Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4.2:2.3.4.2 Buitenlandse veroordeling
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4.2
2.3.4.2 Buitenlandse veroordeling
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859227:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast een Nederlandse veroordeling kan ook een buitenlandse veroordeling tot onwaardigheid leiden. Voorwaarde hiervoor is wel dat het buitenlandse strafbare feit in Nederland met een maximale vrijheidsstraf van ten minste vier jaren is bedreigd. Het eerste ontwerp van artikel 4:3 lid 1 sub b BW vermeldt dit niet expliciet. Om hierover onduidelijkheden te voorkomen, heeft minister Sorgdrager gedurende de parlementaire behandeling aanleiding gezien aan deze onwaardigheidsgrond toe te voegen dat het gepleegde misdrijf naar Nederlands recht met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf moet zijn bedreigd. Volgens de minister is het in het algemeen onwenselijk om voor het Nederlandse erfrecht gevolgen te verbinden aan een buitenlandse veroordeling als het een delict betreft waarop in het desbetreffende land wel een straf van maximaal ten minste vier jaren staat, maar in Nederland niet.1
Het land waarin het strafbare feit is gepleegd kan een ander strafregime hebben dan Nederland. Indien dat land hoge strafbedreigingen kent voor strafbare feiten die naar Nederlands recht als licht worden beschouwd en daarom met een (veel) lagere straf worden bedreigd, kan zonder deze eis de onwenselijke situatie ontstaan dat de dader onwaardig wordt op grond van een misdraging die naar Nederlandse begrippen niet als voldoende ernstig wordt gekwalificeerd.
In de spiegelbeeldige situatie dat het strafbare feit naar buitenlands recht niet met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd, maar in Nederland wel, wordt onwaardigheid niet voorkomen. Niet alleen de tekst van artikel 4:3 lid 1 sub b BW dwingt tot deze conclusie, maar ook het gegeven dat het strafregime in het buitenland minder hoog kan zijn. De lagere strafbedreiging maakt de misdraging naar Nederlandse maatstaven niet minder ernstig. De ernst van het misdrijf wordt afgemeten aan de daarop in de Nederlandse wet gestelde maximumstraf.2 Dat maakt dat voor de toepassing van artikel 4:3 lid 1 sub b BW niet relevant is dat in het buitenland een andere of in het geheel geen strafbedreiging geldt voor het misdrijf of wellicht zelfs een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld.3
In lijn met het voorgaande zou ik willen aannemen dat ook de buitenlandse kwalificatie en rubricering van het delict niet van betekenis is. Dat het strafbare feit in het buitenland niet als misdrijf is gerubriceerd, is voor onwaardigheid dus niet doorslaggevend. Het gaat erom dat de bewezen gedraging naar Nederlands recht een misdrijf oplevert dat met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd. Aan de hand van de overwegingen in het buitenlandse vonnis moet dit worden vastgesteld.
In de volgende paragraaf wordt duidelijk dat onder ‘veroordeling’ ook een strafbeschikking moet worden begrepen. Dat brengt mee dat – als aan de overige voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub b BW wordt voldaan – een buitenlandse buitengerechtelijke afdoening die vergelijkbaar is met een Nederlandse strafbeschikking eveneens onwaardigheid tot gevolg heeft.