Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.6.4
3.6.4 Stel- en bewijsplicht bij disculpatie, taakverdeling en belet
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350946:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 234 stellen hierover slechts: “Bij aanwezigheid van een kenbare en bewust aangebrachte taakverdeling als bedoeld in art. 2:9 lid 1 (tweede zin) BW, zal afwezigheid van een aan de desbetreffende bestuurder (die zich op disculpatie beroept) persoonlijk te maken ernstig verwijt in beginsel gegeven zijn, ervan uitgaande dat het vastgestelde onbehoorlijk bestuur plaatsvond buiten zijn eigen takenpakket en binnen het takenpakket van een medebestuurder. Zie § 13.1 Een dergelijke taakverdeling vormt mijns inziens een dominant en in beginsel bepalend gezichtspunt in de disculpatie-analyse”. Assink vervolgt echter: “Het voorgaande ligt logischerwijs anders, indien de bestuurder: (a) ondanks deze taakverdeling feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij het gewraakte handelen/nalaten van zijn medebestuurder binnen diens takenpakket (die per definitie een ernstig verwijt treft, dat dan immers al is vastgesteld door de rechter); of (b) heeft waargenomen of had moeten waarnemen (hier kan een eventueel vertrouwensverweer spelen; zie § par. 13.1) dat zijn medebestuurder zijn taken niet goed vervulde en daardoor onbehoorlijk bestuur dreigde, maar hij niet heeft ingegrepen om dat dreigende onbehoorlijk bestuur te voorkomen.” Deze laatste toevoeging maakt mijns inziens juist duidelijk dat de taakverdeling in beginsel geen rol speelt omdat op de bestuurder op wiens takenpakket het onbehoorlijk bestuur geen betrekking had nog steeds de stelplicht en de bewijslast rust dat noch (a) noch (b) op hem van toepassing is. Sterker, ook wanneer het onbehoorlijk bestuur wel zag op zijn takenpakket zou een aangesproken bestuurder zich moeten kunnen disculperen wanneer het onbehoorlijk bestuur was veroorzaakt door een medebestuurder die hetzelfde takenpakket had als de aangesproken bestuurder, maar (a) en (b) niet op de aangesproken bestuurder van toepassing zijn. Ik kom hier later in deze paragraaf op terug.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 5.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 5-6.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 6.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 6.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15-16.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15-16.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 3.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Borrius 2012, par. 8.5.3.
Rb. Oost-Brabant 17 december 2014, JOR 2015/129 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Stichting Bureau Jeugdzorg).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8.
Borrius 2012, par. 8.5.3.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 1.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 3-4 en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, nr. c (MvA), p. 15 en 23: “Ook is een taakverdeling bij bestuursbesluit mogelijk. In de praktijk vindt de taakverdeling meestal plaats op basis van een afspraak van de bestuurders onderling. Dat is niet bezwaarlijk omdat de bestuurders ook na een taakverdeling collectief verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de vennootschap. Een en ander verandert niet door het wetsvoorstel. (…) Het uitgangspunt van een monistisch bestuursmodel is dat de taken van het bestuur kunnen worden verdeeld over uitvoerende en niet uitvoerende bestuurders (artikel 2:129a lid 1 BW). Die verschillende bestuurders vormen tezamen het bestuur en zijn collectief verantwoordelijk voor besluiten en handelingen van het bestuur.”
Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 238 zien echter geen reden om voor niet-uitvoerende bestuurders een apart aansprakelijkheidregime in het kader van art. 2:9 BW te introduceren. Het lijkt alsof zij dat niet nodig achten gelet op het feit dat de niet-uitvoerende bestuurder “onder verwijzing naar de taakverdeling als bedoeld in art. 2:9 lid 1 (tweede zin) jo. 2:139a/239a lid 1 BW in beginsel een beroep op disculpatie toekomt, ervan uitgaande dat de niet uitvoerende bestuurder wel de redelijkerwijs vereiste schade afwendende of beperkende maatregelen heeft genomen”. Op welke wijze en in welke mate die taakverdeling dan voor niet-uitvoerende bestuurders van belang kan zijn, wordt echter niet verder uitgewerkt.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 4 en 6.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 5.
Vgl. Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 19.
Galle 2007.
Slagter 1993, Compendium Ondernemingsrecht, p. 61.
Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 1994, BV en NV, p. 165 en Sanders/Westbroek/Buijn/ Storm 1998, BV en NV, p. 163.
A. Knigge en A.W. van der Veen, ‘Kroniek bestuurdersaansprakelijkheid 2012’, in:M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2012-2013, Deventer: Kluwer 2013, p. 37 en 38 schreven in dit verband dat de wetgever sterker dan voorheen tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdeling van taken weliswaar niet afdoet aan de collectieve verantwoordelijkheid, maar wel gevolgen kan hebben voor individuele aansprakelijkheid. Gelet op het feit dat uit de wetsgeschiedenis juist blijkt dat de wetgever niet heeft willen afwijken van het bestaande systeem, denk ik dat de gevolgen voor individuele aansprakelijkheid echter niet zijn gewijzigd.
Knigge & Van der Veen 2013, p. 38 merken dan ook terecht op dat de collectieve verantwoordelijkheid voor de taakuitoefening door het bestuur met deze benadering van de Minister “lijkt te worden platgeslagen”. Zij zetten vervolgens terecht uiteen dat er ook nog zoiets bestaat als bestuurlijk toezicht vooraf.
Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b (MvA), p. 3-4.
Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b (MvA), p. 4 en 6.
Mussche 2011, p. 41; Hof Amsterdam 21 september 2010, JOR 2011/40 m.nt. J.B. Wezeman (Stichting Freule Lauta van Aysma), r.o. 4.31 en 4.32.
Borrius 2012, par. 8.5.3.
Zie ook: Rb. Oost-Brabant 17 december 2014, JOR 2015/129 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Stichting Bureau Jeugdzorg), r.o. 3.5 en 3.6.
Borrius, par. 8.5.3.
Rb. Oost-Brabant 17 december 2014, JOR 2015/129 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Stichting Bureau Jeugdzorg), r.o. 3.5 en 3.6.
