Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/3.6.4
3.6.4 Regelmatigheid van de betekening
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377017:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 juli 1990, 305/88, Jur. 1990, p. 1-2725, NJ 1993, 75 (JO), Lancray/Peters.
HvJ EG LancraylPeters, r.o. 20.
BGH 20 september 1990 - IX ZB 1188, NJW 1991, 641.
S. Stade, 'Die ordnungsgemäße und rechtzeitige Zustellung des verfahrenseinleitenden Schriftstücks für die Anerkennung eines Verslumnisurteils nach Art. 27 Nr. 2 EuGVQ', NJW 1991, p. 184-185. Stade gaat zelfs zover te stellen dat er door het BGH geen prejudiciële vragen gesteld hadden moeten worden, aangezien de betekening tijdig is geweest - hetgeen door de Duitse gerechten is vastgesteld - en ook regelmatig overeenkomstig het Franse recht en de geldende verdragen is verricht. Mijns inziens is juist door de uitspraak van het HvJ EG duidelijkheid ontstaan over de vraag aan de hand van welk recht de mogelijkheden tot zuivering van de gebreken in de betekening dienen te worden beoordeeld.
Onder de EG-Betekeningsverordening zou het Franse stuk op basis van art. 8 in het Duits moeten worden vertaald.
Op 24 juni 2003 heeft het OLG München een prejudiciële vraag aan het HvJ EG gesteld omtrent de verenigbaarheid van de betekening ten parkette met art. 12 EG-Verdrag (discriminatieverbod op grond van nationaliteit). De zaak is onder het nummer C-522/03 bij het Hof aanhangig (Pb EU C 47 van 21 februari 2004, p. 20). Nu door de inwerkingtreding van de EG-Betekeningsverordening de betekening ten parkette in burgerlijke en handelszaken niet tot een geldige betekening in de EEX-verhoudingen leidt, zal het antwoord van het Hof slechts van belang zijn voor de gevallen van vóór de inwerkingtreding van de EG-Betekeningsverordening.
Op 17 oktober 2003 heeft de Hoge Raad aan het HvJ EG een aantal prejudiciële vragen gesteld over de mogelijkheden tot herstel van het verzuim ingeval niet aan de taalvoorschriften van de EG-Betekeningsverordening is voldaan (NJ 2004, 267). De zaak is bij het Hof onder het nummer C443/03 aanhangig (Pb EU C 304 van 13 december 2003, p. 17).
HvJ EG 12 november 1992, C-123/91, Jur. 1992, p. 1-5661, NJ 1996, 297, Minalmet/Brandeis.
HvJ EG Minalmet/Brandeis, r.o. 19.
Zie Geimer in zijn bespreking van de prejudiciële vragen van het BGH in de zaak Minalmet Brandeis (EuZW 1991, p. 447).
Zie ook de Toelichting bij het voorstel waar wordt bepaald dat een simpele fout in de betekening of kennisgeving niet tot weigering van de exequaturverlening mag leiden. Van belang is of de verweerder tijdig en voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn verdediging voor te bereiden (COM (1999) 348 def., p. 25).
