van vruchtgebruiken wordt fiscaal uitgegaan van een rendement van 6%4 voor de erfbelasting en 4%5 voor de inkomstenbelasting.
De wettelijke rente is op het moment van schrijven van dit proefschrift aanmerkelijk lager; slechts 2%. Met deze lage rentepercentages kan het omwille van de eenvoud van de berekening van de som ineens gerechtvaardigd zijn de rente buiten beschouwing te laten. Economisch gezien zou een zuivere berekening daarentegen ook oog hebben voor rente. Als de rente in de toekomst hoger mocht worden of de som ineens een groot bedrag vertegenwoordigt, zal de rechter echter wel rekening moeten houden met te verwachten rente.
Inflatie
Waar rente in het voordeel werkt van de gerechtigde tot een som ineens, vormt inflatie juist een nadeel. Wat vandaag voldoende is om een maand van te leven, is over 20 jaar waarschijnlijk te weinig. Het is wenselijk om met dergelijke effecten rekening te houden bij het vaststellen van de omvang van de som ineens. Op die manier vormt deze som een betere benadering van het bedrag dat noodzakelijk is ter bestrijding van de werkelijke kosten van de claimant. In de praktijk zal het echter vaak lastig zijn om rekening te houden met inflatie, omdat onzeker is hoe prijzen zich in de toekomst ontwikkelen.
Bij alimentatie vindt jaarlijks indexering plaats om tegen te gaan dat alimentatiegerechtigden uiteindelijk onvoldoende hebben om van te leven. Deze indexering houdt in dat het bedrag dat betaald moet worden aan alimentatie gelijkstaat aan de gemiddelde stijging van lonen in Nederland.6
Erfbelasting
Uitkering van een som ineens kan leiden tot belastingheffing op grond van de Successiewet 1956. Een som ineens die bruto gelijkstaat aan de behoefte van het kind kan na belastingheffing te weinig blijken voor deze verzorging. Als erfbelasting over de som ineens moet worden betaald, houdt de gerechtigde dus wellicht te weinig over. Ook met de erfbelasting kan daarom rekening worden gehouden bij vaststelling van de som ineens.
Omvang som ineens in verhouding tot art. 4:36 BW
De sommen ineens belopen gezamenlijk ten hoogste – eenvoudig gezegd – de helft van de nalatenschap. Voor zover nodig ondergaan de sommen ineens een evenredige vermindering, art. 4:37 lid 4 BW. Dit betekent dat de plicht van de erflater om te voorzien in verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie even zwaar weegt als de plicht om kinderen en diverse anderen te compenseren voor werk dat zij zonder billijke vergoeding voor de erflater hebben verricht.
Het is opmerkelijk dat de som ineens ex art. 4:35 BW niet voorgaat op die van art. 4:36 BW. De eerste kan gezien worden als voortzetting van een bij leven afdwingbare verzorgingsplicht, terwijl de tweede slechts een natuurlijke verbintenis inhoudt. Het belang van toekenning van een som ineens ex art. 4:35 BW lijkt economisch groter dan dat van degene die art. 4:36 BW wil toepassen. Zo speelt bij art. 4:35 BW vaak ook het belang van de staat; minderjarige en jongmeerderjarige kinderen zullen vaker moeten leunen op sociale voorzieningen als ze geen middelen hebben voor hun verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. Daarbij komt nog het economisch belang dat het kind zelf heeft bij die middelen. Een laatste belang is dat van (toekomstige) ouders; wanneer geen recht bestaat op een som ineens ex art. 4:35 BW hebben zij een groter risico om de kosten voor hun kind (meer) zelf te moeten voldoen. Dat kan het krijgen van kinderen meer risicovol maken (hoofdstuk 4.3.1, 4.3.2.1 en 4.3.3.1). De som ineens van art. 4:36 BW heeft slechts als economische rechtvaardiging om een aanspraak toe te kennen bij sommige handelingen die zodanig irrationeel zijn dat van marktwerking en een redelijke balans tussen betrokken belangen geen sprake is geweest. Daar gaat het meer om het rechtzetten van economisch onredelijk handelen. Het economisch belang bij de som ineens ex art. 4:35 BW zal in veel gevallen daarom waarschijnlijk groter zijn dan het economisch belang bij art. 4:36 BW.
Het zou waarschijnlijk efficiënter zijn geweest als de wetgever had bepaald dat uitkering van de sommen ex art. 4:35 BW voorgaat op die van art. 4:36 BW. In het geval iemand overblijft die onderhoudsplichtig is jegens het kind, terwijl een beroep op art. 4:35 BW wel is toegekend, kan het wel weer redelijk zijn om tot evenredige vermindering van sommen ineens over te gaan.
Een oplossing om recht te doen aan de verschillende economische belangen is door de omvang van de billijke vergoeding ex art. 4:36 BW mede te laten afhangen van de mate waarin art. 4:35 BW in een casus relevant is. Als de erflater minderjarige of jongmeerderjarige kinderen achterlaat die behoefte hebben aan een som ineens ex art. 4:35 BW, terwijl geen andere persoon aanwezig is die de verzorging op zich kan nemen, zou een vergoeding ex art. 4:36 BW misschien slechts billijk zijn voor zover reeds in de kosten ex art. 4:35 BW is voorzien.