Strik merkt dan ook op dat de taakverdeling slechts een rol speelt “bij een gevoerd disculpatieverweer door een individuele bestuurder, waarbij de taakverdeling een rol kan spelen in de onderbouwing dat de tekortkoming in de behoorlijke taakuitoefening niet aan hem is te wijten”. Zie: Strik 2010, p. 19 onder verwijzing naar Maeijer in HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer (Staleman/Van de Ven).
Zie bijvoorbeeld: Rb. ’s-Gravenhage 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3672.
Glasz 1986, p. 82. In het hedendaagse tijdperk met alle mogelijke communicatiemiddelen kan overigens de vraag worden gesteld in hoeverre vakantie/verblijf in het buitenland daadwerkelijk nog een grond voor disculpatie kan vormen.
Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 1998, BV en NV, p. 163. In Sanders/Westbroek/Buijn/ Storm 2005, BV en NV, p. 159 wordt deze omstandigheid niet meer in het kader van een mogelijkheid tot disculpatie genoemd, maar alleen nog in het kader van belet en ontstentenis.
Van der Heijden/Van der Grinten/Honée & Hendriks-Jansen, Handboek NV/BV 1992/257. Zij stelden echter dat er dan in het geheel geen aansprakelijkheid van het bestuur als collectief bestaat, maar dat slechts individuele aansprakelijkheid ontstaat (zodat een beroep op disculpatie voor de overige bestuurders niet nodig is). Ik zou menen dat deze benadering niet strookt met het systeem van de wet.
Daarvan is dus geen sprake wanneer een advocaat die tevens bestuurder is van een stichting derdengelden zich in het geheel niet bekommert om de betalingen van de stichting die door zijn medebestuurder zijn verricht en daar geen enkel toezicht op heeft gehouden, zo blijkt uit Rb. Amsterdam 11 november 2009, JOR 2013/123 m.nt. Y. Borrius.
Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 1994, BV en NV, p. 165 en Sanders/Westbroek/Buijn/ Storm 1998, BV en NV, p. 163.
Zo ook: Strik 2010, p. 307.
Rb. ’s-Gravenhage 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3672.
In de literatuur en de wetsgeschiedenis van art. 2:9 BW, zoals hiervoor in par. 3.6.3 uiteengezet, is steeds betoogd dat de taakverdeling niets afdoet aan de collectieve verantwoordelijkheid. Deze taakverdeling kan slechts een rol spelen bij de individuele disculpatie. Noch in de literatuur noch in de wetsgeschiedenis wordt in mijn beleving goed duidelijk gemaakt op welke wijze die taakverdeling dan een rol kan spelen bij de disculpatie en hoe beide zich nu verhouden tot het collegialiteitsbeginsel en de daarmee samenhangende collectieve verantwoordelijkheid.1 Terwijl dat niet duidelijk is gemaakt en art. 2:9 BW (oud) de disculpatiemogelijkheid nog zo formuleerde dat de bestuurder dient te bewijzen dat de tekortkoming niet aan hem te wijten is én dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden, wordt de taakverdeling in het sinds 1 januari 2013 geldende art. 2:9 BW wel expliciet relevant gemaakt in het kader van de disculpatiemogelijkheid. De bepaling luidt thans dat de bestuurder voor het geheel aansprakelijk is “terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden”. Over deze formulering zijn in de Eerste Kamer terecht vragen gesteld:
“De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen over artikel 2:9 BW. Voor het geval dat een aangelegenheid krachtens een statutaire taakverdeling behoort tot het takenpakket van twee of meer bestuurders, vragen deze leden of ten aanzien van elk van de bestuurders moet worden aangetoond dat sprake is van een ernstig verwijt. Zij plaatsen hun vraag mede in het licht van de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders in verband met aangelegenheden die tot hun takenpakket behoren. Deze leden vragen of het aansprakelijkheidsregime voldoende duidelijk uit de tekst van artikel 2:9 BW blijkt.”2
De Minister antwoordde hierop als volgt (antwoord één):
“Aansprakelijkheid van alle bestuurders treedt in beginsel op indien onbehoorlijk bestuur van éé n of meer bestuurders is aangetoond. Dit hangt samen met de collectieve verantwoordelijkheid van de bestuurders. Wel kunnen individuele bestuurders beroep doen op de mogelijkheid van disculpatie. Daarvoor is nodig dat de bestuurder bewijst dat hem geen ernstig verwijt terzake van het onbehoorlijke bestuur kan worden gemaakt. In dat verband kan hij bijvoorbeeld wijzen op de taakverdeling tussen bestuurders. Zoals hierna in de paragraaf over taakverdeling naar voren komt, is disculpatie echter niet mogelijk indien de desbetreffende bestuurder nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. In het gegeven voorbeeld van de leden van de CDA-fractie, waarin twee of meer bestuurders dezelfde taak toebedeeld hebben gekregen, is voor hun aansprakelijkheid in beginsel voldoende dat één van hen onbehoorlijk heeft bestuurd. Disculpatie door een medebestuurder met dezelfde taak is niet uitgesloten, maar vereist dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij voorts kan verantwoorden waarom hij geen maatregelen heeft getroffen om het onbehoorlijke bestuur af te wenden.”3
Het antwoord van de Minister laat zien dat het collegialiteitsbeginsel en de hoofdelijke aansprakelijkheid voorop staat. De Kamerleden vroegen namelijk naar de verhouding tussen de hoofdelijke aansprakelijkheid en de mogelijkheid om taken te verdelen, maar de Minister antwoordde daar in vrij algemene zin op dat bestuurders in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onbehoorlijk bestuur van één of meer bestuurders (dus voor de onbehoorlijke taakvervulling van één of meer bestuurders). De Minister abstraheerde daarin dus van een taakverdeling en merkte slechts op dat in verband met een beroep op disculpatie de bestuurder kan “wijzen op de taakverdeling tussen bestuurders”.