De vraag of de betekening regelmatig is verricht, dient aan de hand van het recht van de staat van herkomst te worden bepaald. Onder het begrip 'recht' valt in deze samenhang niet alleen het recht van de rechter van die staat, maar tevens de voor hem geldende internationale regelingen. Aan de hand van dit recht moet dan ook de vraag worden beantwoord of een gebrek in de betekening kan worden hersteld.1 In de zaak Lancray 'Peters heeft een in Frankrijk gevestigde vennootschap (Lancray) een in Duitsland gevestigde vennootschap (Peters) voor de Franse rechter gedagvaard. De daartoe bevoegde Franse autoriteit heeft op 30 juli 1986 een in het Frans opgestelde dagvaarding aan de president van het Landgericht Essen toegezonden, waarbij Peters opgeroepen werd om op de zitting van 18 november 1986 voor de Franse rechter te verschijnen. De president werd verzocht een bewijs van betekening terug te zenden. In dit bewijs heeft de daartoe bevoegde Duitse autoriteit verklaard dat de dagvaarding door afgifte aan een secretaresse ten kantore van Peters is betekend. De dagvaarding was echter niet van een vertaling voorzien. Peters heeft zich bij brief van 11 november 1986 bij de Franse rechter erover beklaagd dat de betekening van de dagvaarding niet regelmatig is verricht, daar deze niet van een vertaling was voorzien. Peters is niet op de zitting verschenen, waarop de Franse rechter de vorderingen van Lancray heeft toegewezen. In de exequaturprocedure in Duitsland zijn door het BGH aan het HvJ EG prejudiciële vragen omtrent de uitleg van art. 27 sub 2 EEX-Verdrag gesteld. Het BGH heeft in navolging van de lagere instanties vastgesteld dat er in casu sprake is geweest van een tijdige betekening. Bij de betekening van de dagvaarding aan Peters is echter gebruikgemaakt van de alternatieve betekeningswijze, namelijk afgifte aan de persoon. Het BGH heeft vastgesteld dat volgens de toepasselijke internationale regelingen deze betekeningswijze slechts is toegestaan, indien de oproeping van een Duitse vertaling is vergezeld. Daarom heeft het BGH zich afgevraagd of de erkenning van een beslissing geweigerd kan worden, indien het geding-inleidende stuk de verweerder weliswaar tijdig maar onregelmatig heeft bereikt. Het HvJ EG heeft overwogen dat 'zo het alleen op tijdige kennisgeving zou aankomen, de eisende partijen immers in de verleiding [zouden] komen, de voor een regelmatige betekening voorgeschreven wegen te verlaten, terwijl de internationale verdragen de vereisten ter zake toch al sterk hebben gereduceerd. (... ) Ten slotte zou de verweerder dan niet met zekerheid kunnen weten, of een geding dat tot veroordeling kan leiden regelmatig is aangespannen en of het dus nodig is zijn verdediging voor te bereiden, ( J.2 Derhalve heeft het Hof gemeend dat indien de verweerder onregelmatig is opgeroepen, de erkenning van de beslissing geweigerd moet worden, ongeacht de vraag of de verweerder daadwerkelijk (tijdig) kennis van de procedure heeft gehad. Ten aanzien van de zuivering van het gebrek in de oproeping heeft het HvJ EG bepaald dat de mogelijkheden daartoe aan de hand van het recht van de staat van herkomst, de internationale regelingen inbegrepen, moeten worden beoordeeld.
In de vervolguitspraak op dit arrest van het HvJ EG heeft het BGH geoordeeld dat er in casu sprake is geweest van een onregelmatige betekening, aangezien aan het betekende stuk geen Duitse vertaling is toegevoegd, zoals § 3 van de Duitse Uitvoeringswet bij het Haags Betekeningsverdrag 1965 bepaalt.3 Derhalve is de erkenning van de Franse beslissing geweigerd. Op grond van art. 5 lid 1 sub a jo. lid 3 Haags Betekeningsverdrag kan de centrale autoriteit de betekening weigeren. In het voorliggende geval heeft de Duitse autoriteit dit echter nagelaten, hetgeen niet tot een gebrek in de betekening leidt. Het HvJ EG heeft bepaald dat de zuiveringsmogelijkheden aan de hand van het recht van de staat van herkomst dienen te worden beoordeeld, d.w.z. aan de hand van het Franse recht en de voor Frankrijk geldende internationale verdragen. Daartoe behoort echter niet de Duitse Uitvoeringwet.4 De Franse wet kent geen verplichting tot het vertalen van het gedinginleidende stuk in de taal van de staat van bestemming.5
Onder de EG-Betekeningsverordening is een betekening ten parkette niet toegestaan.6 Deze verordening bepaalt op welke wijze een gedinginleidend stuk binnen de EU betekend dan wel ter kennis gebracht moet worden. Dit leidt ertoe dat indien de betekening volgens de regels van de verordening wordt verricht, geen sprake kan zijn van onregelmatige betekening. Eveneens bevat art. 8 BetVo een taalvoorschrift. De ontvangst van het te betekenen stuk kan in de aangezochte lidstaat door de geadresseerde worden geweigerd indien het niet is opgesteld in de officiële taal van die lidstaat of in de door die lidstaat aangegeven talen dan wel in een taal die hij begrijpt.7Art. 5 van de verordening bepaalt dat de aanvrager door de verzendende instantie op de mogelijkheid van weigering dient te worden gewezen, indien het te betekenen stuk niet in de voorgeschreven talen is opgesteld.
