Grenzen aan testeervrijheid
Einde inhoudsopgave
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.3.1:7.1.3.1 Juridisch-dogmatische aspecten
Grenzen aan testeervrijheid (AN nr. 178) 2023/7.1.3.1
7.1.3.1 Juridisch-dogmatische aspecten
Documentgegevens:
mr. drs. M.R. Beuker, datum 10-10-2022
- Datum
10-10-2022
- Auteur
mr. drs. M.R. Beuker
- JCDI
JCDI:ADS685690:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2006, p. 91.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, Invoeringswet, p. 1380-1381.
J.H.M. ter Haar, Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 170-173.
Rapport Alimentatienormen 2022-1, Leeuwarden: De Rechtspraak (Expertgroep Alimentatie) 2022, p. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De som ineens voor verzorging en opvoeding ziet op de periode totdat een gerechtigde achttien jaar wordt. Daarna bestaat aanspraak op levensonderhoud en studie tot de gerechtigde eenentwintig jaar is. De grens van eenentwintig jaar kent een historische verklaring. Een onderhoudsplicht bestond lange tijd omdat de meerderjarigheidsgrens vroeger op de leeftijd van eenentwintig jaar lag. Toen deze grens in Boek 1 BW werd verlaagd tot achttien jaar vreesde de wetgever dat de overheid zou opdraaien voor de kosten waarvoor vroeger de ouders verantwoordelijk waren. Gekozen is daarom de onderhoudsplicht net als voorheen, dus ongeacht eventuele behoeftigheid, te laten voortduren totdat het kind eenentwintig wordt. De som ineens sluit aan bij deze onderhoudsplicht in het familierecht.1
Voor zover nodig
De som ter verzorging en opvoeding komt het kind slechts toe voor zover deze nodig is voor verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. Deze beperking kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Het meest voor de hand ligt de uitleg dat wordt gedoeld op de behoeftigheid van het kind. Het gaat dan dus om omstandigheden die het kind, diens inkomen en vermogen betreffen. Kolkman concludeert dat behoeftigheid van het kind, anders dan bij de onderhoudsplicht tijdens leven, wel is vereist voor een beroep op de som ineens.2
Bij de bepaling in hoeverre de som ineens nodig is, kunnen art. 1:245 BW en art. 1:404 BW een rol spelen. Niet alleen het hoogst noodzakelijke is hierbij van belang, maar ook de levensstandaard. In het volgende hoofdstuk zal de berekening van de som ineens worden uitgewerkt.
Minder duidelijk is in hoeverre omstandigheden die niet zien op inkomen, vermogen en verkrijgingen van het kind een rol spelen bij de interpretatie van de woorden ‘voor zover nodig’. Zij kunnen zodanig worden geïnterpreteerd dat slechts recht bestaat op de som ineens indien na overlijden van de erflater geen jegens het kind onderhoudsplichtige personen achterblijven. Een andere interpretatie is dat een som ineens ook mogelijk is indien geen draagkrachtige onderhoudsplichtige achterblijft.
De minister gaf aan dat het bij art. 4:35 BW gaat om situaties waarin niet wordt voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Er zal volgens de minister in de praktijk geen behoefte bestaan aan uitkering van de som ineens als de langstlevende of een ander de verplichting tot verzorging en opvoeding op zich neemt.3 Ter Haar beschrijft de onwenselijke consequenties van een zodanig beperkte uitleg.4 Er kunnen inderdaad de nodige vraagtekens worden geplaatst bij een zeer beperkte uitleg van de som ineens. De erflater heeft immers ook een zorgplicht jegens zijn kind.
Zoals bij de verzorgingsvruchtgebruiken van art. 4:29 BW en art. 4:30 BW gekeken werd naar partneralimentatie (hoofdstuk 6.3.6), ligt bij de som ineens een parallel met kinderalimentatie voor de hand. Het betreft immers een som voor exact dezelfde soort kosten als waar kinderalimentatie in voorziet. Kinderalimentatie is een aanspraak die beoogt kinderen tot de leeftijd van 21 jaar te beschermen in hun verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie. Evenals de som ineens voorgaat op de verzorgingsvruchtgebruiken, gaat ook in het familierecht de zorgplicht jegens kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt voor op de zorgplicht voor andere onderhoudsgerechtigden, art. 1:400 BW.
De Alimentatienormen bevatten een tabel voor de vaststelling van behoefte aan kinderalimentatie. Deze behoefte is afhankelijk van het gezinsinkomen voor de echtscheiding. Anders dan bij de hofnorm voor partneralimentatie leidt een verhoging van het inkomen van één echtgenoot na echtscheiding bij kinderalimentatie mogelijk wel tot een hogere behoefte.5
Bij de berekening van het gedeelte van de som ineens dat is bedoeld ter bestrijding van kosten voor levensonderhoud en studie kan eveneens het alimentatierecht als oriëntatiepunt dienen. De Alimentatienormen geven aan welke behoefte bestaat aan kosten voor levensonderhoud en studie. Deze hangen anders dan de kosten voor verzorging en opvoeding niet af van het netto gezinsinkomen. Zij bestaan uit forfaitaire bedragen die afhangen van de eventuele basisbeurs, aanvullende beurs, een lening en het collegegeld krediet.