De Kamerleden vroegen vervolgens door over die taakverdeling:
“De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de niet met een bepaalde taak belaste bestuurders slechts aansprakelijk kunnen worden gesteld indien zij wisten of behoorden te weten van een onbehoorlijke taakvervulling en zij desondanks geen maatregelen hebben getroffen om de nadelige gevolgen daarvan af te wenden. Zij vragen of dit ook geldt voor aansprakelijkheid wegens belastingschulden van de vennootschap.”4
De Minister antwoordde hierop als volgt (antwoord twee):
“Het antwoord op de eerste vraag is «ja». Graag verwijs ik ook naar het antwoord op de vorige vraag. Voor de volledigheid bevestig ik dat voor de vraag of aansprakelijkheid optreedt, ook moet worden bezien of een bestuurder behoorde te weten dat een medebestuurder zich schuldig maakte aan onbehoorlijk bestuur. Een taakverdeling ontheft een bestuurder niet van de plicht om de werkzaamheden van zijn medebestuurders in het oog te houden.”5
Er volgde nog een vraag:
“De leden van de CDA-fractie vragen of een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW niet bevoegd is om aangelegenheden aan zich te trekken indien zij niet behoren tot zijn takenpakket in het geval er een statutaire taakverdeling is gemaakt.”6
De Minister antwoordde hierop (antwoord drie):
“Een taakverdeling laat de collectieve verantwoordelijkheid van de bestuurders onverlet. Als gevolg van die collectieve verantwoordelijkheid kan een bestuurder aansprakelijk zijn voor schade die optreedt als gevolg van onbehoorlijk bestuur van een andere bestuurder. (…) De consequentie van dit systeem is dat een bestuurder die opmerkt dat een andere bestuurder zijn taken niet of onjuist vervult en dat daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, moet ingrijpen om het risico van aansprakelijkheid te vermijden. Dat kan in een concreet geval betekenen dat een bestuurder een taak naar zich toe trekt, in afwijking van de eerder gemaakte afspraken over de verdeling van de taken. Hij is daartoe dus bevoegd.”7
Tot slot vroegen de Kamerleden concreet naar de verhouding tussen de taakverdeling en de collectieve verantwoordelijkheid:
“De leden van de CDA-fractie vragen naar de betekenis van een taakverdeling in relatie tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuurders en voorts ten aanzien van de verantwoordelijkheid van een bestuurder voor aangelegenheden die buiten zijn takenpakket liggen. Ook vragen zij hoe de voorgestelde regeling zich verhoudt tot de bestaande jurisprudentie over taakverdeling.”8
De Minister antwoordde nu (antwoord vier):
“Op de eerste vraag is hiervoor al ingegaan. De formulering van artikel 2:9 lid 2 BW sluit aan bij de terminologie in de rechtspraak. De Hoge Raad heeft voor de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van artikel 2:9 BW bepaald dat vereist is dat de bestuurder een «ernstig verwijt» kan worden gemaakt (HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360). De woorden «ernstig verwijt» zijn opgenomen in het nieuwe lid 2; wanneer geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, kan een bestuurder zich disculperen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat de vraag of een ernstig verwijt kan worden gemaakt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Daar gaat het wetsvoorstel ook vanuit. Voorts vragen deze leden of bestuurders als regel een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van onbehoorlijk bestuur buiten hun takenpakket, indien zij verzuimen om periodiek informatie te vragen van de uitvoerende bestuurder(s) over hun taakuitoefening. Ik begrijp dat de vraag betrekking heeft op het geval dat een bestuurder aansprakelijk wordt gesteld voor onbehoorlijk bestuur, veroorzaakt door een medebestuurder die zijn taak niet goed heeft vervuld. In beginsel is een bestuurder niet aansprakelijk wanneer het onbehoorlijke bestuur een aan een andere bestuurder toebedeelde taak betreft. Daarom is in artikel 2:9 lid 2, tweede zin, BW bepaald dat een bestuurder aansprakelijk is, «tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt». Op die regel bestaat een uitzondering wanneer de bestuurder nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden (vgl. artikel 2:9 lid 2, laatste zinsdeel). Dit betekent dat indien een bestuurder waarneemt dat een medebestuurder zijn taken niet goed vervult en daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, hij moet ingrijpen om beroep te kunnen blijven doen op de disculpatiegrond, ook wanneer de desbetreffende taak uitsluitend aan de medebestuurder is toebedeeld. Of een bestuurder voldoende zicht heeft gehouden op de taakuitoefening door medebestuurders en of hij voldoende heeft gedaan om onbehoorlijk bestuur af te wenden, moet worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval. Een bestuurder doet onvoldoende om onbehoorlijk bestuur van een medebestuurder af te wenden wanneer hij zich nooit laat informeren over wezenlijke aspecten betreffende het bestuur van de vennootschap of weigert om informatie tot zich te nemen. Of een bestuurder zich voldoende heeft laten informeren door zijn medebestuurders, moet van geval tot geval worden beoordeeld. Het is in algemene zin echter wenselijk dat bestuurders zich periodiek op de hoogte stellen van de taakuitoefening door medebestuurders.”9
De door mij en in de wetsgeschiedenis gesignaleerde onzekerheid over de gevolgen van een taakverdeling voor het beginsel van collegiale bestuursverantwoordelijkheid10 (welke bestuursverantwoordelijkheid mijns inziens in beginsel tot aansprakelijkheid leidt indien daarin wordt tekortgeschoten), is met de omschrijving van de disculpatiemogelijkheid in art. 2:9 BW en met deze beantwoording van vragen door de Minister in de Eerste Kamer naar mijn mening niet weggenomen. Ook het op 8 juni 2016 ingediende Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen11 neemt die onzekerheid niet weg. Wat is de betekenis van de toevoeging “mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken” en welke rol speelt taakverdeling nu daadwerkelijk bij de disculpatie en in de verhouding tot de collectieve verantwoordelijkheid?
