Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.5.3
5.5.3 De vrijheid van een belastingplichtige om de eigen – voor hem gunstigste – interpretatie en toepassing van het belastingrecht te volgen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568707:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De belastingschuld die voortvloeit uit de wet en die bij aanslagbelastingen wordt geformaliseerd door het opleggen van een aanslag, bij aangiftebelastingen door betaling van de door de belasting- of inhoudingsplichtige zelf berekende belastingschuld.
H. Schuttevaer, ‘Bijdrage tot een theorie der wetsontduiking in het belastingrecht’, in: J. de Willigen, M.A. Wisselink (red.), Fiscale Monografieën, Geschrift no. 7, Deventer: Kluwer 1956, p. 33, Scheltens, p. 704-705, Ch.P.A. Geppaart, ‘Over wetsontduiking in het belastingrecht’ in: Ch.P.A. Geppaart (red.), Op zoek naar belastingrecht, Tilburg: Boekhandel Gianotten 1989, p. 107: “Deze regel houdt in dat de belastingplichtigen in een vrije samenleving de rechtsvormen zo mogen kiezen dat het aan belastingen te betalen bedrag zo gering mogelijk is.”
HR 10 februari 2012, BNB 2012/127, ECLI:NL:HR:2012:BK1057, r.o. 3.3.1.
HvJ 21 februari 2006, BNB 2006/170, r.o. 73-74.
EHRM 25 juli 2013, H&I 2013/87, r.o. 805-814.
Een achtergrond voor deze vrijheid zou gelegen kunnen zijn in de omstandigheid dat de belastingheffing een, hoewel onder voorwaarden gerechtvaardigde, inbreuk op het eigendomsrecht vormt. Zie R.E.C.M. Niessen, ‘Wat is er mis met fiscale grensverkenning?’, WFR 2005/6646, p. 1474.
Tijdens de mondelinge behandeling van de Wet tot bevordering van de richtige heffing der directe belastingen had de minister van Financiën in de Tweede Kamer opgemerkt: “De ondergrond is om aperte belastingontduiking (ik veronderstel: ontwijking, MK) tegen te gaan, niet om te verhinderen, dat op normale wijze gebruik wordt gemaakt van wettelijk toelaatbare middelen om belasting te ontgaan.” (Handelingen II, 1924/25, p. 1814 (19 maart 1925)).
R.E.C.M. Niessen, ‘Fraus legis in de 21e eeuw’, NTFRB 2011-6, p. 6-7, L.A. de Blieck, J. de Blieck, E.A.G. van der Ouderaa, R.J. Koopman, S.C.W. Douma, J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 416.
Niessen 2005, p. 1474: “Uitgaande van de eerder bedoelde rechtvaardigheidsprincipes zijn ethische oordelen die buiten de geschreven wet omgaan, wel mogelijk, maar ze vormen persoonlijke inzichten die (nog?) niet deel uitmaken van het positieve recht, en kunnen als gevolg van die omstandigheid nu juist niet worden gehandhaafd met een beroep op het instrumentarium daarvan. Wie de uiterste grens opzoekt, verspeelt wellicht sympathie, maar geen rechten.”
Een opmerking in dit verband: Tijdens de NOB Conferentie ‘Oordeelsvorming in de trias’ van 9 en 10 oktober 2012 is de stelling besproken of het pleitbare standpunt de ondergrens van het ethisch handelen van de adviseur vormt. Deze stelling komt er eigenlijk op neer dat het bij de vraag of een belastingadviseur ethisch heeft gehandeld niet gaat om maatschappelijk verantwoord gedrag, maar uitsluitend om de vraag of er beboetbaar of strafbaar is gehandeld.
Vernietigd: Hof Arnhem 2 december 1997, gepubliceerd in BNB 2000/19, r.o. 4.9, Hof Amsterdam 18 mei 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AX2429, r.o. 5.8, Rb. Arnhem 24 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP8954, Rb. Haarlem 12 oktober 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3499, r.o. 4.11-4.13, Rb. Haarlem 19 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW3602, r.o. 4.11-4.13. Niet vernietigd: Rb. Breda 20 november 2006, NTFR 2007/1043, r.o. 4.3.1, Rb. Zeeland-West-Brabant 8 oktober 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:6530, r.o. 4.9. Ook niet vernietigd: Rb. Noord-Holland 6 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, r.o. 4.36, maar het Hof Amsterdam heeft de boete alsnog vernietigd bij uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098, r.o. 4.5.6.
Van Kesteren, aangehaald door L.J.A. Pieterse, in ‘De doorwerking van algemene rechtsbeginselen in de BTW’, WFR 2013/6987 p. 200, leidt uit HvJ EG 4 juni 2009, C-158/08, r.o. 29 (Pometon) af dat misbruik van recht tot een boete kan leiden. Het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het gemeenschapsrecht niet aan de oplegging van een boete bij misbruik van recht in de weg staat, houdt echter nog niet in dat het nationale recht de mogelijkheid tot het opleggen van een boete in een dergelijke situatie kent. Vergelijk Hof Amsterdam 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1498, r.o. 4.5.8: “Voor zover geen sprake is van een wettelijke bepaling waarop zo’n boete zou kunnen worden gebaseerd – en dat geval doet zich hier naar ’s Hofs oordeel voor – is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om in een op dit punt aanwezig geacht rechtstekort te voorzien.”
