Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.3.1
7.3.1 Stand van zaken
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399666:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over die constructie o.m. Flume 1950, p. 847, Serick 1963, p. 157 e.v., MünchKomm-InsO/Ganter, § 47 InsO, Rn. 119 e.v. en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 55. Zie bijv. BGH 23 mei 1958, NJW 1958, 1281. Vgl. ook Schoordijk 1959, p. 9 die opmerkt dat ‘de verkoper niet geacht [kan] worden zijn toestemming ook dan gegeven te hebben voor het geval, dat de doorverkooppenningen eerder reeds aan een bankier gecedeerd zijn.’
HR 14 januari 2011, NJ 2012, 88, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Mesdag II), rov. 3.3.3.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.3. Zie treffend Flume 1959, p. 918: ‘Ob der Vorbehaltsverkäufer den Kaüfer zur Weiterveräuûerung ermächtigt, ist ausschlieûlich seine Sache. Er wahrt nur sein eigenes Recht, wenn er die Veräuûerungsermächtigung des Vorbehaltskäufers beschränkt. Etwas ganz anderes ist es dagegen, ob jemand zu Lasten des Berechtigten das durch eine Unterschlagung Erlangte an sich bringt.’ Anders dan Schuijling 2016, p. 346 meent, houdt deze rechtspraak geen verband met de omstandigheid dat de zekerheidsverschaffing in Duitsland geschiedt door Vollrechtsübertragung in plaats van de vestiging van een zekerheidsrecht. Ook dat kan tot problemen leiden, waartegen naar Duits recht gewaakt wordt d.m.v. het Übersicherungsleerstuk. Dat leerstuk strekt er in wezen toe tweederangs zekerheidsrechten mogelijk te maken, doordat een zekerheidsnemer die voldoende zekerheid heeft, verplicht is tot vrijgave van een deel van zijn onderpand. Dat is een ander probleem dan aan de orde bij de Vertragsbruchlehre. Zoals in hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.3 uitgebreid is gebleken, gaat het daarbij namelijk niet om de verkrijging van een tweederangs zekerheidsrecht, maar juist om een voorrangspositie die voorgaat boven de aanspraken van de bank. Met andere woorden: het probleem zou zich net zozeer voordoen als de zekerheidsverschaffing in Duitsland zou geschieden door middel van de vestiging van het zekerheidsrecht, hetgeen de stand van zaken van het Nederlandse recht illustreert.
Vriesendorp 1985a, p. 99 en Verheul 2014a, p. 141.
Zie uitgebreid Verheul 2014a, p. 136-144. Zie ook Spath 2012, p. 333 en – zij het over de boeg van (gedwongen) rangwisseling – Schuijling 2016, p. 347.
Anders: Schuijling 2016, p. 347-348 die opmerkt dat de verkoper als tweederangs pandhouder voldoende heeft aan het middel van art. 3:234 lid 2 BW. Zolang de recovery rates van banken bij executie (ruim) onder de 100% liggen, hetgeen thans het geval is (zie O. Couwenberg & A. de Jong, ‘Costs and recovery rates in the Dutch liquidation-based bankruptcy system’, European Journal of Law and Economics 2008, p. 105-127), heeft de verkoper niets aan deze bepaling.
De huidige stand van het Nederlandse recht lijkt de verkoper weinig mogelijkheden te bieden om een effectieve aanspraak te verkrijgen ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of de koopprijsvordering die ontstaat bij doorverkoop. Als ten gunste van de verkoper bij voorbaat een pandrecht wordt gevestigd, zal dit pandrecht in het gros der gevallen een lagere rang hebben dan het ten gunste van de kredietverschaffende bank gevestigde pandrecht, omdat dit in de regel reeds eerder zal zijn gevestigd. De werking van artikel 3:97 lid 2 BW leidt er dan toe dat het pandrecht van de kredietverschaffende bank een hogere rang heeft.