Ter beantwoording van deze vragen moet allereerst worden opgemerkt dat de disculpatiemogelijkheid in het huidige art. 2:9 BW niet is verruimd of gewijzigd vergeleken met art. 2:9 BW (oud).12 Zo ook de Rechtbank Oost-Brabant: “Ten aanzien van het essenti ë le punt van de disculpatiemogelijkheid is, voor zover in casu van belang, geen materi ë le wijziging beoogd.”13 De bepaling is op dit punt blijkens de wetsgeschiedenis slechts gewijzigd omdat art. 2:9 BW (oud) twijfel zou laten bestaan over de vraag of een bestuurder die kan aantonen dat een aangelegenheid niet tot zijn werkkring behoorde, reeds om die reden bevrijd is, waarna men niet meer toekomt aan de vraag of hij maatregelen had moeten treffen om het onheil af te wenden. De wetgever heeft de bepaling gewijzigd om nog duidelijker te maken dat beide punten worden ‘getoetst’.14 Het beginsel van collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid blijft onverkort van kracht.15 Dat heeft de Minister ook duidelijk verwoord:
“In de praktijk vindt de taakverdeling meestal plaats op basis van een afspraak van de bestuurders onderling. Dat is niet bezwaarlijk omdat de bestuurders ook na een taakverdeling collectief verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de vennootschap. Een en ander verandert niet door het wetsvoorstel.”16
Voorts moet worden opgemerkt dat een formele taakverdeling thans – in navolging van de literatuur – weliswaar expliciet is genoemd in het kader van de disculpatiemogelijkheid, maar dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het vermelden van deze formele taakverdeling in feite slechts samenhangt met het creëren van een wettelijke basis die “het voor NV’s en BV’s mogelijk maakt om te kiezen tussen een dualistisch bestuursmodel met een bestuur en een raad voor commissarissen en monistisch bestuursmodel waarin toezichthoudende bestuurders onderdeel zijn van het bestuur”.17 Daarin wordt statutair onderscheid gemaakt tussen de taken van uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid van het bestuur18 (waarbinnen zowel een formele als een informele taakverdeling kan zijn afgesproken). Gelet op de toch wel andere positie die niet-uitvoerende bestuurders binnen een monistisch bestuursmodel hebben ten opzichte van wel-uitvoerende bestuurders (namelijk een positie die in een dualistisch bestuursmodel meer te vergelijken is met die van commissarissen), zou een standpunt dat deze niet-uitvoerende bestuurders eerst aansprakelijk zijn wanneer zij – net zoals commissarissen – hun eigen toezichthoudende taak op onbehoorlijke wijze hebben vervuld, rechtspolitiek gezien overigens verdedigbaar kunnen zijn.19
Anderzijds lijkt dit niet te rijmen met het collegialiteitsbeginsel dat geldt voor uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders die in een monistisch bestuursmodel nu eenmaal deel uitmaken van hetzelfde college. Uit de wet blijkt datde wetgever dit rechtspolitieke standpunt evenmin heeft ingenomen. Integendeel, de Minister heeft juist het volgende overwogen over niet-uitvoerende bestuurders:
“Zij zijn meer dan commissarissen actief betrokken bij het algemene beleid van de vennootschap; zij zijn betrokken bij de besluitvorming van het bestuur over – en zijn verantwoordelijk voor – de algemene beleidslijnen. Voor alle bestuurders en commissarissen geldt dat zij moeten ingrijpen wanneer zij op de hoogte raken van onbehoorlijk bestuur van een bestuurder, maar bestuurders in een monistisch bestuur zijn ook collectief verantwoordelijk voor het bestuursbeleid. In het geval van onbehoorlijk bestuur moet een bestuurder en commissaris zijn best doen om maatregelen te treffen om de gevolgen daarvan af te wenden. (…) Het bijzondere aan de positie van de niet uitvoerende bestuurder is echter dat hij – in tegenstelling tot een commissaris – wel bestuursverantwoordelijkheid draagt voor alle bestuurshandelingen, waaronder de handelingen van de uitvoerende bestuurders. De verantwoordelijkheden van de niet uitvoerende bestuurders strekken dan ook verder dan die van de commissarissen. Met de bestuursverantwoordelijkheid hangt ook een aansprakelijkheidsrisico samen (artikel 2:9 BW).”20
De voornoemde collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid is een uitvloeisel van het collegialiteitsbeginsel. Zoals wij hiervoor zagen (zie par. 3.6.3) brengt dat collegialiteitsbeginsel met zich dat de bestuurstaak inhoudelijk en collegiaal behoorlijk dient te worden vervuld. Indien een bepaalde taak aan een bestuurder is toebedeeld die daar inhoudelijk mee is belast, doet dat niet af aan de verplichtingen van de resterende bestuurders om hun taak collegiaal behoorlijk te vervullen. Stel nu dat de bestuurder die een bepaalde taak toebedeeld heeft gekregen, zijn taak onbehoorlijk vervult. Als zijn medebestuurders hiervan op de hoogte waren en/of dat redelijkerwijs konden zijn als zij hun taak collegiaal behoorlijk hadden vervuld, rustte op hen de verplichting actie te ondernemen. In de wetsgeschiedenis van art. 2:9 BW is hierover gezegd dat wanneer een bestuurder waarneemt dat een medebestuurder zijn taken niet goed vervult en daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, die bestuurder zal moeten ingrijpen om een beroep te kunnen blijven doen op de disculpatiegrond. Dat is ook het geval wanneer de desbetreffende taak slechts aan de medebestuurder is toebedeeld.21
Om te kunnen waarnemen dat een medebestuurder zijn taken niet goed vervult en om te kunnen ingrijpen, dient de bestuurder, op wiens takenpakket de inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling geen betrekking had, de op hem rustende verbintenis om zijn bestuurstaak collegiaal te vervullen, uiteraard wel na te komen. Als hem collegiaal onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten, waardoor hij niet heeft waargenomen dat sprake was van een potentiële situatie van inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling bij een medebestuurder, en hij daardoor ook niet tijdig heeft kunnen ingrijpen, zal een beroep op het disculpatieverweer dus niet kunnen slagen.