J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 87 en 366-367, “Voor verontschuldigbare dwaling is niet voldoende dat men in zijn algemeenheid in redelijkheid kan bepleiten dat een wettelijk voorschrift niet van toepassing is…Wie de grenzen van de wet opzoekt kan voor de overschrijding van de grens de rekening gepresenteerd krijgen, wanneer die net even anders blijkt te liggen.”
Belastingplichtigen hebben in beginsel de vrijheid om vóór het ontstaan of het definitief worden van de materiële belastingschuld1 – bij tijdstipbelastingen tot het moment waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan en bij tijdvakbelastingen tot het moment waarop het tijdvak waarbinnen het belastbare feit of de belastbare feiten zich hebben voorgedaan is verstreken – handelingen te verrichten of na te laten waardoor het ontstaan of de hoogte van de materiële belastingschuld wordt beïnvloed.2 Zo staat het een belastingplichtige vrij om zijn lening in verband met de aankoop van de auto af te lossen en zijn lening in verband met de aankoop van de eigen woning niet, omdat uitsluitend de rente op de laatstgenoemde lening in box I aftrekbaar is.
Deze vrijheid bestaat niet alleen in het Nederlandse belastingrecht,3 maar ook in het recht van de Europese Unie4 en in het belastingrecht van de Verenigde Staten en is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens5 bevestigd.6
In het Nederlandse belastingrecht is de vrijheid om de fiscaal gunstigste weg te kiezen in de jaren ’20 van de vorige eeuw voor het eerst genoemd tijdens de parlementaire behandeling van de wetgeving die richtige heffing mogelijk maakte.7 Richtige heffing – thans niet meer toegepast – en fraus legis of misbruik van recht, eerder in dit onderzoek in hoofdstuk 2, in de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4.3 besproken, vormen bijzondere methoden van rechtsvinding waarbij de belastingrechter de vastgestelde feiten uitsluitend ten behoeve van de belastingheffing of -betaling zodanig aanpast, dat zij alsnog onder de tekst van de wet vallen.8 De belastingheffing of -betaling wordt hierbij dus niet meer aan de hand van de vastgestelde feiten bepaald, maar aan de hand van de ten behoeve van de toepassing van het belastingrecht aangepaste feiten. De rechter gaat hier echter uitsluitend toe over als de aan de feiten verbonden fiscale gevolgen in strijd zijn met doel en strekking van de wet en als belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het samenstel van rechtshandelingen die aan de belastingverijdeling ten grondslag liggen. De vrijheid om de fiscaal voordeligste weg te kiezen vormt weliswaar het uitgangspunt, maar bij strijd met doel en strekking van de wet en belastingverijdeling als doorslaggevende beweegreden voor de gekozen weg kan de hiervoor genoemde vrijheid door toepassing van fraus legis of misbruik van recht worden beperkt.
Van de vraag, in hoeverre het belastingplichtigen vrijstaat om de hoogte van de materiële belastingschuld te beïnvloeden, moet overigens de vraag worden onderscheiden in hoeverre dit maatschappelijk verantwoord gedrag vormt.9 Dit is een andere discussie waar ik in dit onderzoek niet verder op inga.10
De vrijheid om de fiscaal voordeligste weg te kiezen ziet op de belastingheffing of –betaling, niet op beboeting. Of er, als deze vrijheid door toepassing van fraus legis of misbruik van recht wordt teruggenomen, nog steeds ruimte is om een boete op te leggen, is een andere kwestie. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de mogelijkheid om een boete op te leggen als fraus legis of misbruik van recht is toegepast. In de jurisprudentie in feitelijke instantie is een boete bij fraus legis tot nu toe vaak vernietigd.1112
In het verlengde van de vrijheid om de fiscaal gunstigste weg te kiezen, ligt naar mijn mening de vrijheid om de eigen – gunstigste – interpretatie of toepassing van het recht te volgen. Als het kiezen van de fiscaal gunstigste weg vóór het ontstaan of definitief worden van de materiële belastingschuld is toegestaan, ligt het voor de hand dat het een belastingplichtige, die bij het doen van de aangifte wordt geconfronteerd met recht dat voor meerderlei uitleg vatbaar is, ook vrijstaat om de eigen interpretatie of toepassing van het recht te volgen. Van beide vrijheden zou echter weinig meer overblijven als, zoals in het algemene strafrecht, het opzoeken van de grenzen van de wet tot bestraffing of beboeting zou leiden zodra het standpunt onjuist blijkt.13
Een belastingplichtige zou ook van zijn vrijheid om de voor hem gunstigste interpretatie of toepassing van het recht te volgen gebruik kunnen maken door zijn aangifte conform het standpunt van de inspecteur in te dienen en vervolgens zijn standpunt in bezwaar in te nemen. Dit brengt echter enige belemmering van deze vrijheid mee. In de eerste plaats lijkt het dan dat het eveneens voor discussie vatbare standpunt van de inspecteur voorrang heeft – als ware het een beter verdedigbaar standpunt – boven het standpunt van de belastingplichtige. In de tweede plaats komt, zoals hiervoor opgemerkt, het risico dat de gelegenheid om de eigen interpretatie of toepassing van het recht te volgen wordt verspeeld bij de belastingplichtige te liggen.