In het Minalmet/Brandeis-arrest van het HvJ EG kwam eveneens de regelmatigheid van de betekening van het gedinginleidende stuk aan bod.8 In casu betrof het een geval van de erkenning van een verstekbeslissing van de Engelse rechter. De procedure die tot deze beslissing heeft geleid, is ingeleid door een 'writ of summons' die op een alternatieve wijze aan de verweerder, Minalmet, ter kennis is gebracht, namelijk door afgifte aan het bevoegde plaatselijke postkantoor met het achterlaten van een bericht aan het adres van de verweerder. Nadat de eisende partij, Brandeis, in Engeland een veroordelend vonnis heeft verkregen, heeft zij een exequatur in Duitsland verzocht. In de exequaturprocedure is een vraag omtrent de uitleg van art. 27 sub 2 EEX-Verdrag gerezen. Uit de feiten is gebleken dat Minalmet weliswaar niet op de hoogte is geweest van de procedure, doch dat aan haar het Engelse verstekvonnis regelmatig is betekend en dat zij heeft nagelaten om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Het HvJ EG heeft echter in zijn arrest beslist dat art. 27 sub 2 EEXVerdrag zich verzet tegen de erkenning van een verstekbeslissing, wanneer het gedinginleidende stuk aan de verweerder niet regelmatig is betekend, zelfs indien hij later van de gegeven beslissing kennis heeft gekregen en daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Het Hof is van mening dat '(...) het tijdstip waarop de verweerder zich moet kunnen verdedigen, het tijdstip van inleiding van het geding [is]. De mogelijkheid om achteraf een rechtsmiddel aan te wenden tegen een verstekvonnis waarvoor verlof tot tenuitvoerlegging is verleend, heeft niet dezelfde waarde als vóór die beslissing gevoerd verweer.'9 Uit het arrest van het Hof blijkt eveneens dat de exequaturrechter heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van een regelmatige betekening. Dit heeft het Hof niet voldoende geacht. Gezien het karakter van de exequaturprocedure moet ook de exequaturrechter, ter bescherming van de verweerder, de inhoud van het door de verzoeker overgelegde document inzake het bewijs van betekening (vgl. art. 46 EEX-Verdrag) toetsen.
Het Minalmet/Brandeis-arrest heeft mijns inziens onder de werking van art. 27 sub 2 EEX-Verdrag gevolgen voor zowel internationale als nationale verhoudingen. Indien het gedinginleidende stuk niet op regelmatige wijze aan een in een lidstaat woonachtige verweerder is betekend en deze verweerder niet voor de rechter in een andere lidstaat is verschenen, kan de erkenning aan de door deze laatste rechter gegeven beslissing worden onthouden. Maar ook een verstekbeslissing gegeven in een zuiver nationaal geval, dat wil zeggen in de situatie waarin de eiser en ook de verweerder zijn gevestigd in dezelfde lidstaat, kan de erkenning worden onthouden, indien het gedinginleidende stuk aan de verweerder niet regelmatig en/of niet zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig, is betekend.10 Dit zal zich met name voordoen indien een in een zuiver nationaal geval verkregen beslissing op het buitenlandse vermogen van de verweerder ten uitvoer moet worden gelegd. Het feit dat de executie van deze beslissing binnen de grenzen van de lidstaat van herkomst is toegestaan, doet er niet toe.
Onder art. 34 sub 2 EEX-Vo is de onregelmatigheid van de betekening geen grond voor de weigering van de erkenning van een beslissing. Ingevolge deze bepaling is slechts van belang of het stuk tijdig en op zodanige wijze als met het oog op de verdediging aan de verweerder is betekend. Er dient derhalve te worden onderzocht of het stuk is betekend. Dat het stuk eventueel niet op juiste wijze aan de verweerder is betekend, doet er niet toe. Het gevolg hiervan is dan ook dat aan het Minalmet/Brandeis-arrest onder de werking van art. 34 sub 2 EEX-Vo geen betekenis meer kan worden toegekend.11