Uit de eerste drie hiervoor geciteerde antwoorden van de Minister op vragen uit de Eerste Kamer blijkt dat de Minister het voorgaande goed inzag waar hij stelde: “Aansprakelijkheid van alle bestuurders treedt in beginsel op indien onbehoorlijk bestuur van één of meer bestuurders is aangetoond (…) Wel kunnen individuele bestuurders beroep doen op de mogelijkheid van disculpatie.” Ook merkte de Minister uitdrukkelijk op dat “de consequentie van dit systeem is dat een bestuurder die opmerkt dat een andere bestuurder zijn taken niet of onjuist vervult en dat daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, moet ingrijpen om het risico van aansprakelijkheid te vermijden.” Waar de Minister het hier heeft over een “bestuurder die opmerkt” bedoelde de Minister ontegenzeggelijk ‘een bestuurder die opmerkt of behoort op te merken’ hetgeen blijkt uit zijn tweede hiervoor geciteerde antwoord (“…voor de vraag of aansprakelijkheid optreedt, ook moet worden bezien of een bestuurder behoorde te weten…”). Dit volgt ook uit de memorie van toelichting waarin de Minister het huidige art. 2:9 BW vergeleek met het Belgische systeem:
“Een taakverdeling brengt niet met zich dat de overige bestuurders niet aansprakelijk zijn; evenals in het Nederlandse recht wordt van de andere deelnemers aan het collegiale bestuursorgaan verwacht dat zij zich verzetten tegen nadelige handelingen van een bestuurder als zij daarvan kennis hadden of hadden moeten hebben.”22
Dit ‘weten en behoren te weten’ wijst erop dat iedere bestuurder een verantwoordelijkheid draagt tot een collegiale taakvervulling onafhankelijk van de taak die aan hem is toebedeeld. Alleen dan kan een bestuurder in een concreet geval immers ‘een taak naar zich toe trekken’ (derde antwoord van de Minister). De wetsgeschiedenis zegt overigens dat indien een bestuurder door zijn medebestuurders wordt belet een behoorlijk bestuur te voeren, hij zal moeten aftreden, hetgeen zijn beroep op de disculpatiegrond des te gereder aanvaardbaarzal maken.23 Een bestuurder kan naar mijn mening uiteraard – alvorens een dergelijke vergaande beslissing te nemen – in overweging nemen om rechtsmaatregelen te treffen tegen zijn medebestuurders (bijvoorbeeld in kort geding), opdat hij alsnog in staat wordt gesteld een behoorlijk bestuur te voeren. In de literatuur wordt voorts gesteld dat indien een bestuurder in het kader van de besluitvorming een minderheidspositie heeft in het bestuur en een bestuursbesluit niet kan tegenhouden, terwijl bij hem de overtuiging bestaat dat evident een fout bestuursbesluit zal worden genomen, voor deze bestuurder uiteindelijk geen andere oplossing bestaat dan op te stappen om zich te kunnen disculperen. Dit zou de logische consequentie van de veronderstelde collegialiteit binnen het bestuur zijn (vergelijk ook de woorden van de Minister in zijn derde hiervoor geciteerde antwoord: “De consequentie van dit systeem is dat...”). Bestuurlijke collegialiteit impliceert het recht op betrokkenheid bij de besluitvorming, geen recht op evenredige invloed en potentiële aansprakelijkheid voor een door de meerderheid genomen besluit. Het impliceert wel de mogelijkheid om op te stappen indien de bestuurder dat besluit evident fout vindt, maar het niet kan tegenhouden.24 De bestuurder zal dus voldoende sociale controle moeten uitvoeren op zijn medebestuurder en in het ergste geval (na eventuele rechtsmaatregelen) moeten aftreden indien zijn controle en/of invloed geen uitwerking heeft.25 Ik zou menen dat een beroep op disculpatie ook moet kunnen slagen indien een bestuurder is overstemd door zijn medebestuurders,26 maar de betrokken bestuurder vervolgens niet de verstrekkende beslissing heeft genomen om af te treden. Hij dient in een dergelijk geval wel te kunnen aantonen dat hij niet alleen formeel is overstemd, maar dat hij ook alles in het werk heeft gesteld om zijn medebestuurders aan zijn zijde te krijgen, zoals door het dreigen met terugtreding.
Beschouwt men het vierde hiervoor geciteerde antwoord van de Minister op vragen uit de Eerste Kamer, dan leek de Minister de door hem zelf in de eerste drie antwoorden op correcte wijze verwoorde systematiek ineens onbedoeld en onbewust om te draaien. Hij deed dat door te stellen dat ‘een bestuurder in beginsel niet aansprakelijk is wanneer het onbehoorlijk bestuur een aan een andere bestuurder toebedeelde taak betreft’ en dat ‘daarom art. 2:9 lid 2 tweede zin BW bepaalt dat een bestuurder aansprakelijk is, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt’. De eerste drie antwoorden waren juist. Het vierde antwoord was onjuist. De ‘tenzij’ formulering van art. 2:9 lid 2 BW laat (van oudsher) namelijk zien dat de bestuurder in beginsel wel aansprakelijk is wanneer het onbehoorlijk bestuur een aan een andere bestuurder toebedeelde taak betreft tenzij hij zich kan disculperen. Het is een kleine nuance die echter grote gevolgen heeft.27 Uit de gehele rechts- en wetsgeschiedenis blijkt echter niet dat deze gevolgen beoogd zijn.
