Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.4.2
8.4.2 Wettelijke bepalingen en parlementaire geschiedenis
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS389556:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Meijer 2011, p. 209-210.
Kamerstukken II1982/83,17 779, nr. 3 (MvT), p. 36.
Kamerstukken II1982/83,17 779, nr. 3 (MvT), p. 37; zie ook Luttik 1994, p. 268; Meijer 1992, p. 59; zie ook bijv. HR 25 juni 2010, NJ 2010, 372 (Baijings c.s./Huijgers c.s.), r.o. 3.4.2.
Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 109,110; zie ook de parlementaire geschiedenis bij art. 8 Rv (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 111-112) en bij de Arbitragewet (Kamerstukken II 1983/84,18 464, nr. 3 (MvT); Kamerstukken II1984/85,18 464, nr. 5 (VV); Kamerstukken II1985/86, 18 464, nr. 6 (MvA).
Indien men naar de tekst van de wettelijke bepalingen waarbij het sluiten van procesovereenkomsten wordt toegestaan kijkt, lijkt het er niet op dat dergelijke overeenkomsten obligatoire werking hebben. De verschillende wettelijke bepalingen spreken met name over de afwijking van de regels van procesrecht die deze overeenkomsten tot gevolg hebben. Zo omschrijft artikel 153 Rv bewijsovereenkomsten als 'overeenkomsten waarbij van het wettelijke bewijsrecht wordt afgeweken'.De overeenkomst tot internationale forumkeuze leidt er blijkens artikel 8 lid 1 Rv toe, dat '[d]e Nederlandse rechter (...) rechtsmacht [heeft]'. Zie ook bijvoorbeeld artikel 8 lid 2 Rv met betrekking tot de derogatie van de Nederlandse rechter, artikel 108 lid 1 Rv met betrekking tot de keuze van de relatief bevoegde rechter en artikel 227 lid 1 sub b en artikel 228 lid 1 Rv met betrekking tot de hervatting bij akte ter rolle na schorsing van het geding.
De overeenkomsten tot prorogatie en tot sprongcassatie worden daarentegen in de wet omschreven als afspraken van partijen omtrent hun gedrag tijdens de procedure. Artikel 329 Rv bepaalt dat partijen kunnen overeenkomen 'geschillen bij aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het gerechtshof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn'. Op grond van artikel 398 sub 2 Rv kunnen partijen afspreken 'het hoger beroep over te slaan'. Toch is onduidelijk of uit deze formuleringen kan worden afgeleid dat deze overeenkomsten verbintenissen voor partijen in het leven roepen. Zo omschrijft artikel 398 Rv niet alleen de afspraak tot sprongcassatie tussen partijen, maar geeft ook aan wat het gevolg is van een dergelijke afspraak: partijen kunnen beroep in cassatie instellen. Ook deze bepaling is dus met name gericht op de afwijking van het procesrecht die deze overeenkomst tot gevolg heeft.
Uit lid 2 van artikel 1020 Rv lijkt te volgen dat een overeenkomst tot arbitrage ook obligatoire werking heeft.1 In dit lid worden het compromis en het arbitraal beding als volgt omschreven:
‘De overeenkomst tot arbitrage (...) betreft zowel het compromis waarbij de partijen zich verbinden om een tussen hen bestaand geschil aan arbitrage te onderwerpen als het arbitraal beding waarbij de partijen zich verbinden om geschillen die tussen hen zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage te onderwerpen.'
Dit artikel spreekt dus over het 'zich verbinden' van partijen. In andere bepalingen wordt echter met name aandacht besteed aan de afwijking van het procesrecht die deze overeenkomst tot gevolg heeft. In lid 1 van artikel 1020 Rv valt bijvoorbeeld te lezen dat 'partijen (...) bij overeenkomst geschillen (...) aan arbitrage [kunnen] onderwerpen'. In artikel 1051 lid 1 Rv staat dat 'partijen (...) bij overeenkomst het scheidsgerecht dan wel de voorzitter daarvan (...) de bevoegdheid [kunnen] verlenen om in kort geding vonnis te wijzen'.
Met betrekking tot de overeenkomst tot bindend advies lijkt uit de wet wel voort te vloeien dat zij obligatoire werking heeft. De overeenkomst tot bindend advies is immers een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst is een verbin-tenisrechtelijke overeenkomst, geregeld in titel 15 van boek 7 BW.2 Toch is hiermee nog niet alles gezegd. De vraag is immers, welke verbintenissen precies uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeien. Het gaat in het kader van deze paragraaf immers slechts om verbintenissen tot bepaald procesgedrag. Verplicht de overeenkomst tot bindend advies partijen ook om geen procedure bij de overheidsrechter te beginnen? Dit wordt uit de tekst van de wet niet direct duidelijk. In artikel 7:900 BW valt te lezen dat partijen zich jegens elkaar binden aan een vaststelling omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. In artikel 7:901 lid 2 BW wordt dit nader uitgewerkt. Dit lid bepaalt dat ieder van de partijen jegens de andere verplicht is te verrichten hetgeen van haar zijde nodig is om aan de vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling te voldoen. Volgens de parlementaire geschiedenis omvat deze bepaling mede het vereiste om aan het tot stand komen van de beslissing door bindend adviseurs mee te werken.3 Hoe ruim deze verplichting tot medewerking precies is, is echter niet duidelijk. Of deze verplichting ook is geschonden indien een partij in strijd met een overeenkomst tot bindend advies een zaak bij de overheids-rechter aanhangig maakt, blijft kortom de vraag.
De tekst van de wettelijke bepalingen wijst er over het algemeen kortom niet op dat uit de verschillende procesovereenkomsten verbintenissen voor partijen voortvloeien. De parlementaire geschiedenis bevestigt dit beeld. Ook hier wordt vaak enkel gesproken over de afwijking van de regels van procesrecht die deze overeenkomsten tot gevolg hebben. Een voorbeeld biedt de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de bewijsovereenkomst:
‘Het komt dikwijls voor, dat partijen met het oog op een mogelijk proces in afwijking van het wettelijk bewijsrecht afspraken maken omtrent haar bewijspositie, in dier voege b.v., dat bepaalde bewijsmiddelen worden uitgesloten of dwingende bewijskracht aan een bepaald bewijsmiddel wordt verleend, al dan niet met beperking of uitsluiting van tegenbewijs.'4
Noch de tekst van de wettelijke bepalingen, noch de parlementaire geschiedenis wijst er kortom op dat procesovereenkomsten obligatoire werking hebben.