Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.6:5.5.6 De Nationale ombudsman
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.6
5.5.6 De Nationale ombudsman
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Concrete externe en buitenstrafvorderlijke controle op het handelen van politie en OM op basis van dit type startinformatie kan zich voordoen door de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman behandelt door burgers ingestelde klachten over bestuursorganen. In relatie tot het TCI komt hij in beeld als de politie op basis van dergelijke informatie bijvoorbeeld een woning betreedt of doorzoekt, maar geen wapens of drugs worden gevonden. In een aantal rapporten heeft de ombudsman zich uitgelaten over het gebruikmaken van TCI-informatie voor de start van een onderzoek.
In deze rapporten ziet de TCI-informatie telkens op de aanwezigheid van wapens en zijn de woningen derhalve doorzocht op grond van art. 49 WWM, echter tevergeefs.1 De ombudsman verricht zijn onderzoek, naar onder meer de betrouwbaarheid vande TCI-informatie, door medewerkers van het TCI omtrent de uitgegeven informatie te horen. Daarnaast wordt ook inzage verleend in informantengegevens en politieregisters. Aldus wordt door de ombudsman gereconstrueerd of de TCI-informatie destijds als betrouwbaar kon worden aangemerkt en of dit tot een verdenking kon leiden. In alle gevallen oordeelt de ombudsman dat de politie uit kon gaan van de betrouwbaarheid van de informatie, bijvoorbeeld omdat de informant eerder betrouwbare informatie heeft verstrekt. Ook in het ontstaan van de verdenking ziet de ombudsman geen onbehoorlijkheid. In het op 12 februari 2004 uitgebrachte rapport wordt bij de bepaling van de verdenking het strafrechtelijk verleden van de verzoeker betrokken.2 Zoals eerder gesteld kan worden betwijfeld of dit in het licht van de Straatsburgse jurisprudentie daartoe mee mag werken. De ombudsman oordeelt in alle vier de rapporten dat het handelen van de politie op basis van de TCI-informatie behoorlijk was en dat hieraan niet af doet dat uiteindelijk geen wapens zijn aangetroffen.
In het bijzonder wordt gewezen op het rapport van de ombudsman van 19 juli 2005.3 In deze zaak vindt tijdens een grootschalige actie tevergeefs een doorzoeking plaats op basis van TCI-informatie die, wegens tijdgebrek, niet door het Hoofd CIE op betrouwbaarheid is getoetst. De ombudsman oordeelt dat de politie de informatie niettemin betrouwbaar kon achten, onder meer nu deze informant eerder juiste informatie heeft verstrekt. In ver-band hiermee overweegt de ombudsman dat gezien de grootschaligheid van de actie en vanuit strategisch oogpunt een later optreden na een volledige toets op de betrouwbaarheid van de tip minder effectief zou zijn geweest. Ten slotte wordt gesteld dat de van de informant afkomstige informatie ook voldoende concreet was om tot het redelijke vermoeden op grond van art. 49 WWM te leiden en dat de politie wat betreft de TCI-informatie dan ook geen blaam treft.
In casu is slechts op basis van ongeverifieerde TCI-informatie een woning doorzocht en ook nog eens zonder machtiging tot binnentreden. Begrijpelijkerwijs kunnen strategische overwegingen op een dergelijke avond voor politie en officier van justitie de doorslag geven om toch tot een doorzoeking over te gaan, zeker nu mogelijk vuurwapens in het geding zijn. Dat de ombudsman echter dergelijk handelen, en dan met name het niet laten functioneren van een belangrijk intern controlemechanisme zoals de controle door het Hoofd-TCI, achteraf behoorlijk oordeelt, is onwenselijk.