Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.1.1
7.1.1 Staatsinrigting van Nederland en handelsrecht in de MO-wet 1862
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977347:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet op het Middelbaar Onderwijs van 2 mei 1863, Stb. 1863, nr. 50 (MO-wet 1863).
Artikel 57 eerste alinea MO; J.P. Duyverman 1936, p. 55-60.
Ibid., p. 59. Bij KB van 10 Maart 1870, Stb. 1870, nr. 49 is het Algemeen Reglement eindexamens der hbs'en vastgesteld. Staatswetenschappen wordt niet schriftelijk geëxamineerd.
Artikel 1 MO.
Vgl. Burkens 1969, p. 3 (Wie over staatsrecht spreekt, spreekt over de Grondwet. Dat is met name het geval in de vorige eeuw, toen de beoefening van het staatsrecht in de vorm van een commentaar op de Grondwet geschiedde, maar het is in belangrijke mate zo gebleven. Traditiegetrouw plegen beoefenaars van het staatsrecht zich over de Grondwet te buigen om uit dit document hun wijsheid te putten […]. Voor buitenstaanders moge deze gefascineerdheid van de Grondwet wellicht enigszins monomane trekken vertonen […].
J.P. Duyverman, ’Thorbecke als Leids hoogleraar 1831-1849’, TBP 1979, p. 378-386.
Duyverman 1968, p. 13.
Ibid., 1968, p. 15.
Curs.W. Ibid., p. 37.
Curs.W. Ibid., p. 37.
Ibid., p. 108-111.
Ibid., p. 16-22.
Ibid., p. 31.
Vgl. M. van de Waardt, De man van 1848. Dirk Donker Curtius, Nijmegen: Vantilt 2019.
C. van Vollenhoven, ´Nationale Staatsrechtstudie in Nederland´, Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, dl 70, serie B, nr. 8, Amsterdam 1930; J. de Bosch Kemper, Handleiding tot de kennis van het Nederlandsche Staatsregt en regt en Staatsbestuur, Amsterdam: Müller 1865 en Handleiding tot de kennis van de Wetenschap der zamenleving en het Nederlandsch Staatsregt, Amsterdam: Müller 1860-1863.
Dit zal voor Staatsinrigting en voor recht blijken in dit hoofdstuk. Verwevenheid uit zich in bevoegdheden. De doctor iuris is bevoegd voor staatshuishoudkunde en de statistiek, en Staatsinrigting van Nederland (artikel 86 MO).Vgl. de ontwikkeling van het vak staathuishoudkunde en de statistiek/economie: G.F. Gorter, Anderhalve eeuw economieonderwijs, Delft: Eburon 2013, p. 152-155.
De Grondwet eist wetgeving in een organieke wet of AMvB. Deze zijn in diverse leerboeken ‘juist, onvolledig of onjuist’ gedefiniëerd, zie: Aug. C.J. Commissaris 1959, p. 78 (Organieke wetten zijn wetten, die de organen van het bestuur van de staat en zijn onderdelen regelen. Alle andere wetten zijn utiliteitswetten), A. Feenstra, De gronden der staatsinrichting van Nederland, Gorinchem: Noorduyn 1929, p. 6 (Organieke wetten, dat zijn gewone wetten, die uitdrukkelijk door de grondwet zijn voorgeschreven, zooals de provinciale wet, gemeentewet en kieswet), B. Burger & A.J. Nieuwenhuizen, Hoofdzaken van de staatsinrichting van Nederland, Alphen a/d Rijn: Samsom 1969, p. 16 (De organieke wetten zijn de door de grondwet geëiste wetten, welke betrekking hebben op de organisatie en de inrichting van de staat (en zijn onderdelen). In een wat ruimere omschrijving van het begrip organieke wet […] verstaat men daaronder elke wet die de grondwet vordert (p. 16, noot 1), I.J.M. Laurillard, Inleiding tot de studie van de staatsinrichting van Nederland, s-Gravenhage: Laurillard 1935, p. 15, F. Vorstman, Hoofdlijnen der Staatsinrichting van het Koninkrijk der Nederlanden, Haarlem: Tjeenk Willink 1939, p. 8 (Organieke wetten behoren tot het ‘gedelegeerd grondwettelijk recht’) en Kortmann 2021, p. 24-26, 107.
Vgl. Kocken 1851, z.p. 1973, Van der Pot 1949, M. Neustaetter, De Grondwet, omschreven (inzonderheid voor niet-juristen), Amsterdam: Kraay 1850. De grondwetsherziening 1848 is de aanleiding tot de uitgave van De Grondwet. De Voorrede opent met ‘Hoe noodzakelijk, hoe onmisbaar voor elken staatsburger, ingezetene, ja zelfs voor hèm die tijdelijk verblijf in Nederland houdt, kennis der Grondwet is, vereischt trouwens geen betoog. Deze behoefte aan bekendheid met den grondslag van het hedendaagsche Nederlandsche Staatsregt wordt van dag tot dag dringender, naarmate organieke wetten ontstaan en den Nederlander tot warme deelneming aan 's lands zaken roepen’.
J.L. de Bruyn Kops 1850; anders: Gorter acht De beginselen der Volkshuishoudkunde van Tellegen (1853) de eerste algemene uitgave (Gorter 2013, p. 145, 318), N.G. Pierson, ’Boekbespreking van J.L.de Bruyn Kops' Beginselen der Staathuishoudkunde´, 3e druk, De Gids 1863, 27, p. 184-199.