Het is evenwel niet ondenkbaar dat zich in Nederland een vergelijkbare ontwikkeling voltrekt als in Duitsland, waar de bevoegdheid tot verwerking en vervreemding afhankelijk is van de verkrijging van effectieve zekerheid ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering.1 Zoals in hoofdstuk 3 aan de orde is gekomen, leidt dit tot een patstelling tussen de bank en de leverancier: de koper is slechts bevoegd de zaak te verwerken en te vervreemden, indien de leverancier de hoogste aanspraken verkrijgt ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering, terwijl de koper niet in staat is om dat daadwerkelijk te realiseren, omdat hij de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering reeds eerder bij voorbaat tot zekerheid heeft overgedragen c.q. gecedeerd aan de kredietverschaffende bank. De koper schiet dan noodzakelijkerwijze tekort jegens de verkoper, indien hij desondanks zaken onder verlengd eigendomsvoorbehoud betrekt. Als hij de verkochte zaak verwerkt of vervreemdt, ondanks het feit dat hij de verkoper geen effectief vervangend zekerheidsrecht kan bieden, komt hij zijn verplichtingen jegens de verkoper niet na. Hij maakt dan een inbreuk op het eigendomsrecht van de verkoper, door de zaak desondanks te verwerken. Als hij overgaat tot vervreemding van de zaak beschikt hij als beschikkingsonbevoegde over de verkochte zaak, omdat de clausulering van de bevoegdheid tot doorverkoop rechtstreeks doorwerkt in de beschikkingsbevoegdheid van de koper.2
Zoals in hoofdstuk 3 is uiteengezet, is het deze patstelling die de Duitse rechter ertoe heeft bewogen om voorrang te verlenen aan de zekerheidsbehoefte van de verkoper, door de eerdere aanspraak van de bank in strijd met de goede zeden te achten, wanneer zij ten koste gaat van de gerechtvaardigde zekerheidsbelangen van de verkoper. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat het gerechtvaardigd is dat de verkoper de bevoegdheid tot vervreemding afhankelijk maakt van de verkrijging van surrogaatzekerheid, omdat de waarde van de verkochte zaak besloten ligt in de doorverkoopvordering.3 Wanneer de verlenging van het eigendomsvoorbehoud ook in Nederland gemeengoed wordt, in die zin dat verkopers de bevoegdheid tot verwerking of vervreemding afhankelijk stellen van de verkrijging van een eersterangs pandrecht ten aanzien van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering,4 zullen kredietverschaffende banken op vergelijkbare wijze rekening dienen te houden met de zekerheidsbehoefte van verkopers. Het volharden in de verkrijging van een eersterangs zekerheidsrecht heeft bovendien zijn weerslag op de positie van de koper, die ofwel genoodzaakt is tekort te schieten jegens de verkoper, ofwel niet meer in staat is om zijn bedrijfsactiviteiten nader te ontplooien. Tegen deze achtergrond is het niet ondenkbaar dat door de rechter een zorgvuldigheidsnorm wordt geformuleerd met de strekking dat de kredietverschaffende bank genoegen dient te nemen met een tweederangs pandrecht, omdat hij rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van de verkoper en de koper, aangezien het maatschappelijk niet gerechtvaardigd is dat de bank een eersterangs zekerheidsrecht verkrijgt ten koste van de verkoper, nu een nauwere band bestaat tussen de prestatie van de verkoper en het zekerheidsobject en de kredietvoorwaarden van de bank tot gevolg hebben dat de koper inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de verkoper.5
Het is van belang op te merken dat een dergelijk tweederangs pandrecht voor de bank – anders dan voor de verkoper – niet waardeloos is. De hoogte van de doorverkoopvordering en de waarde van de nieuw gevormde zaak zullen de vordering van de verkoper overstijgen, aangezien de koper in de regel een toegevoegde economische prestatie levert. Het surplus komt dan toe aan de bank, hetgeen ook gerechtvaardigd is, omdat de bank met zijn algemene bedrijfskrediet deze winstmarge heeft gefinancierd. Aldus bewerkstelligt deze oplossing dat zowel verkoper als bank voorrang verkrijgt ten aanzien van dat gedeelte van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering, dat door hem respectievelijk haar is gefinancierd. Aangezien de vordering van de bank daarentegen de doorverkoopvordering vrijwel altijd zal overstijgen omdat de bank een algemeen krediet verstrekt, zou een tweederangs pandrecht voor de verkoper geen waarde hebben.6