Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.5.4.1
7.3.5.4.1 (In)direct bewijs
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940508:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo gebruiken Happé e.a.de term ‘indirect bewijs’ in verband met rechterlijke vermoedens, Happé e.a. 2010, p. 402. Ook Koopman gebruikt de termen ‘rechtstreeks’ en ‘(in)direct’ bewijs, Koopman 1996, p. 183.
Ook wel ‘hulpfeiten’ genoemd, zie Schuurmans 2005, p. 19.
Vgl. de omschrijving die Schuurmans uit de civielrechtelijke literatuur heeft gedestilleerd: ‘een feit bewijzen door een ander feit aannemelijk te maken’, Schuurmans 2005, p. 19.
Dat is een feitelijke grond waarop de rechtsvordering berust, zie paragraaf 7.3.4.1.1.
Koopman 1996, p. 183.
Ook Koopman 1996, p. 183 stelt de Engelse en de Nederlandse term op één lijn.
Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen zogeheten direct of rechtstreeks bewijs enerzijds en indirect bewijs anderzijds.1 Direct bewijs is bewijs waaruit het te bewijzen feit of de te bewijzen omstandigheid onmiddellijk voortvloeit. Het verband tussen bewijsmiddel en bewezen feit is sterk en rechtstreeks. Een goed voorbeeld is een schriftelijk contract. Als de te bewijzen feiten de rechtsverhoudingen betreffen die in dat contract worden geregeld, dan is het contract direct bewijs. Daaruit volgt immers rechtstreeks dat de betreffende rechtsverhouding bestaat.
Bij indirect bewijs gaat het daarentegen om een afgeleide vorm van bewijs: het verband tussen bewijsmiddel en het te bewijzen feit is niet rechtstreeks. In plaats daarvan is een tussenstap noodzakelijk, die inhoudt dat uit de (gezamenlijke) indirecte bewijsmiddelen een bepaalde gevolgtrekking wordt gemaakt, terwijl die gevolgtrekking vervolgens in een rechtstreeks verband staat met de te bewijzen feiten. Uit dergelijke feiten of omstandigheden,2 die elk op zichzelf niet rechtstreeks bijdragen aan de te bewijzen feiten, worden dus directe bewijsmiddelen afgeleid.3 Feteris beschrijft dit fenomeen door te stellen dat uit bepaalde vaststaande feiten wordt afgeleid dat andere feiten ook aannemelijk zijn. Koopman brengt een onderscheid tussen direct en indirect bewijs aan op basis van de vraag of het betreffende bewijsmiddel ertoe strekt een rechtsfeit4 te bewijzen. Bij indirect bewijs is dat niet het geval: daarbij gaat het om een feit dat zelf geen rechtsfeit is, maar dat op zijn beurt wel kan bijdragen aan het bewijs van een rechtsfeit.5 In de Engelstalige (strafrechtelijke) literatuur wordt indirect bewijs wel aangeduid met de term circumstantial evidence.6 Uit het woord ‘circumstantial’ blijkt dat het gaat om niet-rechtstreeks bewijs en dat het bewijs moet worden afgeleid uit de omstandigheden.
In de fiscale praktijk vormt bijvoorbeeld de boekhouding van een ondernemer in beginsel direct bewijs. De in de boekhouding verantwoorde omzet draagt rechtstreeks bij tot het bewijs van de fiscaal relevante conclusie dat de betreffende omzet ook daadwerkelijk is behaald, en dat er zich dus belastbare feiten hebben voorgedaan.7 Als een boekhouding ontbreekt, kunnen andere feiten en omstandigheden indirect bewijs vormen, zoals de groei van de bankrekening of het berekende netto privé van de ondernemer. Uit die feiten kan dan worden afgeleid, dat en hoeveel er (ongeveer) verdiend is met de activiteiten van de onderneming. Via die tussenstap wordt aldus een direct bewijsmiddel geconstrueerd, dat op zijn beurt rechtstreeks leidt tot de conclusie dat er zich belastbare feiten hebben voorgedaan.