Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.7
3.7 Het stakeholder model in Nederland
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS301400:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband hetgeen reeds opgemerkt in: hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.4.
Zie: Goodijk 2009, p. 9-12, en schema 1.
Goodijk 2009, p. 12.
Zie in dit verband ook de overwegingen van de Minister in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen II, welke ter internetconsultatie is aangeboden: ‘Dat het bestuur zich moet richten naar het belang van de rechtspersoon wil zeggen dat het moet zorgen voor een gezond bestaan, uitgroei en voortbestaan van de rechtspersoon, waarbij overigens geldt dat het voortbestaan geen doel op zich is. Deze ook wel Rijnlands genoemde benadering van het vennootschapsrecht is in continentaal Europa nog steeds gemeengoed en wordt ook door het kabinet onderschreven. Zij brengt mee dat het bestuur niet alleen de belangen van de aandeelhouders moet behartigen: ook de belangen van de in de door de vennootschap gedreven onderneming werkzame werknemers en de belangen van de crediteuren moeten in de afweging van het bestuur worden betrokken’ (Wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot het algemeen verbindend verklaren van een buiten faillissement gesloten akkoord ter herstructurering van de schulden, Memorie van Toelichting, zoals aangeboden ter internetconsultatie op 14 augustus 2014, p. 50).
Ook in artikel 2:129/239 lid 5 BW, waarin is bepaald dat de bestuurder het belang van de vennootschap dient te behartigen, is niet expliciet terug te lezen dat de bestuurder zich moet richten op de belangen van alle betrokkenen bij de vennootschap. In paragraaf 3.13. e.v. van dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het vennootschappelijk belang.
Ook werknemers krijgen middels Boek 2 BW een bevoegdheid toegekend. In de structuurvennootschap krijgt de ondernemingsraad immers de bevoegdheid om personen aan te bevelen om als commissaris te worden voorgedragen (artikel 2:158 lid 5 BW).
Artikel 2:346/347 BW.
Artikel 2:345 lid 2 BW.
Bestuur: artikel 2:129/239 lid 5 BW; commissarissen: artikel 2:140/250 lid 2 BW.
Nederland kent in het rechtspersonenrecht een relatief lange traditie van het erkennen van niet alleen aandeelhouders, maar ook andere belanghebbenden. Zoals reeds aangegeven, heeft deze ontwikkeling zich parallel aan de institutionalisering van de vennootschap voorgedaan.1 Goodijk geeft in het kader van het stakeholder model een overzicht van de continentaal Europese benadering van ondernemingen en organisaties, welke hij afzet tegen de Angelsaksische benadering. Hij omschrijft in dit kader een zevental belangrijke kenmerken van de ‘Europese onderneming’:
de onderneming is een samenwerkingsverband;
het ondernemingsbelang en langere termijn perspectief staan centraal;
belangrijke netwerken en onderlinge relaties tussen ondernemingen en anderen, waardoor ondernemingen meer verankerd zijn in de samenleving;
het afwegen van diverse belangen en betrokkenheid van (meerdere) partijen;
een evenwichtige zeggenschapsverhouding, waarbij veel overleg plaatsvindt en aandacht is voor onderlinge relaties tussen partijen met zeggenschap;
de macht wordt tot op zekere hoogte ingeperkt, er is sprake van een ‘countervailing power’; en
er wordt gestuurd op vertrouwen, consensus en commitment.2
Vervolgens maakt Goodijk een onderscheid tussen de Noord-Europese, Zuid- Europese en Centraal-/Oost-Europese modellen. Het Noord-Europese model wordt volgens hem gekenmerkt door (relatief) grote invloed van werknemers en andere ‘stakeholders’ en daarnaast door veel aandacht voor institutioneel overleg, gemeenschappelijke belangen en consensus.3 Wanneer naar de door Goodijk opgesomde kenmerken wordt gekeken, kan een interessante conclusie worden getrokken. Al de door hem omschreven kenmerken kunnen worden teruggevoerd op twee ontwikkelingen, namelijk de institutionalisering en de belangenpluralisering van de vennootschap.
Uit de voorgaande kenmerken blijkt dat het stakeholder model en de daarbij behorende pluralisering een belangrijke invloed hebben op de Nederlandse benadering van de onderneming4 en dit komt ook terug in het rechtspersonenrecht, al staat het niet expliciet in de wet. Nergens in de wet kan expliciet worden gevonden dat de vennootschap en dus het bestuur rekening dient te houden met de belangen van alle belanghebbenden bij de vennootschap, maar indirect volgt dit wel uit de wet5 en de Nederlandse Corporate Governance Code.
Allereerst de wettelijke bepalingen. Het Nederlandse recht kent in het algemeen, en het rechtspersonenrecht betreffende de kapitaalvennootschappen in het bijzonder, meerdere bepalingen die erop wijzen dat een pluralistische vorm van belangenbehartiging wordt voorgestaan. De beste voorbeelden hiervan zijn de medezeggenschapsrechten voor werknemers middels onder meer de WOR en de zeggenschapsrechten voor aandeelhouders middels Boek 2 BW.6 Dat aan werknemers zeggenschapsrechten toekomen, geeft er blijk van dat de vennootschap als meer dan een instrument voor aandeelhouders dient te worden beschouwd. Dit blijkt ook uit het feit dat aan diverse partijen het recht is toegekend om een enquêteprocedure aanhangig te maken bij de Ondernemingskamer.7 De Advocaat-Generaal bij het Hof te Amsterdam kan zelfs om redenen van openbaar belang een enquêteprocedure aanhangig maken.8 Tot slot, maar daarom niet minder belangrijk, is er de gedragsnorm voor het bestuur en de raad van commissarissen; het vennootschappelijk belang.9 Hoewel een nadere omschrijving van het vennootschappelijke belang en de verschillende inzichten daaromtrent pas in paragraaf 3.12 van dit hoofdstuk aan de orde zal komen, kan hier wel reeds worden opgemerkt dat belangenpluralisme er in de veelal verdedigde en heersende opvattingen onderdeel van uitmaakt.
Naast de voornoemde wettelijke bepalingen kan ook in de Nederlandse Corporate Governance Code een belangrijke aanwijzing voor het belangenpluralisme worden gevonden. In preambule 7 van de Code staat:
‘De Code gaat uit van het in Nederland gehanteerde uitgangspunt dat de vennootschap een lange termijn samenwerkingsverband is van diverse bij de vennootschap betrokken partijen. (…). Het bestuur en de raad van commissarissen hebben een integrale verantwoordelijkheid voor de afweging van deze belangen, doorgaans gericht op de continuïteit van de onderneming. Daarbij streeft de vennootschap naar het creëren van aandeelhouderswaarde op de lange termijn.’
De Code gaat blijkens preambule 7 uit van belangenpluralisme, maar geeft in de laatste zin wel aan dat de vennootschap (en daarmee het bestuur) dient te streven naar het creëren van aandeelhouderswaarde op de lange termijn. Aan de hand van het derde rechtseconomische argument zal deze, mijns inziens opmerkelijke, bepaling in paragraaf 3.10 en 3.11 van dit hoofdstuk nader worden verklaard.