Achtergestelde vorderingen (O&R)
Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.6.6.3:8.6.6.3 Carrier 1-beschikking
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/8.6.6.3
8.6.6.3 Carrier 1-beschikking
Documentgegevens:
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186562:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
559. De homologatie van het akkoord in de surseance van Carrier 1 B.V. is een van de weinige homologatiebeslissingen waarin de positie van een achtergestelde schuldeiser aan bod komt. Die uitspraak verdient afzonderlijke bespreking.
In de surseance van Carrier 1 B.V. stemden de schuldeisers in met een akkoord dat voorzag in een uitkering van 33% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers. De vordering van de moedervennootschap Carrier SA was daarvan uitgezonderd. Daarop werd slechts een betaling van 5,6% in het vooruitzicht gesteld. De moedervennootschap ging in hoger beroep tegen de homologatie van dit akkoord op de grond dat dit akkoord de paritas creditorum doorbrak. Het Hof Amsterdam zag hierin echter geen aanleiding om de homologatie te weigeren.1 Daarbij stelde het Hof voorop dat van een ongelijke behandeling van schuldeisers in een akkoord slechts in bijzondere omstandigheden sprake kan zijn.2 In dit geval was de ongelijke behandeling echter voor het Hof wel acceptabel. Daarvoor gaf het Hof onder meer als argumenten dat het akkoord het enige haalbare compromis was en dat zonder het akkoord er een faillissement zou volgen waarin aan alle schuldeisers tezamen minder zou kunnen worden uitgekeerd dan aan Carrier SA alleen onder het surseance-akkoord.3 Verder overwoog het Hof:
“Voorts moet in dit verband tevens betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de vordering van Carrier SA op Carrier BV, zo deze in rechte komt vast te staan, niet anders kan worden aangemerkt dan voortvloeiend uit een lening van Carrier SA aan Carrier BV – een 100% dochtervennootschap van Carrier SA – die, in elk geval deels, in de gegeven situatie het karakter heeft van een kapitaalsinjectie. Het hof is van oordeel dat, gelet ook op die omstandigheden, van Carrier SA verwacht mag worden dat zij bij de bepaling van haar positie in deze, de belangen van de overige schuldeisers van Carrier BV niet uit het oog verliest en in verband met die belangen, genoegen neemt met 5,6% van haar vordering terwijl de overige crediteuren 33% krijgen uitgekeerd.”4
Deze overweging suggereert dat het Hof de vordering van Carrier SA achtergesteld achtte. In dat geval is het niet zozeer verbazingwekkend dat Carrier SA een kleinere uitkering werd toegezegd dan de concurrente schuldeisers, maar verbaast het eerder dat Carrier SA überhaupt een uitkering werd toegezegd terwijl de andere schuldeisers geen volledige betaling werd toegezegd. Daarover klaagde Carrier SA niet. Carrier SA protesteerde tegen de homologatie omdat zij een lagere uitkering kreeg toegezegd dan de andere schuldeisers. Het Hof had daar, gezien het geconstateerde karakter van de vordering van de moeder als kapitaalsinjectie en de overige omstandigheden van het geval, geen moeite mee.
Het Hof was in het Carrier 1-arrest niet gevraagd te oordelen over de vraag of de homologatie van een akkoord moet worden geweigerd als daarin een betaling wordt toegezegd aan een achtergestelde schuldeiser zonder dat de seniorschuldeisers volledig worden voldaan. Die vraag is tot nu toe in de jurisprudentie niet aan de orde geweest. Die vraag komt wel aan bod in de verschillende akkoordvarianten die werken met een klassensysteem.