Het lijkt er daarnaast op dat de Minister het zelf ook niet helemaal goed voor ogen had toen hij stelde dat een uitzondering bestaat op de regel dat de bestuurder in beginsel niet aansprakelijk is voor handelen van zijn medebestuurders. Hij verwees daarvoor in het voorgaande citaat naar art. 2:9 lid 2 laatste zinsdeel BW dat bepaalt dat geen disculpatie mogelijk is wanneer de bestuurder nalatigis geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Hij stelde vervolgens dat in de situatie dat ‘een bestuurder waarneemt dat een medebestuurder zijn taken niet goed vervult en daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, hij moet ingrijpen om een beroep te kunnen blijven doen op de disculpatiegrond, ook wanneer de desbetreffende taak uitsluitend aan de medebestuurder is toebedeeld.’ Dit is echter niet de situatie waar art. 2:9 lid 2 laatste zinsdeel BW betrekking op heeft. Dat zinsdeel heeft namelijk betrekking op de situatie dat het onbehoorlijk bestuur zich al heeft voorgedaan. Het betrokken zinsdeel van art. 2:9 lid 2 BW schrijft voor dat de bestuurder ook dan nog een doorlopende plicht heeft de gevolgen van dit onbehoorlijk bestuur af te wenden. De situatie die de Minister omschreef wordt echter bestreken door art. 2:9 lid 1 BW en het eerste deel van art. 2:9 lid 2 BW. Als zich nog geen onbehoorlijk bestuur heeft voorgedaan, geldt op basis van het collegialiteitsbeginsel dat op de bestuurder de verbintenissen rusten om (i) voldoende toezicht te houden op medebestuurders en (ii) zijn taak collegiaal behoorlijk te vervullen. Dat volgt niet uit de letterlijke wettekst, maar wel uit (i) de ratio van de wet die mede gestoeld is op het collegialiteitsbeginsel en (ii) de hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur die daarop is gebaseerd. Juist dat over en weer (collegiaal) toezicht houden (‘weten of behoren te weten’) moet voorkomen dat medebestuurders de fout in gaan. Dat moet onbehoorlijk bestuur voorkomen. Daarom bestaat collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid (tenzij…).28 In dit verband kan nog worden verwezen naar de wetsgeschiedenis van de Derde Misbruikwet die (zoals hierna in par. 3.7 nader toegelicht) ook relevant is voor art. 2:9 BW. De Minister merkte op:
“Ik wijs erop dat het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur een reeds lang aanvaard algemeen beginsel is van rechtspersonenrecht (…). De collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur voor de gang van zaken binnen de rechtspersoon, in het bijzonder voor het financieel beleid, brengt noodzakelijkerwijs een hoofdelijke aansprakelijkheid met zich mee van degenen die deel uitmaken van het bestuurscollectief. Een aansprakelijkheid zowel tegenover de rechtspersoon zelf– artikel 8 boek 2 BW – als tegenover derden die met de rechtspersoon hebben gehandeld in de gevallen van de artikelen 138 en 248.” (…)
Deze juridische gevolgen van het feit dat de bestuurstaak is opgedragen aan het bestuurscollege als collectief acht ik heilzaam voor een goede orde in vennootschapsland alsmede voor de bescherming van de belangen van hen die met rechtspersonen handelen. Dat er binnen de bestuurscolleges van grote ondernemingen feitelijk een bepaalde taakverdeling bestaat, ingevolge welke aan individuele bestuurders naast hun algemene verantwoordelijkheid voor het besturen van de onderneming ook bepaalde specifieke, gespecialiseerde uitvoerende taken zijn toebedeeld, is geen argument om af te zien van het juiste beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid voor het beleid en de daaraan gekoppelde hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders af te wijzen of uit te hollen. Geenszins zou ik willen betwisten dat veel bestuurders in Nederland redelijkerwijs niet beschreven kunnen worden als personen die door het opereren met rechtspersonen een vergrote gevaarzetting opleveren ten aanzien van de schuldeisers van die rechtspersonen. Evenmin wil ik bestrijden dat veel bestuurders personen zijn die door aard, aanleg, belangstelling en gebleken bekwaamheden de functie van bestuurder bereikt hebben binnen een onderneming. Dit alles doet evenwel niets af aan de omstandigheid dat men plaats neemt in een college dat als zodanig belast is met de bestuurstaak en dat dan ook een collectieve verantwoordelijkheid draagt voor het reilen en zeilen van de rechtspersoon. Daarmee neemt men een zeker risico op zich. Tegenover dat risico staat, dat de rechtspersoonlijkheid de bestuurders in vergaande mate tegen persoonlijke aansprakelijkheid beschermt. Ik wijs er tenslotte nog op dat bestuurdersaansprakelijkheid een in beginsel verzekerbaar risico is.”29
Dat de bedoelde collectieve aansprakelijkheid bewust is gekozen en dat daar slechts onder hoge uitzondering van kan worden afgewezen blijkt ook uit de volgende opmerking van de Minister:
“De aan het woord zijnde leden hebben met enig genoegen kennis genomen van de beschouwingen van Mr. P. C. van den Hoek en Prof. Mr. P. van Schilfgaarde in het reeds eerder vermelde congres van het Instituut voor ondernemingsrecht te Groningen, waar deze in de wetstekst menen te mogen lezen dat er geen aansprakelijkheid van het bestuur aan de orde is wanneer een individuele bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld buiten medeweten van de andere bestuursleden, of zelfs tegen de uitdrukkelijke beslissing van het bestuur, met desastreuze gevolgen voor de rechtspersoon. Ik moet de aan het woord zijnde leden teleurstellen. Eenmaal en andermaal heb ik betoogd, dat een zodanige interpretatie niet te rijmen valt met het algemene beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid – en daaraan gekoppeld hoofdelijke aansprakelijkheid – van het bestuur, dat uitgangspunt is van de bepalingen van de artikelen 138 en 248 zoals zij in het wetsvoorstel zijn vervat. (…)
Daarom lijkt mij dat een beroep op de disculpatiegronden slechts bij hoge uitzondering mogelijk moet zijn. (…) Indien zij eenvoudigweg niet op de hoogte waren [van het onaanvaardbare karakter van handelingen en besluiten van medebestuurders, toev. auteur], dan is zulks alleen dan een grond voor disculpatie, wanneer hen op dat punt geen verwijt treft. Een bestuurder die zich niet op de hoogte laat (of wil) stellen gaat dus niet vrijuit.”30
