Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.5.2
3.5.2 Onderlinge geheimhouding en collegiaal overleg
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285424:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
O.a.: aanschrijving Minister van Financiën van 26 januari 1894, nr. 41, opgenomen in P.W. nr. 8572 en art. 1 Algemeene Instructie (1919) (I.V.).
Vergelijk: resolutie Staatssecretaris van Financiën van 8 juli 1987, nr. 587-15 174, V-N 1987/1667, 6, R.P.M. Geertman, De Belastingdienst en de belastingambtenaar: Het gezicht van de rechtsstaat? Over de beroepshouding van belastingambtenaren, WFR 1990/1161, par. 1.1 VIV 1993, Wisselink 1997, blz. 130, Feteris 2007, blz. 289, brief Staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2012 (notitie over inlichtingenrecht van parlement en fiscale geheimhoudingsplicht), Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 83, de Instructie informatieverstrekking (2020), blz. 2 en de externe website van de Belastingdienst, https://belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/standaard_functies/prive/contact/rechten_en_plichten_bij_de_belastingdienst/geheimhoudingsplicht (online geraadpleegd op 23 oktober 2019).
Memo geheimhouding en collegiaal overleg (2018), blz. 1. Vergelijk: Handboek Controle (2020), blz. 38, par. 4.4.5 (geheimhouding) waarin wordt opgemerkt dat: “Ook met collega’s en leidinggevenden mag hij niet zomaar van alles bespreken”.
HR (strafkamer) 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1118.
Vide: conclusie A-G J. Wortel van 27 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1129, par. 3.2. Het betrof de schending van art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 en art. 30 Wet politieregisters. Vergelijkbaar is de veroordeling van de politieagent die zijn ambtsgeheim schond door informatie uit de politiesystemen naar de media te lekken over de aanrijding op Amsterdam Centraal (OM 27 juni 2019, Oud-politieambtenaar veroordeeld voor lekken informatie, https://www.om.nl/@106173/oud-politieambtenaar (online, geraadpleegd op 23 oktober 2019)).
Vide: conclusie A-G J. Wortel van 27 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1129, par. 3.3.
Vide: conclusie A-G J. Wortel van 27 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1129, par. 3.2.
Vergelijk: het in par. 4.4.2 aangehaalde voorbeeld van Adriani inzake verstrekken van gegevens aan een notaris. De geheimhoudingsplicht geldt ook wanneer de inspecteur volkomen zeker is dat de notaris – in verband met zijn eigen geheimhoudingsplicht – zal zwijgen (Adriani 1935, blz. 388).
Met de strikte fiscale geheimhoudingsverplichting geldt van oudsher het breed gedragen uitgangspunt dat medewerkers van de Belastingdienst deze ook onderling in acht nemen.1 Ook na de inwerkingtreding van de AWR is dit uitgangspunt bij voortduring bevestigd.2 In het memo geheimhouding en collegiaal overleg (2018) wordt terecht opgemerkt dat de geheimhoudingsplicht ook geldt voor het delen van informatie met collega’s. Bij collegiaal overleg is het noemen van namen meestal niet noodzakelijk en kan worden volstaan met het bespreken van een geanonimiseerde casus. Het noemen van namen is dan niet toegestaan.3 Het niet in acht nemen van de onderlinge geheimhouding kan zeer verstrekkende consequenties hebben. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van een strafzaak wegens schending van het ambtsgeheim door een politieagent.4 Deze politieagent had een niet-betrokken collega telefonisch geïnformeerd over een door hem afgenomen verhoor van een verdachte. De gedeelde informatie was verkregen in de uitoefening van zijn functie en viel daarmee volgens de rechter onder de geheimhoudingsverplichting. Omdat er geen enkel dienstbelang was bij het delen van deze informatie had de politieagent zijn ambtsgeheim geschonden.5 In cassatie werd namens de politieagent als verweer het volgende aangedragen:6
Juist het onderling bespreken van zaken en het uitwisselen van informatie binnen een geheimhouders groep zoals van de politie kan nieuw licht werpen op of bruikbare informatie opleveren voor (bijvoorbeeld) een opsporingsonderzoek. De opvatting van het hof impliceert dat politieambtenaren alleen over een zaak mogen praten met de collega's die "op de zaak zitten"(…). Aangezien het onderling bespreken van zaken en ervaringen in de politie organisatie gebruikelijk is zal deze uitleg van artikel 272 Sr door de politie niet in dank worden afgenomen en moet in strijd geacht worden met de bedoeling van de wetgever.
Dit verweer kon de politieagent echter niet baten. Hij moest zich als ervaren politieagent bewust zijn geweest van zijn geheimhoudingsplicht.7 Hierdoor was sprake van op zijn minst voorwaardelijke opzet. Voor de aan de fiscale geheimhoudingsplicht onderworpen subjecten is deze uitspraak ook van belang. Het bevestigt dat het vrijblijvend bespreken van fiscale informatie met collega’s bij bijvoorbeeld de koffieautomaat uit den boze is. Dat de ontvangende partij een eigen geheimhoudingsverplichting heeft is hierbij irrelevant.8