Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/7.2
7.2 Het begrip verbintenis en de verbintenissen van onderzoek
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196882:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Krans, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/5 en 6; Asser/Sieburgh 6-I 2016/6.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/6. Vergelijkbaar Krans, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/5. Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/12 en 13 voor andere betekenissen waarin ‘verbintenis’ wordt gebruikt.
Krans, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/5.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/16.
Krans, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/10.
Krans noemt de afdwingbaarheid een kenmerk van de verbintenis en de niet afdwingbare verbintenis een onvolmaakte verbintenis (Krans, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/9).
Asser/Sieburgh 6-I 2016/32.
De rechtspersoon kan verplichtingen hebben uit verbintenissen die niet voortvloeien uit (wederkerige) overeenkomsten, bijv. verbintenissen uit onrechtmatige daad (Boek 6 BW, Titel 3), zaakwaarneming (art. 6:198 BW), ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).
Arbeidsovereenkomsten, koopovereenkomsten en huurovereenkomsten zijn wederkerige overeenkomsten in de zin van art. 6:261 BW.
Sommige onmiddellijke voorzieningen zijn voor anderen dan de rechtspersoon een beletsel om een verbintenis na te komen. Bijv. managementovereenkomsten (hfdst. 9).
In hfdst. 9 volgt wel een enkele opmerking over dat beletsel, evenals in 7.7.
[215] De wet geeft geen definitie van het begrip verbintenis en het woord wordt in de rechtsliteratuur in verschillende betekenissen gebruikt.1 In dit hoofdstuk wordt aangesloten bij de omschrijving van Sieburgh, die onder ‘verbintenis’ verstaat: een “vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is”.2 Deze begripsbepaling omvat zowel de aanspraak als de verplichting, ook aangeduid met actieve en passieve kant van de verbintenis.3 Die corresponderen met elkaar.4 De omschrijving laat zien dat de verbintenis een rechtsverhouding is.5
Verbintenissen worden onderscheiden in verbintenissen die in rechte afdwingbaar zijn, ook aangeduid met civiele verbintenissen, en verbintenissen waarvan geen nakoming kan worden gevorderd, de natuurlijke verbintenissen.6 De meeste verbintenissen zijn afdwingbaar, de tweede categorie komt veel minder voor.7
[216] De verbintenissen die voorwerp van onderzoek zijn, vallen in de categorie van de afdwingbare verbintenissen. Is de verbintenis afdwingbaar, dan kan degene die tot de prestatie gerechtigd is, de schuldeiser, degene die tot die prestatie verplicht is, de schuldenaar, tot nakoming dwingen. Hij doet dat door gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een rechtsvordering in te stellen en het veroordelende vonnis te executeren.8 Hierna gaat het steeds over de afdwingbare verbintenissen; de natuurlijke verbintenis wordt buiten beschouwing gelaten.9
De aandacht gaat hier uit naar verbintenissen die voortvloeien uit (wederkerige) overeenkomsten.10 Te denken valt aan verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten, koopovereenkomsten en huurovereenkomsten.11 Een onmiddellijke voorziening kan er aan in de weg staan dat de rechtspersoon zijn verplichting uit zo’n verbintenis nakomt. Een verbod om een koopovereenkomst uit te voeren, bijvoorbeeld, vormt een belemmering voor de rechtspersoon om de verkochte zaak aan de koper te leveren.
De onmiddellijke voorzieningen waar het in dit onderzoek om gaat, belemmeren de rechtspersoon een verbintenis na te komen. De schuldenaar van die verbintenis is dus de rechtspersoon. De wederpartij is de schuldeiser.
Onmiddellijke voorzieningen kunnen invloed hebben op verplichtingen van anderen dan de rechtspersoon.12 Bespiegelingen over die invloed blijven goeddeels achterwege.13 Denkbaar is dat de rechtspersoon in zijn hoedanigheid van schuldeiser last heeft van een onmiddellijke voorziening, doordat de voorziening hem belet om van de prestatie van zijn schuldenaar gebruik te maken. Die mogelijke uitwerking van die voorzieningen wordt hier evenmin besproken.