Om te kunnen waarnemen dat een medebestuurder zijn taken niet goed vervult en om te kunnen ingrijpen, dient de bestuurder zijn taak dus ook collegiaal behoorlijk te vervullen. Bij zijn collegiale taakvervulling (zijn ‘bestuurlijk of collegiaal toezicht’) mag de bestuurder overigens in het algemeen voor een groot deel afgaan op de juistheid van hetgeen aan hem door zijn medebestuurders wordt gerapporteerd.31 Bestuurders moeten elkaar in beginsel kunnen vertrouwen en niet achteraf aansprakelijk worden gehouden voor een gerechtvaardigd vertrouwen op de achteraf gebleken onjuiste of gebrekkige informatie van hun medebestuurders.32 De bestuurder kan naar mijn mening geencollegiaal onbehoorlijke taakvervulling worden verweten als hij van medebestuurders ontvangen informatie te goeder trouw heeft beoordeeld op een wijze zoals dat door een redelijk denkend bestuurder dient te geschieden, maar deze informatie onjuist blijkt te zijn geweest. Ditzelfde geldt wanneer geen aanleiding bestond zelfstandig onderzoek te doen naar de wijze waarop een medebestuurder de aan hem toebedeelde taken heeft vervuld.33 Dit laatste impliceert naar mijn mening ook dat binnen het bestuursorgaan het niet zo zal zijn dat een bestuurder steeds over de schouders van zijn medebestuurders hoeft te kijken (bestuurders mogen immers vertrouwen op elkaars kwaliteiten en kunde). De bestuurder zal ook niet steeds van ieder stuk informatie bekend bij zijn medebestuurders op de hoogte hoeven te zijn. Zijn bekendheid met een geïsoleerd stuk informatie van zijn medebestuurder, dat op zichzelf bezien niet noodzakelijkerwijs tot ingrijpen noopte, maar achteraf bezien (mede in het licht van andere informatie) mogelijk een ander oordeel rechtvaardigde, leidt dus nog niet tot de conclusie dat hij zijn taak collegiaal onbehoorlijk heeft vervuld. Stel dat een bestuurder door toedoen van medebestuurders correcte informatie wordt onthouden vanaf het moment dat hij bekend is geworden met onbehoorlijke taakvervulling van deze medebestuurders, maar dat deze bestuurder zelf niet het verwijt valt te maken dat hij niet genoeg heeft doorgevraagd of onderzoek heeft gedaan. In dat geval zal deze bestuurder om diezelfde redenen niet kunnen worden verweten nalatig te zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Deze bestuurder komt dan dus een grond tot disculpatie toe. Borrius schreef hierover in 2012 dat de daadwerkelijke betrokkenheid bij besluitvorming en de informatievoorziening over niet-collectieve besluiten naar haar verwachting een factor van belang zal zijn bij het vaststellen van eventuele aansprakelijkheid. Indien een bestuurder niet of onvoldoende geïnformeerd is over door collega’s genomen besluiten (dit in strijd met statutair vastgelegde regels over informatievoorziening, maar die toevoeging lijkt mij gelet op het bepaalde in art. 2:8 BW niet van doorslaggevend belang), kan schending van die statutaire informatieverplichtingen (bepalingen die de belangen van de vennootschap beogen te beschermen) volgens Borrius betekenen dat aansprakelijkheid op de betrokken collega-bestuurders komt te rusten, en niet tevens op de onvoldoende geïnformeerde bestuurder.34 Dit lijkt mij ook het geval zonder dat een specifieke besluitvormingsbevoegdheid ex art. 2:129a of 2:239a BW is gedelegeerd aan individuele bestuurders.
Ter beantwoording van de door mij hiervoor gestelde vraag op welke wijze de taakverdeling een rol kan spelen bij de disculpatie, concludeer ik dat de op een bestuurder rustende verbintenissen om naast inhoudelijk ook collegiaal de bestuurstaak behoorlijk te vervullen in beginsel met zich brengt dat een taakverdeling bij disculpatie slechts relevant is doordat de bestuurder op wiens takenpakket de inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling geen betrekking had, daarmee kan aantonen dat hij zich in beginsel niet schuldig heeft gemaakt aan een inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling. Anders dan dat lijkt de taakverdeling niet relevant omdat hij nog immer gehouden blijft aan te tonen dat hij niet is tekortgekomen in de verbintenis om zijn taak collegiaal behoorlijk te vervullen, met dien verstande dat de taakverdeling wel iets kan zeggen over de informatie waarover de bestuurder in een bepaald geval dient te beschikken. Dit komt goed naar voren in de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant in de zaak Stichting Bureau Jeugdzorg.35 In die zaak werd bestuurder A door de rechtbank aansprakelijk gehouden voor een desastreus huisvestingsbeleid (hetgeen tot het takenpakket van bestuurder A hoorde), maar konden bestuurders X en Y zich disculperen. Hoewel de rechtbank daartoe overwoog dat sprake was van een formele interne taakverdeling achtte de rechtbank het kennelijk aangewezen om ook te overwegen dat (i) gesteld noch gebleken was dat A zodanige informatie aan zijn medebestuurder(s) heeft verschaft dat respectievelijk X en Y zich zelfstandig een oordeel konden vormen over de door A uitgevoerde taken die als onbehoorlijk moeten worden aangemerkt, (ii) A onjuiste informatie had verstrekt aan X en Y ten aanzien van die taken, (iii) uit niets blijkt dat er voor X respectievelijk Y aanleiding was zelfstandig onderzoek te doen, of te laten doen, naar de wijze waarop A zijn taken had vervuld en (iv) een behoorlijke taakvervulling van X en Y niet met zich brengt dat zij zich hoe dan ook niet mochten verlaten op de door A gegeven informatie of onder alle omstandigheden zelfstandig nader onderzoek dienden te doen. Bestuurders X en Y kon dus geen collegiaal onbehoorlijke taakvervulling worden verweten. Zij konden zich voorts disculperen omdat hun niet het verwijt kon worden gemaakt nalatig te zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Hen kon anders gezegd geen enkel gewoon verwijt worden gemaakt.36
Ook als de onbehoorlijke taakvervulling wel zag op het takenpakket van de betrokken bestuurder, betekent dat nog niet dat de bestuurder zelf te kort is gekomen in de op hem rustende verbintenis om zijn taken inhoudelijk behoorlijk te vervullen. Een bestuurder moet namelijk beschermd worden tegen aansprakelijkheid als hij niet op de hoogte kon zijn van het onbehoorlijk bestuur dat betrekking had op zijn eigen takenpakket en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn.37 In het eerste hiervoor geciteerde antwoord van de Minister schreef de Minister in dat verband dat disculpatie door een medebestuurder met dezelfde taak niet is uitgesloten, maar dat daarvoor vereist is dat hem geen (ernstig) verwijt kan worden gemaakt en hij voorts kan verantwoorden waarom hij geen maatregelen heeft getroffen om het onbehoorlijk bestuur af te wenden. In het geval dat de bestuurder te goeder trouw informatie van zijn medebestuurders met hetzelfde takenpakket heeft aangenomen en hij vanuit de voor hem persoonlijk geldende maatman-bestuurdermaatstaf (zie hierna par. 3.7.7) niet hoefde te twijfelen aan die