P. Hennipman, ´J.L. de Bruyn Kops´, De Economist 1952, 100, p. 784-814.
Geen landelijk hbs-leerplan
Bij de inwerkingtreding van de MO-Wet 1863 is er geen landelijk hbs-leerplan.1 De lerarenvergaderingen hebben de wettelijke taak om de curricula vast te stellen en de onderlinge afstemming vindt slechts in het kader van de zich ontwikkelende - per provincie gehouden - examens plaats. Voor de organisatie van de examens is de Commissaris van de Koning eerstverantwoordelijk.2
Vrije programmering: geen landelijk curriculum
Thorbecke is voorstander van een vrije programmering al naargelang de lokale maatschappelijke behoeften. Bijgevolg is hij tegen een landelijk hbs-curriculum en ziet hij evenmin de noodzaak in van een centraal examen. In de exameneisen is als doelstelling vastgelegd: ‘vorming van ontwikkelde jongelieden, toegerust met kundigheden die de hedendaagsche maatschappij van elk beschaafd man eischt’.3 De vorming is algemeen: ‘tot het middelbaar onderwijs behooren alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan de scholen, waarover zij zich uitstrekt’.4 Voor het vak Staatsinrigting van Nederland is kennis van de Grondwet en organieke wetten als de Provinciale-, Gemeente- en Kieswet vereist.5 Cognitieve vaardigheden kunnen in de klas geoefend worden aan de hand van leer-, hulp- en vragenboekjes.6
Begrip staatsinrichting of constitutie
In zijn Gentse colleges, tussen 1825 en 1830 als buitengewoon hoogleraar diplomatie, moderne geschiedenis en Europese politiek, en de statistiek (waaronder publiekrecht), bespreekt Thorbecke het begrip Staatsinrigting, waaronder ‘het zamenstel der regten, waarop de staat zoowel in zijn geheel als in deszelfs bijzondere deelen berust.7 De regten van dat geheel en de verhouding der bijzondere leden en deelen tot hetzelve maken het staatsrecht uit’.8 Het leerstuk van de Staatsinrigting of constitutie omvat twee delen: I. Inrigting der algemeene staatsmagt, die de eenheid of het geheel van de staat vertegenwoordigt, en II. Verhouding van enkele leden des staats tot de algemeene staatsmagt.9 Daarna analyseert Thorbecke de begrippen staatsmagt en personen:
De staatsmagt beschouwd als gewrocht uit de drie hoofdbestanddeelen: de wetgevende, regterlijke en uitvoerende magt. Het Staatsbestuur omvat handelingen, strekkende de Staatsinrigting in werking te brengen en te handhaven.10 ‘Drie hoofdklassen zijn te onderscheiden in de zorg: (a) voor het physieke bestaan en den physieken bloei des staats, (b) voor de zekerheid van de regten of de regtspleging en (c) voor de ontwikkeling van de geest of voor het publiek onderwijs, de zedelijkheid, het redelijk gebruik van de goederen der natuur, wetenschap, kunst en godsdienst.11 Publiek onderwijs is: primair en volgend onderwijs: geleerd en middelbaar onderwijs (gymnasium, Latijnsche school, collegie en athenaeum).12
De personen beschouwd, waarbij de staatsmagt kan berusten:
Bij éénen persoon of één ligchaam, alleen en onverdeeld:
Een monarch (erfelijk of persoonlijk)
De stand der aristokratie (Venetië)
Alle individus des volks/de demokratie
In gemeenschap met eenen of meer andere personen of ligchamen: 1. Constitutioneele monarchieen, 2. Aristokratieen, 3. Republieken.13
Met de opkomst van de steden ontstaat ‘in de Europeesche staten een derde stand, de burgerstand, waaruit is ontsproten dat het stedelijk bestaan wezenlijk eigen regten en eigenaardig belang medebragt. Waaruit voortvloeide dat de staatsmagt zich omtrent de steden anders te regelen had. Tot het bezit van de staatkundige regten is de burgerstand vroeg geraakt. In de tegenwoordige gesteldheid van Europa is de staatsregtelijke medewerking der burgerij minder op de standsrechten, dan op de regten en het belang van het volk gegrond’.14 Het proces van de natievorming staat bij Thorbecke voorop.15
Staatsinrichting en staathuishoudkunde en de statistiek verweven
In Thorbeckes wetenschappelijke oeuvre vormen de vakken staatsinrichting en staatshuishoudkunde en de statistiek een grote verwevenheid. Beide vakken hebben zich lang gezamenlijk ontwikkeld in een wetenschappelijke context.16 De hbs-eisen (1870) zijn van de academische programma's afgeleid.17 Het vak de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland omvat de Grondwet en de voornaamste organieke wetten: de Gemeente-, Provincie- en Kieswet.18 Het curriculum handelsrecht omvat handelspapieren en de verbonden juridische verplichtingen.
Na de Grondwetsherziening van 1848 verscheen in 1850 de in par.7.4.3 te bespreken, De Grondwet, van Neustaetter als een volksuitgave.19 In hetzelfde jaar verschijnt, als pendant hiervan, Beginselen van Staathuishoudkunde van De Bruyn Kops.20 Bij de auteurs zat de bedoeling voor de lezer op verstaanbare wijze van inzichten ‘te bedienen’, maar daarbij is het dan ook gebleven.21