Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.7.6.3
11.7.6.3 Verschillende vervoerswijzen
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258691:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-17/89 (Hauptzollamt Frankfurt am Main-Ost tegen Deutsche Olivetti GmbH), ECLI:EU:C:1990:238, r.o. 14.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-17/89 (Hauptzollamt Frankfurt am Main-Ost tegen Deutsche Olivetti GmbH), ECLI:EU:C:1990:238, r.o. 17 e.v.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-17/89 (Hauptzollamt Frankfurt am Main-Ost tegen Deutsche Olivetti GmbH), ECLI:EU:C:1990:238, r.o. 19.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-17/89 (Hauptzollamt Frankfurt am Main-Ost tegen Deutsche Olivetti GmbH), ECLI:EU:C:1990:238, r.o. 24.
HvJ EEG 10 december 1970, nr. C-27/70 (C. W. Edding & Co. tegen Hauptzollamt Hamburg-St. Annen), ECLI:EU:C:1970:106, r.o. 8. Zie in dat kader ook Conclusie 12 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende de douanewaarde van door de lucht vervoerde handelsmonsters. In deze conclusie worden monsters met een waarde van 5 rekeneenheden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de EU. De luchtvrachtkosten bedragen 50 rekeneenheden, terwijl een monster per schip tegen 5 rekeneenheden per monster had kunnen worden vervoerd. Desalniettemin moet de transactiewaarde worden verhoogd met de daadwerkelijke transportkosten ter hoogte van 50 rekeneenheden.
Zie echter ten aanzien van dat laatste punt onderdeel 11.7.4 waarin de lopende zaak „Lifosa” AB tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos wordt besproken. In voornoemde zaak ligt de prejudiciële vraag voor of de daadwerkelijk gemaakte vervoerskosten aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs moeten worden toegevoegd, als i) de verkoper de vervoerskosten tot aan het douanegebied van de Europese Unie draagt overeenkomstig de overeengekomen leveringsvoorwaarden, ii) de vervoerskosten hoger waren dan de overeengekomen en door de koper werkelijk betaalde (te betalen) prijs, maar iii) de door de koper werkelijk betaalde (te betalen) prijs overeenstemde met de werkelijke waarde van de goederen, ook al was deze prijs ontoereikend om alle door de producent gemaakte vervoerskosten te dekken.
HvJ EEG 10 december 1970, nr. C-27/70 (C. W. Edding & Co. tegen Hauptzollamt Hamburg-St. Annen), ECLI:EU:C:1970:106, r.o. 8.
Indien verschillende vervoerswijzen worden aangewend om de goederen te vervoeren naar het douanegebied van de Europese Unie, lijkt het UDWU niet te voorzien in de wijze waarop de kosten van vervoer moeten worden verdeeld. Splitsing naar evenredigheid lijkt in ieder geval niet mogelijk, omdat de tarieven per vervoersmodaliteit zullen verschillen. Indien naar afstand een evenredige splitsing wordt gehanteerd overeenkomstig artikel 138, lid 1, UDWU, zou dit kunnen leiden tot de vaststelling van fictieve of arbitraire douanewaarden.1
In de jurisprudentie is echter wel voorzien in een mechanisme om bij de aanwending van verschillende vervoerswijzen een verdeling aan te brengen. In het Hauptzollamt Frankfurt am Main-Ost tegen Deutsche Olivetti GmbH-arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat één van de twee hiernavolgende methodes toepassing vindt.2 Bij toepassing van de in aanmerking te nemen vervoerskosten op basis van de eerste methode wordt eerst de voor de goederen in de Europese Unie afgelegde afstand geldende of gebruikelijke prijs vastgesteld en deze wordt vervolgens van de betaalde of te betalen vervoerskosten afgetrokken.3 De tweede methode sluit aan bij artikel 138, lid 1, UDWU en stelt dat rechtstreeks de volgens de gebruikelijk tarieven bepaalde kosten van het vervoer tot de plaats van binnenkomst vast moeten worden gesteld. Voornoemde methodes zijn beide gebaseerd op de gebruikelijke tarieven die gelden voor het vervoersmiddel dat wordt aangewend. In beide gevallen gaat het dus, zo overweegt het Hof van Justitie, om een raming van de vervoerkosten op basis van in de Europese Unie beschikbare gegevens. De nationale instanties moeten de methode toepassen, waarmee de vaststelling van de douanewaarde op arbitraire en fictieve waarden het best wordt vermeden.4
Bij het maken van een verdeling van de kosten van vervoer, maakt het niet uit dat het vervoersmiddel waarmee de goederen worden vervoerd gelet op het type goederen ongebruikelijk en bijzonder kostbaar is.5 Dit is zelfs het geval indien het gebruik niet aan toevallige omstandigheden kan worden toegeschreven, de ongebruikelijk gekozen vervoersmodaliteit leidt tot een hogere verkoopprijs in een opvolgende levering of de vervoerskosten meer bedragen dan de verkoopprijs van de ingevoerde goederen.6 Het uitgangspunt is immers dat wordt aangesloten bij wat partijen onder voorwaarden van vrije mededinging met elkaar afspreken. Het zou vanuit die grondgedachte niet wenselijk zijn om voor bepaalde vervoersmodaliteiten een andere toedeling van de vervoerskosten aan de transactiewaarde toe te staan enkel en alleen, omdat de keuze voor het aangewende vervoersmiddel ongebruikelijk is gelet op het type ingevoerde goed. Deze zienswijze sluit ook beter aan bij de commerciële realiteit; mogelijk was er namelijk een goede commerciële reden om van een ‘ongebruikelijke’, kostbaarder vervoersmiddel gebruik te maken. De snelheid waarmee het vervoersmiddel de goederen kan afleveren of de waarborging van de veiligheid kunnen bijvoorbeeld aan de keuze van een bepaald vervoersmiddel ten grondslag liggen.7