informatie, treft deze bestuurder echter geen enkel (gewoon) verwijt van een tekortkoming in de verbintenis om zijn taak behoorlijk te vervullen of in de verbintenis om niet nalatig te zijn in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden. In het verleden is ook het voorbeeld genoemd dat een bestuurder met vakantie was38 of in het buitenland vertoefde en bij terugkomst een besluit van zijn medebestuurders niet meer ongedaan kon maken39 of dat een medebestuurder zonder toestemming van de aangesproken bestuurder een onverantwoorde transactie aanging.40 Hetzelfde zou meen ik gelden indien een bestuurder zijn collegiale bestuurstaak als een redelijk denkend bestuurder naar behoren heeft vervuld, maar door zijn medebestuurder een rad voor de ogen wordt gedraaid.41 Voorts zou hetzelfde moeten gelden indien een bestuurder op zijn takenpakket is overstemd door zijn medebestuurders.42 De reden daarvoor is dat in al deze gevallen de facto sprake is van belet (zie daarover par. 3.5) om de bestuurstaken (inhoudelijk) behoorlijk te vervullen en om maatregelen te treffen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden (dat wordt hem de facto immers onmogelijk gemaakt).43 In feite is dan sprake van een situatie die gelijk is te stellen met overmacht in de zin van art. 6:75 BW: de bestuurder treft geen enkel gewoon verwijt (zie par. 3.8). Indien bij een meerhoofdig bestuur tijdens belet van een bestuurder sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door zijn medebestuurders (al dan niet met hetzelfde takenpakket), zal op de bestuurder die was belet – zodra het belet is beëindigd – naar mijn mening de verplichting blijven rusten om maatregelen te treffen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Alleen als hij die verplichting is nagekomen, zal deze bestuurder een geslaagd beroep op disculpatie kunnen doen. In hoeverre de bestuurder ervoor zou kunnen kiezen zijn functie neer te leggen, om zodoende de verplichting maatregelen te nemen de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden te kunnen ontlopen, hangt meen ik van de concrete omstandigheden van het geval af. Met name is daarbij van belang de vraag in hoeverre redelijkerwijs van de bestuurder kon worden verwacht aan te blijven. In de uitspraak van 14 september 2011 van de Rb.’s-Gravenhage44 had het onbehoorlijk bestuur bijvoorbeeld betrekking op het financiële beleid (hetgeen behoort tot de inhoudelijke taak van alle bestuurders), waarvoor de aangesproken bestuurders verantwoordelijk waren. De bestuurders konden zich in dat geval succesvol beroepen op de disculpatiemogelijkheid omdat zij kennelijk niet wisten of konden weten dat onttrekkingen waren gedaan door een medebestuurder (dat werd hun ‘belet’ door deze medebestuurder). Toen zij daar achter kwamen, hadden zij echter nog wel getracht maatregelen te nemen die onttrekkingen ongedaan te maken. De vraag is of de uitspraak hetzelfde zou zijn geweest als de betrokken bestuurders direct gezamenlijk zouden zijn teruggetreden en zodoende geen enkele maatregel hadden genomen.
Het tot 1 januari 2013 luidende art. 2:9 BW maakte de systematiek zoals hiervoor beschreven mijns inziens duidelijk, doordat de disculpatiemogelijkheid aldus was geformuleerd dat de bestuurder niet aansprakelijk is als hij bewijst dat de tekortkoming “niet aan hem te wijten is,endat hij niet nalatig is geweest” in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. De woorden “niet aan hem te wijten” en “niet nalatig” duidden op een civielrechtelijke afwezigheid van schuld in de zin van art. 6:75 BW (zie hierover par. 3.8 hierna) die naar mijn mening inhield dat de bestuurder simpelweg niets te verwijten valt als sprake is van de facto belet aan zijn zijde. Het enkele terugtreden na het eindigen van het belet zou in specifieke omstandigheden mogelijk wel als nalatig kunnen worden beschouwd. Overigens geldt mijns inziens dat de vraag of de aangebleven bestuurders al dan niet nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling van medebestuurders af te wenden, eveneens beantwoord dient te worden door te beoordelen of deze bestuurders in deze disculpatiefase niet zijn tekortgekomen in de op hen rustende verbintenissen om de taken inhoudelijk en collegiaal behoorlijk te vervullen.
Als men het collegialiteitsbeginsel als uitgangspunt wenst te handhaven, hetgeen een rechtspolitieke keuze is, zijn de consequente rechtstheoretische gevolgen gelet op het voorgaande dat een bestuurder in beginsel hoofdelijk met al zijn medebestuurders aansprakelijk is voor de onbehoorlijke taakvervulling van één van zijn medebestuurders. Dit is anders in het geval dat hij zich kan disculperen door aan te tonen dat:
de onbehoorlijke taakvervulling op het takenpakket van de bestuurder een gevolg is van te goede trouw aanvaarde informatie van medebestuurders, waardoor deze bestuurder niet kan worden verweten te zijn tekortgekomen in de verbintenis om zijn bestuurstaak inhoudelijk behoorlijk te vervullen, terwijl hem voorts geen tekortkoming in de verbintenis om de bestuurstaak collegiaal behoorlijk te vervullen kan worden verweten ten aanzien van deze onbehoorlijke taakvervulling en hij in de periode na het ontstaan van de onbehoorlijke taakvervulling niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden. Deze ‘nalatigheid’ dient beoordeeld te worden aan de hand van de vraag of de bestuurder in deze disculpatiefase niet is tekortgekomen in de op hem rustende verbintenissen om de bestuurstaak inhoudelijk en collegiaal behoorlijk te vervullen; of
de onbehoorlijke taakvervulling niet zag op het takenpakket van de bestuurder, waardoor hem per definitie geen inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten, hij voorts niet is tekortgekomen in zijn verbintenis om zijn bestuurstaak collegiaal behoorlijk te vervullen en hij in de periode na het ontstaan van de onbehoorlijke taakvervulling niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
De taakverdeling speelt hierin mijns inziens geen doorslaggevende rol, behalve dat die wellicht iets zou kunnen zeggen over de mate waarin een bestuurder, wiens taak niet inhoudelijk onbehoorlijk is vervuld, zich voldoende heeft laten informeren door medebestuurders opdat hij zijn collegiale bestuurstaak afdoende heeft kunnen vervullen (hoe ver ging die plicht tot informatie opvragen gelet op de taakverdeling en had dat moeten leiden tot ingrijpen?). Wat met name een rol speelt bij de vraag of hij zijn taak inhoudelijk én collegiaal behoorlijk heeft vervuld, is of sprake is van belet zoals bedoeld in de zin als hiervoor in deze paragraaf omschreven.